12 januari
50. JEZUS GROEIT OP
-Het
opgroeien van Jezus. Zijn allerheiligst Menszijn. -Ons bovennatuurlijk
opgroeien. De goddelijke en zedelijke deugden. -De menselijke volwassenheid die
moet samengaan met oprecht innerlijk leven. De menselijke deugden.
50.1 Jezus
groeide op in wijsheid, in jaren en in aanzien bij God en de mensen.1 In deze korte zin vat de heilige Lucas de jaren van
Jezus in Nazareth samen. De Heer wil, omdat Hij een volmaakte mens is, dat het
verstrijken der jaren gepaard gaat met een toenemende groei en blijken van zijn
wijsheid en aanzien.
In overeenstemming met zijn menselijke natuur groeide Jezus op als een van
ons. Het toenemen in wijsheid moet bij Hem opgevat worden als een groei van
feitenkennis die Hij verwierf via de dingen om Hem heen, via zijn leermeesters;
en de groei van de levenservaring die elke mens heeft met het verstrijken van
de jaren. In de kleine school in Nazareth zal Hij de heilige Schrift geleerd
hebben met de klassieke Joodse commentaren die onlosmakelijk met de
schriftuitleg verbonden waren. Het is indrukwekkend je Jezus voor te stellen,
lezend in het Oude Testament en zo lerend wat daarin over de Messias gezegd
wordt; over Hemzelf dus. Bedenk eens hoe Hij daarover sprak met zijn moeder.
Jozef, de heer des huizes, zal de gesprekken van deze twee met grote aandacht
en groeiende verbazing gevolgd hebben en zo nu en dan zijn steentje aan het
gesprek bijgedragen hebben.
Jezus leerde van Jozef
heel veel. Hij leerde onder andere het vak waarmee Hij zijn brood zou verdienen
en het huishouden van zijn moeder zou onderhouden na de dood van de heilige
Aartsvader. De heilige maagd Maria moet een diep spoor nagelaten hebben in haar
Zoon; in zijn menselijkheid, in woorden en zegswijzen, ook in de gebeden die
elke Jood van zijn ouders leerde.
Naast deze menselijke
ervaringskennis, die groeide met de jaren, bezat Jezus twee andere categorieën
van kennis. In de eerste plaats, de kennis van
de gelukzaligen, het schouwen van het goddelijk wezen krachtens de
vereniging van de menselijke natuur van
Christus met de goddelijke natuur van de ene Persoon van de Zoon van
God, van de Tweede Persoon van de
Allerheiligste Drieëenheid. Deze kennis, die God eigen is, kon niet groeien: Hij bezat deze in alle volheid.
Verder bezat Jezus ook de
ingestorte kennis die zijn verstand vervolmaakte en waardoor Hij alles, ook het
verborgene, kende. Zo las Hij bij voorbeeld in de harten van de mensen. Deze kennis
kon evenmin toenemen.2
Soms stelde Jezus vragen: Wat
is uw naam?3;
Hoe lang heeft hij deze ziekte al?4; Hoeveel broden hebt ge?5 Andere keren is
Hij verrast en verwonderd.6 En ook al was Jezus, God, alwetend met de allervolmaaktste
kennis, toch wilde Hij een volstrekt menselijk bestaan leiden. Het is geen
toneelspel als Hij zich verwondert en iets vraagt, want dat zijn de intieme en
diepe reacties die de mens eigen zijn.
Wij dienen ook te groeien in kennis, de kennis van God en zijn heilsplan.
Wij mogen niet ophouden met onze vorming en met het verwerven van kennis van de
leer. Naarmate wij de Heer beter kennen, kunnen wij beter met Hem omgaan en uit
deze omgang zal een telkens vruchtbaarder liefde voortkomen.
50.2 De
heilige Cyrillus zegt bij zijn behandeling van het opgroeien van Jezus, dat de
goddelijke wijsheid het zo beschikt had, dat de Verlosser in alles aan ons
gelijk zou zijn.7 Onze
rijping naar jaren dient vergezeld te gaan van een steeds sterkere groei in
natuurlijke deugden en in steeds volwassener bovennatuurlijk leven.
De groei die de Heer van ons verwacht is van geheel bijzondere aard, want
wij moeten niet onze jeugd achter ons laten, zoals in het natuurlijk leven,
maar wij moeten die telkens vernieuwen en verjongen. In het fysieke leven van
de mens komt er een ogenblik waarin het 'nog niet' van de jeugd plaats maakt
voor het 'niet meer' van de ouderdom. In het bovennatuurlijk leven gaat dat
andersom: het christenleven raakt nimmer uitgeput; wij kunnen elk moment opgaan
naar God, naar God die mijn jeugd verblijdt8, hoe oud wij ook maar zijn. God herschenkt de jeugd
aan wie Hem mint.
Wij hebben misschien
heilige mensen gekend, die heel oud waren met een grote innerlijke jeugd, welke
voortkwam uit hun trouwe omgang met Christus en die bleek uit heel hun
menselijk handelen.
Groei wordt verkregen door
middel van de genade, in het bijzonder door de sacramenten en door het
beoefenen van de deugden. De genade die als een zaadje9 in ons hart gestrooid wordt,
strijdt om te groeien en ons tot de volheid te brengen.10 Het struikelblok is de zonde. De
zonde nu «is een aantasting van de mens, doordat zij hem belet zijn volheid te
bereiken.»11
De geestelijke mens
ontwikkelt zich door de werking van de Heilige Geest12, door middel van het beoefenen
van de deugden. Hij bereikt zijn volheid door de inwerking van de gaven van de
Heilige Geest, Wiens zending het is het bovennatuurlijk leven, dat een aanvang
nam met de theologale deugden, te vervolmaken. Deze gaven treft men aan in elke
ziel die in staat van genade verkeert.
De menselijke en
bovennatuurlijke volwassenheid die wij moeten bereiken, verwerven wij niet op
een bepaald moment. Het is een kwestie van elke dag, van heel veel kleine
overwinningen, van beantwoorden aan de genade in het kleine. Wij moeten ons
erop toeleggen voortdurend de deugden te beoefenen, door concreet handelen. Met
het beoefenen van de deugden, wat in de praktische orde zorg voor details
veronderstelt, smeden wij een echt karakter, een werktuig, gewillig instrument
voor de werking van de Heilige Geest; een wil die gericht is op de zaken van
God en die van de anderen, omwille van God.
50.3 Jezus
groeide op. En Hij heeft gewild, dat onze bovennatuurlijke groei vergezeld
zou gaan van een ook menselijke rijping. De natuurlijke deugden zijn het
cement van de bovennatuurlijke deugden. Men kan zich geen goed katholiek
christen voorstellen, zonder dat deze ook een goed vader, een goed burger, een
goede vriend is. Feitelijk wordt de puur menselijke roeping in een bepaald
opzicht opgenomen in de bovennatuurlijke christelijke roeping. «Wanneer een
ziel zich inspant de natuurlijke deugden te beoefenen, is zijn hart al heel
dicht bij Christus. En de christen begrijpt dat de goddelijke deugden -geloof,
hoop en liefde- en alle andere die de goddelijke genade met zich meebrengt, hem
aanzetten nooit die goede eigenschappen te vergeten die hij deelt met zoveel
andere mensen.»13
De genade werkt niet los
van de natuur zelf, van de -lichamelijke, psychologische en morele-
werkelijkheid waarop zij berust. Het innerlijk bovennatuurlijk leven bereikt in
de regel zijn volheid naar de mate waarin de persoon zich op menselijk vlak
ontplooit. De liefde tot God vergemakkelijkt en versterkt juist de natuurlijke
deugden.
Menselijke rijpheid blijkt
vooral «uit een zekere geestelijke evenwichtigheid, aan het vermogen zware
beslissingen te nemen, en aan een juist oordeel over gebeurtenissen en mensen.»14 De volwassen
mens heeft over zichzelf een realistisch en objectief beeld. Hij onderscheidt
een met succes afgeronde onderneming van wat nog plannen of verlangens zijn.
Hij aanvaardt zijn beperkingen. Dat geeft hem een gevoel van zekerheid,
waardoor hij tot coherent, verantwoordelijk en vrij optreden komt. Hij weet
zich aan de omstandigheden aan te passen, zonder starheid en zonder zwakte. Hij
is, naar gelang het nodig is, toegevend of veeleisend. De onvolwassene houdt
bij zijn plannen en voorstellen niet genoeg rekening met zijn eigen
mogelijkheden en onmogelijkheden, omdat hij die niet echt kent. Hij leeft in onzekerheid;
hij gaat, met smoesjes, op de loop voor de verantwoordelijkheid voor zijn
handelen; hij aanvaardt niet makkelijk mislukkingen en vergissingen.
Blijken van
onvolwassenheid zijn: hoogmoedig en arrogant gedrag, halsstarrigheid,
aanmatiging, eigen fouten niet willen goedmaken, je niet naar je leeftijd
gedragen, je fantasie verliezen in onwerkelijke en onwezenlijke dromen.
De christen moet een
sereen mens zijn, zoals de Heer was. In geen enkele omstandigheid was Hij niet
zichzelf. Hij liet zich niet gaan in woede, of onbeheerste reacties die niet in
verhouding staan tot situaties waar men ook met een glimlach of een beetje
geduld uit had kunnen komen. Een evenwichtig persoon heeft een verstandig
zelfvertrouwen, zonder zichzelf te overschatten, want hij weet dat hij, al
staat hij met beide benen op de grond, zich kan vergissen en de plank Mis kan
slaan. Als het in een geval nodig is, weet hij aan het juiste adres advies te
vragen, waarna hij zijn eigen beslissingen neemt en de verantwoordelijkheid voor
wat hij doet.
Onvolwassenheid hangt vaak
samen met gebrek aan kracht: slapheid, niet in staat zijn een tegenslag te
incasseren zonder elders medelijden te zoeken; bang zijn om moeite te doen;
steeds zeuren als iets tegenzit of vervelend is, wat in ieder mensenleven
voorkomt; gemakzucht en oppervlakkigheid; gebrek aan concentratie bij de
studie, aan betrokkenheid bij het werk.
Wie volwassen is, is
realistisch en objectief: «Een dromer is zelden een strijder. Het is heel
makkelijk en vermakelijk te vluchten in een schijnwereld die naar eigen maat is
opgetrokken, waarin men altijd de eerste viool kan spelen; het is beter vat te
krijgen op de werkelijkheid, die te begrijpen en met inzicht nuttig te
gebruiken. Daarom zal de dromer eindigen als een slappeling»15, het
tegenovergestelde van een leerling van Jezus.
Volwassenheid vergt
volharding bij de zaken die aangepakt zijn om ze tot een einde te brengen,
zonder op te geven, ondanks belemmeringen die, op de een of andere manier, onze
weg zullen versperren. Onze heilige Moeder Maria, «toonbeeld en levende school
van alle deugden»16,
ook van de natuurlijke deugden, zal ons helpen te groeien naar de volmaakte
mannenmaat van Christus.17
-1. Lc 2,52.
-2. Vgl. The Navarre Bible, noot bij Lc 2,52. -3. Mc 5,9.
-4. Mc 9,21. -5. Mc 6,38. -6. Vgl. Mt 8,10. -7. H. Cyrillus, Preek Quod unus sit
Christus, PL 75, 1332. -8. Ps 42,4. -9. Vgl. 1 Joh 3,9. -10. Ef
4,13. -11. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 13. -12. Ef 3,16. -13. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van
God, 91. -14. Vaticanum ii,
Decr. Optatam totius, 11. -15. F.
Suárez, El sacerdote y su ministerio, Madrid 19702, bl. 139. -16. H. Ambrosius, De virginibus, 2.
-17. Vgl. Ef 4,13.
|