9 januari
47. JEZUS ONTMOETEN
-Jezus
als twaalfjarige in de Tempel. De smart en de blijdschap van Maria en Jozef.
Wij raken Hem kwijt door onze eigen schuld. -De werkelijkheid van de zonde en
de verwijdering van Christus. Lauwheid. -Onszelf de middelen verschaffen Jezus
niet te verliezen. Waar wij Hem kunnen terugvinden.
47.1 Jezus
groeide op in een sfeer van godsvrucht en gehoorzaamheid aan de Wet. Belangrijk
daarin waren de bedevaarten naar de Tempel. Driemaal per jaar moet gij ter
ere van Mij feestvieren... Driemaal per jaar moeten al uw mannen verschijnen bij
Jahwe de Heer.1 Dat waren
de feesten van Pasen, het Feest van de eerstelingen of het Feest van de
vijftigste dag -vgl. Frans Pentecôte- en het Loofhuttenfeest. Het was
weliswaar voor mensen die veraf woonden niet verplicht naar de tempel van
Jeruzalem te gaan, maar veel Joden uit heel Palestina trokken bij een van deze
feesten naar deze stad. De heilige Familie deed dit alleen met Pasen. Zijn
ouders reisden ieder jaar, bij gelegenheid van het paasfeest, naar
Jeruzalem.2 Hoewel de verplichting alleen rustte op volwassen mannen, van twaalf jaar en ouder,
ging Maria, zo valt
uit het relaas van Lucas op te maken, met Jozef mee.
Nazareth lag hemelsbreed
op ongeveer honderd kilometer van Jeruzalem. Bij het naderen van het paasfeest
verenigden verscheidene families zich gewoonlijk om de reis gezamenlijk te
maken, in vier à vijf dagreizen.
Toen het Kind twaalf jaar
geworden was, ging het naar Jeruzalem, overeenkomstig het gebruik.3 Na de paasplechtigheden
werd de terugtocht naar Nazareth ingezet. Bij dit soort reizen verdeelden de
families zich in twee groepen, een groep mannen en een groep vrouwen. De
kinderen trokken mee in een van beide groepen. Dat verklaart waarom de
afwezigheid van Jezus de gehele eerste dag onopgemerkt kon blijven, totdat de
groepen zich in het kampement weer samenvoegden.
Wat hebben zij toen
gedacht? Het lijkt overbodig dat te beschrijven. Zij dachten Jezus verloren te
hebben, of dat Jezus hen was kwijtgeraakt, dat Hij alleen rondtrok, God weet
waar. Er heerste bij de poorten en op de toegangswegen van de stad in die dagen
een grote drukte. Die nacht moet voor Maria en Jozef vreselijk geweest zijn. De
volgende morgen, al heel vroeg, zijn zij weer teruggegaan, opnieuw naar
Jeruzalem. Drie dagen verstreken. Zij waren moe, bezorgd, zij vroegen iedereen
of zij een kind van twaalf jaar gezien hadden... Allemaal verloren moeite.
Maria en Jozef waren Hem
buiten hun schuld kwijtgeraakt. Wij verliezen Hem door de zonde, door lauwheid,
door gebrek aan een geest van versterving en offer. En dan verkeert ons leven
zonder Jezus in duisternis.
Als wij ons in deze
duisternis bevinden, moeten wij onmiddellijk actie ondernemen en Hem zoeken.
Wij dienen aan wie het kan en moet weten te vragen: 'Waar is de Heer?'
«De moeder van God die
bezorgd op zoek was naar haar Zoon die buiten haar schuld zoek was geraakt en
die de opperste vreugde smaakte toen zij Hem terugvond, die Moeder zal ook ons
helpen op onze schreden terug te keren en te verbeteren wat nodig is, wanneer
wij door onze lichtzinnigheden of zonden er niet in slagen Christus te zien. Zo
zullen wij de vreugde beleven Hem opnieuw te omhelzen om Hem te zeggen, dat wij
Hem nooit meer willen verliezen.
»Moeder van kennis is
Maria, omdat van haar de belangrijkste les geleerd wordt: dat niets de moeite
waard is als wij niet naast de Heer staan; dat alle wonderen der aarde, alle
bevredigde ambities tot niets dienen als in onze borst niet de vlam van een
levende liefde brandt, het licht van de heilige hoop die een voorproef is van
de oneindige liefde in ons definitieve Vaderland.»4
47.2 Maria
en Jozef waren Jezus niet kwijtgeraakt. Hijzelf had hun gezelschap verlaten.
Met ons ligt dat anders.
Jezus verlaat ons nooit. Wij mensen kunnen Hem van onze zijde wegsturen door de
zonde of van Hem verwijderd raken door de lauwheid. Bij elke ontmoeting tussen
de mens en Jezus is het initiatief uitgegaan van Christus. Steeds als de band
verbroken werd, kwam het initiatief van ons. Hij verlaat ons nooit.
Wanneer een mens ernstig
zondigt, is hij verloren voor zichzelf en voor Christus. Zinloos en doelloos
gaat hij verder, want de zonde desoriënteert hem tot in de grond. De zonde is
de grootste tragedie die een gedoopte kan overkomen. In een paar ogenblikken
scheidt hij zich radicaal af van God door het verlies van de heiligmakende
genade. Hij verliest de verdiensten die hij in de loop van zijn leven verworven
heeft en wordt onderworpen aan een soort slavernij van de duivel en is minder
geneigd tot deugdzaamheid. Door zich van God te verwijderen heeft de mens «ook
de juiste orde verbroken met betrekking tot zijn laatste doel en daarmee ook
heel de harmonie zowel met betrekking tot zichzelf als tot de andere mensen en
al het geschapene.»5
Ongelukkigerwijs hechten
velen er nauwelijks belang aan; dat is het ergste van al. Het gaat om lauwheid,
flauwheid in de liefde, waardoor het gezelschap van Jezus weinig of niets meer
waard wordt geacht. Hij stelt het wèl op prijs bij ons te zijn, Hij stierf aan
een kruis om ons vrij te kopen van de duivel en de zonde en om bij ieder van
ons te zijn in deze wereld en in de andere wereld.
Maria en Jozef hielden
innig van Jezus, daarom zochten zij Hem zonder ophouden, daarom leden zij in
een mate die wij niet kunnen begrijpen, daarom was hun blijdschap zo groot toen
zij Hem vonden. «Het ziet er niet naar uit, dat er tegenwoordig veel mensen
zijn die lijden onder zijn afwezigheid. Er zijn christenen voor wie de
aanwezigheid of afwezigheid van Christus in hun ziel praktisch niets betekent.
Zij gaan van genade naar zonde en ervaren lijden noch pijn, droefheid noch
angst. Ze gaan over van zonde naar genade en maken niet de indruk mensen te
zijn die uit de hel zijn teruggekomen, van de dood naar het leven zijn
overgegaan: zij laten niet de opluchting, vreugde, vrede en rust zien van
mensen die Jezus herwonnen hebben.»6
Laten wij vandaag Maria en
Jozef erom vragen dat wij het gezelschap van Jezus zullen weten te waarderen en
dat wij tot alles bereid mogen zijn om het niet te verliezen. Wat duister zou
de wereld, en onze wereld, zijn zonder Jezus. Hoe groot is ons geluk als wij
ons daar rekenschap van geven. «Jezus, dat ik U nooit meer verlies...»7 Laten wij alle
menselijke en bovennatuurlijke middelen aanwenden om niet te vervallen tot
doodzonde, ook niet tot weloverwogen dagelijkse zonden. Als wij geen moeite
doen de dagelijkse zonde te verafschuwen, onder het mom dat deze niet 'ernstig'
is, zullen wij niet komen tot een intieme omgang met de Heer.
47.3 De
tempel in Jeruzalem had een aantal bijgebouwen, bestemd voor de eredienst en
het onderwijs in de Schrift. Maria en Jozef traden een van deze bijgebouwen
binnen. Waarschijnlijk was het het atrium van de tempel, waar zij de uitleg van
de schriftgeleerden hoorden, onderbroken door vragen en antwoorden. Daar vonden
zij Jezus. Zijn vragen trokken de aandacht van de schriftgeleerden om hun
wijsheid en kennis. Hij was daar als één van de vele toehoorders, gezeten op de
grond, zich in het gesprek mengend zoals anderen deden, maar achter zijn vragen
ging een wonderbaarlijke wijsheid schuil.
Maria en Jozef waren
verwonderd, toen zij dat tafereel overzagen. Blij omdat zij Hem had
teruggevonden, ging Maria naar Hem toe. De heilige Augustinus ziet in haar
woorden een blijk van nederigheid en van eerbied jegens de heilige Jozef:
«Want, ook al was zij waardig bevonden de Zoon van de Allerhoogste het
levenslicht te doen aanschouwen, toch was zij de allernederigste, en toen zij
sprak gaf zij zichzelf geen voorrang op haar echtgenoot door te zeggen: 'Ik en
uw vader'. Nee, zij zei: 'Uw vader en ik'. Zij gaf zich geen rekenschap van de
waardigheid van haar schoot, maar van de echtelijke hiërarchie. De nederigheid
van Christus was voor haar inderdaad geen school des hoogmoeds geworden.»8
Dat Jezus zoekgeraakt was,
was van zijn kant niet onvrijwillig geschied. Hij was er zich volledig van
bewust wie Hij was en wat zijn zending was. Op een of andere wijze wilde Hij
daar een aanvang mee maken. Zoals Hij later zou doen, zocht Hij nu de wil van
zijn hemelse Vader te volbrengen, zonder dat de wil van zijn aardse ouders daarvoor
een hinderpaal kon zijn. Voor hen moet het een smartelijke beproeving geweest
zijn; maar ook een lichtstraal die hen het mysterie van het leven van Jezus
doet ontdekken. Het was een episode uit het leven van Jezus die zij nooit meer
zouden vergeten.
Jezus was zich volledig
bewust van zijn zending en van het gegeven dat Hij de Zoon van God was. Om een
beetje verder door te dringen in zijn antwoord zouden wij de intonatie van
zijn stem hebben moeten horen, toen Hij zich tot zijn ouders richtte. Het laat
ons hoe dan ook beseffen dat de plannen van God altijd voorrang hebben op de
aardse plannen. Mocht er ooit een conflict tussen beide ontstaan, dan geldt het
woord van Petrus en de andere apostelen: Men moet God meer gehoorzamen dan
de mensen.9
Als wij Jezus ooit kwijt
raken, doen wij er goed aan de raad van de Heer zelf op te volgen: zoekt en
gij zult vinden.10 Wij
vinden Hem altijd in het tabernakel, in de mensen die God zelf ons ter
beschikking heeft gesteld om ons de weg te wijzen. En als wij Hem ernstig
beledigd zouden hebben, staat Hij altijd op ons te wachten in het sacrament van
de Verzoening. In dit sacrament bereiden wij ons erop voor, onze ogen te reinigen
van de smetten van gebrek aan liefde en van dagelijkse zonden. Misschien zal
het ons juist vandaag erg goed doen tegenover het tabernakel, of bij het zien
van de muren van een kerk, bij wijze van schietgebed te zeggen en te herhalen
in de intimiteit van ons hart: «Jezus, dat ik U nooit meer verlies...»11 Maria en Jozef
zullen onze hulp zijn om Jezus gedurende de dag en gedurende ons leven nooit
uit het oog te verliezen.
-1. Ex
23,14.17; vgl. Dt 16,16. -2. Lc 2,41. -3. Lc 2,42. -4. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van
God, 278. -5. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 13. -6. F.
Suárez, Jozef van Nazareth, bl. 120. -7. H. Jozefmaria Escrivá, De heilige Rozenkrans, vijfde
blijde geheim. -8. H. Augustinus,
Preek 51, 18. -9. Hnd 5,29. -10. Lc 11,9. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De heilige
Rozenkrans, vijfde blijde geheim.
|