Paasoktaaf. Dinsdag
3. JEZUS CHRISTUS LEEFT VOOR EEUWIG
-De Heer verschijnt aan Maria Magdalena. Jezus in ons leven.
-De aanwezigheid van God onder ons. -Christus zoeken en met Hem omgaan. Het
voorbeeld van Maria Magdalena leert ons, dat wie de Heer oprecht zoekt Hem zal
ontmoeten.
3.1 Maria Magdalena is naar het graf
teruggekeerd. De toewijding en tedere liefde van deze vrouw voor Jezus, zelfs
nadat Hij gestorven is, zijn ontroerend. In de allerzwaarste ogenblikken van
Calvarië is zij trouw gebleven. De liefde van de vrouw, die door zeven duivels
bezeten is geweest1,
blijft heel groot. De genade heeft in haar hart wortel geschoten en vrucht
voortgebracht, nadat het van zoveel kwaad verlost was.
Maria Magdalena blijft buiten het graf staan. Zij weent. Een paar engelen, die zij niet als zodanig
herkent, vragen haar waarom zij schreit. Ze hebben mijn Heer weggenomen -zegt ze hun- en ik
weet niet waar ze Hem hebben neergelegd.2 Dat is het enige ter wereld dat telt.
Ook voor ons is dit het enige, dat meer dan alle andere dingen van belang is.
Toen ze dit gezegd had -gaat het evangelie van de Mis
van vandaag verder- keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zonder te
weten dat het Jezus was. Maria's tranenvloed was geen moment opgedroogd
tijdens de afwezigheid van de Heer. Door haar tranen kan ze Hem niet zien als
Hij vlak voor haar staat. Jezus zegt haar: Vrouw, waarom schreit ge? Wie
zoekt ge? Kijk naar de verrezen Christus; Hij glimlacht liefderijk, alsof
Hij wil zeggen: kom maar hier. Denkend dat het de tuinman is, zei ze: Heer,
mocht gij Hem hebben weggebracht, zeg mij dan waar gij Hem hebt neergelegd,
zodat ik Hem kan weghalen.
Toen was één woord van Christus voldoende om haar ogen en
haar hart te verhelderen. Jezus zei haar: Maria! Hij zegt het woord met
die unieke buiging in zijn stem die Hij bij het uitspreken van elke naam heeft
-ook onze naam- en die de inleiding is van een roeping, een heel bijzondere
vriendschap. Jezus noemt ons bij onze naam en zijn stembuiging is onmiskenbaar.
De stem van Jezus kan niet met een andere verwisseld worden.
De verrezen Christus heeft de menselijke trekken van de lijdende Jezus
behouden: zijn wijze van spreken, het breken van het brood, de gaten van de
nagels in handen en voeten.
Maria keerde zich om, ze zag Jezus, omklemde zijn
voeten en riep in het Aramees: Rabboeni, dat wil zeggen 'meester'. Haar
tranenvloed is nu niet meer te stuiten, tranen van vreugde en geluk. De heilige
Johannes heeft ons het originele Hebreeuwse woord -Rabboeni- willen
overleveren waarmee we Hem zo vaak aanspreken. Alleen is Jezus niet een
'meester onder velen', maar dè Meester, de enige die de betekenis van het leven
kan onderrichten, de enige met woorden van eeuwig leven.
Maria ging naar de apostelen om de opdracht uit te voeren die
Jezus haar gegeven had, en zij zei hun: ik heb de Heer gezien. In die
woorden klinkt een geweldige blijdschap door. Wat is haar leven nu anders, nu
zij weet dat Christus verrezen is, als toen zij alleen op weg was om het dode
lichaam eer te bewijzen.
Wat een verschil ook voor ons bestaan, wanneer we proberen
ons te gedragen overeenkomstig deze troostrijke werkelijkheid: Jezus Christus
leeft nog steeds onder ons, dezelfde, die op die bewuste morgen door Maria
Magdalena voor de tuinman van dat landgoed werd aangezien. «Christus leeft,
Christus is niet een figuur die eens geleefd heeft, voorbijgegaan en verdwenen
is en die ons slechts een wonderbare herinnering en een ontroerend voorbeeld
heeft achtergelaten. [...] Zijn verrijzenis openbaart ons, dat God de zijnen niet
in de steek laat. Zal een vrouw haar zuigeling vergeten, een liefhebbende
moeder het kind van haar schoot? En zelfs als die het zouden vergeten, Ik
vergeet u nooit! (Jes 49,15). Dat heeft Hij beloofd. En Hij heeft zijn
woord gestand gedaan. Zijn vreugde vindt Hij onder de kinderen van de mensen
(Vgl. Spr 8,31).»3
Jezus roept ons vaak bij onze naam, met zijn onmiskenbare
stem. Hij is heel dicht bij iedere mens. Mogen uitwendige omstandigheden
-misschien tranen, zoals bij Maria Magdalena, vanwege smart, een treurige
gebeurtenis, teleurstelling, zorgen, of ontmoediging- ons niet verhinderen
Jezus te zien, die ons roept. Mogen wij in staat zijn ons te ontdoen van alles,
wat onze blikken zou kunnen verduisteren.
3.2 Jezus Christus, de tweede persoon van de Allerheiligste
Drieëenheid, die mens geworden is in de maagdelijke schoot van Maria, is in de
hemel met hetzelfde lichaam dat Hij aannam met de Menswording, dat stierf aan
het kruis en verrezen is op de derde dag. Ook wij zullen op een dag, zoals
Maria Magdalena, de allerheiligste Mensheid van de Heer zien. In de tussentijd
koesteren we het verlangen Hem te zien: Tot U spreekt mijn hart, naar U zie
ik op, uw aanschijn, Heer, tracht ik te zien.4 In de hemel zullen we Jezus zien, zoals
Hij is, zonder belemmering. Het zal de ontmoeting zijn met Hem die ons kent,
Hem die wij kennen, omdat we nu al bij veel gelegenheden met Hem omgaan.
Christus is niet alleen in de hemel: Hij is werkelijk tegenwoordig in de heilige eucharistie. «Het ene,
onverdeelde bestaan van de verheerlijkte Christus in de hemel wordt niet verveelvoudigd: het wordt sacramenteel
tegenwoordig gesteld op alle plaatsen ter wereld waar de Mis wordt
gecelebreerd. Na de offerhandeling blijft zijn bestaan aanwezig in het
Allerheiligste, dat binnen het tabernakel het kloppende hart van elk van onze
kerken vormt. Zo rust dan op ons de vreugdevolle plicht om in de heilige
Hostie, die we kunnen zien met eigen ogen, het
vleesgeworden Woord te eren en te aanbidden, dat we niet kunnen zien en
dat zich, zonder uit de hemel te komen, voor onze ogen tegenwoordig heeft
gesteld.»5 «De
tegenwoordigheid van de levende Jezus in de heilige Hostie is waarborg,
grondslag en voltrekking van zijn tegenwoordigheid in de wereld.»6
Christus leeft, Hij is met zijn kracht ook aanwezig in de
sacramenten. Hij is in zijn Woord, wanneer de Kerk de Heilige Schrift leest.
Hij is aanwezig wanneer de Kerk bidt en in zijn naam bijeenkomt.7 Hij leeft op een
intieme, diepe en onuitsprekelijke wijze in de gedoopte gelovige. Hij lost de
belofte in die Hij deed aan zijn apostelen, toen Hij bij het laatste avondmaal
afscheid van hen nam: Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord
onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen.8 God woont in onze ziel door de genade en
daar moeten we Hem zoeken, daar moeten we naar Hem luisteren, want Hij spreekt
met ons, en we zullen Hem verstaan als het oor aandachtig en het hart zuiver
is. Naar deze aanwezigheid verwijst de heilige Paulus, wanneer hij zegt, dat ieder
van ons een tempel van de Heilige Geest is.9
Bij het beschouwen van de onuitsprekelijke nabijheid van God in de ziel roept de heilige Augustinus uit:
«Laat heb ik U liefgekregen, o
schoonheid, zo oud en zo nieuw, laat heb ik U liefgekregen! En Gij waart
binnen en ik was buiten, en daar zocht ik U. [...] Gij waart bij mij en ik niet
bij U. Ik werd ver van U gehouden door dingen, die niet bestaan zouden hebben,
als ze niet in U bestaan hadden. Geroepen hebt Gij, geschreeuwd en mijn
doofheid doorbroken; gestraald hebt Gij, geschitterd en mijn blindheid
verjaagd.»10
In de ziel in staat van genade is de Heer ons dichterbij dan
iemand die naast ons staat; dan een kind in zijn moeders armen; of dan een
broer of zus die hand in hand lopen. Hij is ons dichterbij dan ons eigen hart.
Laten we onophoudelijk met Hem in gesprek blijven.
3.3 Christus leeft en op verschillende wijzen is Hij
bij ons, zelfs in ons. Daarom moeten we Hem opzoeken en trachten ons meer
bewust te zijn van zijn onzegbare aanwezigheid. Als we ons zijn aanwezigheid
meer bewust zijn, zullen we meer omgang met Hem hebben en zal zijn liefde in
ons groeien. «Men moet met Christus omgaan in het Woord en in het Brood, in de
eucharistie en in het gebed. En Hem behandelen als een vriend, als een
werkelijk en levend wezen, want Christus is immers verrezen. Christus is, lezen
we in de brief aan de Hebreeën, voor altijd aanwezig, omdat Hij een eeuwig
priesterschap bezit. Daarom is Hij ook in staat hen, die door zijn tussenkomst
God naderen, voor altijd te redden, daar Hij altijd leeft om voor hen te
pleiten (Heb 7,24-25). Christus, de verrezen Christus, is de gezel, de
vriend. Een gezel die zich alleen in de schaduw laat zien, maar wiens
werkelijkheid ons hele leven vervult en die ons doet verlangen naar het
definitief samenzijn met Hem.»
11 Als wij de verrezen Christus beschouwen, als we trachten Hem met heldere blik te zien,
zullen we ten diepste begrijpen, dat het ook nu mogelijk is Hem van
nabij te volgen, ons leven aan zijn zijde te leven, dat vervolgens zal groeien
en een nieuwe betekenis zal krijgen.
Met het verstrijken van de tijd zal er tussen Christus en ons
een persoonlijke band ontstaan -een liefderijk geloof- dat vandaag, twintig
eeuwen later, even authentiek en zeker kan zijn als dat van hen, die Hem
verrezen en verheerlijkt, met de tekenen van zijn lijden in zijn lichaam,
aanschouwd hebben. We zullen merken dat we ons steeds meer als vanzelfsprekend
tot de Heer wenden met alle dingen van ons bestaan, en dat we niet meer zullen
kunnen leven zonder Hem.
De Heer ontmoeten zal van tijd tot tijd geduldig en moeizaam
zoeken betekenen; beginnen en elke dag opnieuw beginnen, misschien met de
indruk dat we met ons innerlijk leven weer helemaal aan het begin staan. Wees
er echter van overtuigd, dat wie strijdt, elke
dag dichter bij Christus is. Dan is het echter wel een voorwaarde, dat
we ons nooit laten ontmoedigen door mogelijke tegenslagen die, achteraf gezien,
vaak slechts schijnbare tegenslagen bleken.
Het voorbeeld van Maria Magdalena, wier trouw aan de Heer
overeind bleef in de moeilijkste omstandigheden, leert ons, dat wie oprecht en
standvastig Jezus Christus zoekt, erin zal slagen Hem te ontmoeten. We zullen
Hem in alle omstandigheden van ons leven makkelijker ontmoeten als we onze
zoektocht beginnen aan de hand van de maagd Maria, onze Moeder, tot wie we dan
met de woorden van het Salve Regina zeggen: toon ons... Jezus, de gezegende
Vrucht van uw schoot.
-1 Vgl. Lc 8,2. -2 Joh 20,13. -3 H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus
nu langs komt, 102. -4 Ps 27(26),8. -5 Paulus vi, Het Credo van het volk van God, 30
juni 1968. -6 H. Jozefmaria Escrivá,
o.c., 102. -7 Vgl. Vaticanum ii,
Const. Sacrosanctum Concilium, 7. -8 Joh 14,23. -9 Vgl. 2 Kor
6,16. -10 H. Augustinus, Belijdenissen,
10,27,38. -11 H. Jozefmaria Escrivá,
o.c., 116.
|