18 januari. Eerste dag van de Bidweek
4. JEZUS CHRISTUS HEEFT ÉÉN
ENIGE KERK GESTICHT
-De wil van Christus één Kerk te stichten.
-Het gebed van Jezus om eenheid. -Eenheid, gave van God. Vriendelijk samenleven
met alle mensen.
4.1 Ik geloof
in de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk.1 Hoe vaak in ons leven hebben wij deze geloofsbelijdenis
uitgesproken, daarbij elk van die kenmerken overdenkend:
één, heilig, katholiek en apostolisch! Maar in deze dagen waarin
de Kerk ons een week biedt om nog vuriger te bidden voor de eenheid van de
christenen, zijn wij in gebed verenigd met
de paus, de bisschoppen, met de katholieken over heel de wereld en met
onze afgescheiden broeders en zusters. Ofschoon deze laatsten niet de volheid van geloof, sacramenten en leiding bezitten,
neigen zij wel tot die eenheid, daartoe gedreven door dezelfde Christus
die wil ut omnes
unum sint 2, dat allen, en heel bijzonder de christenen, tot de eenheid komen in
één, enige Kerk, die door Christus gesticht werd en die in de wereld zal
voortbestaan tot het einde der tijden.
Ik
geloof in de éne Kerk... De eenheid is een kenmerkende
eigenschap van de Kerk van Christus en maakt deel
uit van haar mysterie.3 De Heer heeft niet vele
kerken gesticht, maar één Kerk, «die
wij in het symbolum als één, heilig, katholiek en apostolisch belijden.
Onze Verlosser heeft haar, na zijn verrijzenis, aan Petrus als herder toevertrouwd (vgl. Joh 21,17). Aan hem en de andere apostelen heeft Hij haar uitbreiding en leiding opgedragen (vgl. Mt 28,18 vv.). Haar heeft Hij
voor eeuwig opgericht als pijler en
grondslag van de waarheid (vgl. 1 Tim 3,15). Deze Kerk, in deze wereld
ingesteld en uitgebouwd als een maatschappij, bevindt zich in de katholieke
Kerk, die door de opvolger van Petrus en de
met hem verenigde bisschoppen wordt
bestuurd, hoewel er ook buiten haar schoot meerdere bestanddelen van heiliging
en waarheid te vinden zijn die, als de eigen gaven van de Kerk van
Christus, naar de katholieke eenheid heen
stuwen.»4 Herhaaldelijk heeft men de Kerk
vergeleken met de lijfrok van Christus, naadloos, aan één stuk geweven van bovenaf 5: hij heeft geen naden opdat hij niet zal scheuren6, zegt sint Augustinus.
Op velerlei wijzen heeft de Heer zijn voornemen
om één, enige Kerk te stichten kenbaar gemaakt. Hij spreekt ons over één kudde
en één herder7, Hij waarschuwt ons voor de
vernietiging van een koninkrijk dat innerlijk verdeeld is -omne regnum divisum contra se, desolabitur8-, Hij spreekt ons over een stad, waarvan de sleutels
aan Petrus worden overhandigd9 en van één, enig
gebouw dat op het fundament van Petrus wordt opgericht.10
Vandaag verenigen wij ons in de gemeenschap van
de heiligen, waartoe wij op onderscheiden wijzen behoren, met zovelen in de
gehele wereld die met zuivere bedoeling bidden: ut omnes unum sint, opdat wij allen één zijn,
één kudde met één Herder; dat er zich nooit meer een tak van de loverrijke boom
van de Kerk zal losrukken. Welk een smart is het, wanneer een wijnrank zich
losmaakt van de ware wijnstok!
4.2 De voortdurende bede van Jezus om eenheid van de zijnen kwam heel
bijzonder tot uiting in het gebed van het Laatste Avondmaal, dat tegelijkertijd
als het ware het testament van Jezus aan zijn leerlingen is: Heilige Vader, bewaar in uw naam
hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn zoals Wij [...]. Niet voor
hen alleen bid Ik, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat
zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U: dat ook zij in
Ons mogen zijn opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.11
Ut omnes
unum sint... De eenheid met
Christus is oorzaak en voorwaarde voor de eenheid van de christenen onder
elkaar. Deze eenheid is een van de grootste weldaden voor geheel de mensheid,
want omdat de Kerk één en enig
is, verschijnt zij als teken voor de volkeren om allen uit te nodigen te
geloven in Jezus Christus, de enige Redder van alle mensen; de Kerk zet in de
wereld het verlossingswerk van Jezus voort. Het Tweede Vaticaans Concilie
verbindt, wanneer zij verwijst naar de fundamenten van het oecumenisme, de
eenheid van Kerk met haar universaliteit en met dit verlossingswerk.12
De eenheid van geloof en zeden was de reden van
het houden van het zogeheten eerste Concilie
van Jeruzalem13, in de beginjaren van de
Kerk. Een groot deel van de Brieven van Paulus zijn een oproep tot eenheid. De
zorg voor dit grote goed is de voornaamste opdracht die sint Paulus aan de
priesters geeft14, aan zijn naaste medewerkers
en aan hen die hem zouden opvolgen in het herderschap en de ondersteuning van
die gemeenschappen.15 Deze zelfde bezorgdheid
vindt men steeds bij alle apostelen.16
De leer van de kerkvaders is altijd een
verdediging van deze door Christus gewilde eenheid, en zij beschouwen de
afscheiding van de gemeenschappelijke stam als het ergste van alle kwaad.17 Tegenover het streven van een vals oecumenisme van
sommigen die elk christelijk geloof gelijkwaardig achten en daarmee het bestaan
verwerpen van een Kerk als zichtbare erfgename van de apostelen en waarin
derhalve Christus' wil vervuld wordt, heeft in onze dagen het Tweede Vaticaans
Concilie ter onderrichting verklaard dat «één en enig de Kerk is die Christus
onze Heer heeft gesticht, terwijl toch meerdere christelijke gemeenschappen
zich als het echte erfgoed van Christus aan de mensen voorstellen. De
leerlingen van onze Heer denken verschillend en gaan afzonderlijke wegen, alsof
Christus zelf in stukken is verdeeld. Deze verdeeldheid is zeker duidelijk in
strijd met de bedoeling van Christus; zij is ook een ergernis voor de wereld en
de hoog verheven taak van de evangelieverkondiging aan alle schepselen wordt
erdoor geschaad.»18
Aangezien wij hartstochtelijk de Kerk beminnen,
doet ons deze 'ergernis voor de wereld' -deze verdeeldheid en de oorzaken
daarvan- pijn tot in het diepst van de ziel. Daarom
moeten we bidden en offers brengen, kleine opofferingen te midden van ons
dagelijks werk, om Gods barmhartigheid te verkrijgen, zodat de vele
moeilijkheden worden overwonnen en de werkelijkheid van deze eenheid in de
enige Kerk van Christus steeds groter wordt. Voor zover het van ons afhangt,
zullen we alles wegnemen wat een belemmering kan vormen; datgene vermijden wat
-doordat wij in ons leven niet voldoen aan alle eisen van de christelijke
roeping- voor anderen een aanleiding zou kunnen vormen om zich van de Kerk te
verwijderen of om geen toenadering tot haar te zoeken; we moeten benadrukken wat wij
gemeenschappelijk hebben, want wellicht is in de loop van de geschiedenis meer
hetgeen ons scheidt naar voren getreden dan hetgeen reden tot eenheid kan zijn.
Dat is de bedoeling en de leer van het kerkelijk leergezag, want «met de
gedoopten die de erenaam van christenen dragen, doch het volledige geloof niet
belijden, of de eenheid van gemeenschap onder de opvolger van Petrus niet in
stand houden, voelt de Kerk zich op velerlei wijzen verbonden.»19 Ofschoon zij
niet in volle gemeenschap met de Kerk zijn, zijn er velen die de heilige
Schrift als geloofs- en leefregel in ere houden, een oprechte apostolische
ijver tonen, gedoopt zijn en andere sacramenten hebben ontvangen. Sommigen bezitten zelfs het bisschopsambt,
vieren de heilige eucharistie en koesteren een oprechte devotie tot de heilige
Maagd Maria. Zij delen tot op zekere hoogte in de gemeenschap van de heiligen,
ontvangen hun invloed en worden door de Heilige Geest gedreven tot een
voorbeeldig leven.20
Het verlangen naar eenheid, het gebed voor
allen brengt ons ertoe voorbeeldig in de liefde te zijn. Ook van ons zal men
moeten kunnen zeggen, zoals van de eerste christenen: 'Ziet hoe zij elkaar
beminnen'.21
4.3 Eenheid is een gave van God en daarom is zij nauw verbonden met het gebed en de voortdurende
bekering van het hart, met de ascetische, persoonlijke strijd om betere
mensen te worden, om meer met de Heer verenigd te zijn. Wij zullen maar weinig
voor de eenheid van de christenen kunnen doen, «als wij deze nauwe
verbondenheid met de Heer Jezus niet hebben bereikt: als wij niet werkelijk,
met Hem en zoals Hij, in de waarheid geheiligd zijn; als wij zijn woord niet in
ons bewaren en iedere dag de verborgen rijkdom daarvan trachten te ontdekken;
als de liefde zelf van God voor zijn Christus niet diep in ons geworteld is.»22
De liefde tot God
moet ons ertoe brengen, heel bijzonder in deze dagen, te bidden voor onze
broeders die nog altijd vele banden met de Kerk onderhouden. We zullen
daadwerkelijk bijdragen tot de opbouw van die eenheid in de mate waarin wij ons
elke dag inzetten om persoonlijke heiligheid na te streven en onze apostolische
geest vermeerderen. Een trouw katholiek heeft altijd een groot hart en moet
edelmoedig zijn mensenbroeders -de overige katholieken, hen die in Christus geloven
zonder tot de Kerk te behoren, of die een andere of zelfs geen enkele religie
belijden- weten te dienen; zich open tonen en altijd bereid met allen samen te
leven. Wij moeten de mensen beminnen om hen te brengen tot de volheid van
Christus en hen zó gelukkig te maken. Heer, -zo bidden wij tot Hem in de liturgie
van de heilige mis - doordring ons
met de geest van uw liefde en maak allen die in U geloven, één van hart in de
liefde.23
-1. Symbolum van Nicaea-Constantinopel, Dz 86 (150). -2. Joh 17,21. -3. Vgl. Paulus vi, Toespraak 19-1-1977.
-4. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium, 8. -5. Vgl. Joh 19,23. -6. Vgl. H. Augustinus, Verhandeling over het Evangelie van Johannes, 118,4.
-7. Joh 10,16. -8. Mt 12,25. -9. Mt 16,19. -10. Mt 16,18. -11. Joh 17,11; 20-21. -12. Vgl. Vaticanum ii, Decr.
Unitatis Redintegratio,
1. -13. Hnd 15,1-30.
-14. Hnd 20,28-35.
-15. Vgl. 1 Tim 4,1-16;
6,3-6; Tit 1,5-16;
enz. -16. Vgl. 1 Pe 2,1-9;
2 Pe 1,12-15; Joh 2,1-25; Jak 4,11-12; enz. -17. H. Augustinus, Tegen de Parmenianen, 2,2.
-18. Vaticanum ii, Decr.
Unitatis redintegratio,
1. -19. Idem, Dogm.
const. Lumen gentium, 15. -20.
Vgl. ibidem. -21. Tertullianus, Apologeticum, 39. -22. Johannes Paulus ii, Toespraak, 23-1-1981.
-23. Altaarmissaal, Mis voor
de eenheid van de christenen, 3. Cyclus B. Gebed na de communie.