Eerste zondag van de veertigdagentijd
5.
JEZUS WORDT BEKOORD
-God laat toe, dat wij bekoord
worden opdat wij groeien in deugd. -De bekoringen van Jezus. De duivel stelt
ons op vergelijkbare wijze op de proef. -De
Heer staat ons altijd bij. Wapens om te overwinnen.
5.1 «De vastentijd
herdenkt de veertig dagen die Jezus in de woestijn doorbracht als voorbereiding
op zijn openbaar leven, dat zijn hoogtepunt zou vinden in het kruis en in de
glorie van Pasen. Veertig dagen van gebed en boete. Aan het einde ervan de
bekoringen van Christus, die de liturgie ons vandaag ter overweging voorlegt
(Vgl. Mt 4,1-11).
»Een geheimvolle
gebeurtenis, die de mens vergeefs tracht te begrijpen -God die Zich aan
de bekoring onderwerpt, die de boze zijn gang laat gaan-, maar die hij kan
overwegen, de Heer vragend, de inhoud van de lering in te zien.»1
Het is de eerste keer dat de
duivel ten tonele verschijnt in Jezus' leven. In alle openheid. Hij
stelt onze Heer op de proef. Misschien wil hij te weten komen of het uur van de
Messias gekomen is. Jezus laat deze
tussenkomst toe om ons een voorbeeld van nederigheid te geven en ons te
leren hoe we de verleiding die we in ons leven zullen ondergaan, moeten
overwinnen. «Zoals de Heer alles deed om ons te onderrichten -zegt de heilige
Johannes Chrysostomus- zo liet Hij zich naar de wildernis voeren om daar in dat
gevecht met de duivel te geraken. Hij deed dat om te laten zien, dat een
gedoopte niet in verwarring hoeft te geraken, als hij na het doopsel nog steeds
grotelijks in verleiding komt, alsof dat niet te verwachten was.»2 Als we niet
bereid zijn de verlokkingen die we ondergaan het hoofd te bieden, zouden we de
deur openzetten voor een grote vijand: ontmoediging en mistroostigheid.
Jezus wil ons door zijn
voorbeeld leren dat niemand moet denken
verstoken te zullen blijven van welk soort bekoring dan ook. Ronald Knox
zegt hierover het volgende: «De bekoringen van
de Heer zijn ook de verleidingen van ieder van zijn dienaren apart. Maar
de maat waarmee ze gemeten moeten worden is
natuurlijk anders. De duivel zal jou en mij nooit alle koninkrijken van de wereld aan de voeten leggen.
»Hij kent zijn markt. Als
een goed koopman biedt hij precies zoveel aan als hij denkt dat de klant zal
kopen. Naar mijn gevoel denkt hij, en waarschijnlijk terecht, dat sommigen van
ons voor vijftienduizend gulden per jaar te krijgen zijn en een groot deel van
ons voor minder. Hij is tegenover ons ook niet al te expliciet over zijn
voorwaarden. Wij krijgen zijn aanbod in allerlei plausibele verpakkingen. Als
hij echter de kans schoon ziet, zal hij niet aarzelen jou en mij duidelijk te
maken hoe we kunnen krijgen wat we graag willen, als we maar ontrouw zouden
wezen aan ons betere ik, en in niet weinig gevallen als we ontrouw zouden zijn
aan ons katholieke geloof.»3
De prefatie van de Mis van
vandaag herinnert ons eraan dat de Heer ons met daden onderricht, dat we de
verleiding moeten weerstaan en dat we voordeel moeten trekken uit de pogingen
waarmee we belegerd worden. Hij «laat bekoringen toe om je op wonderbaarlijke
wijze te zuiveren, je te heiligen, je meer onthecht te maken aan de aardse
dingen, je te leiden naar waar Hij is, langs de weg die Hij wil dat je gaat, om
je gelukkig te maken in een leven dat niet gladjes zal verlopen; en ook om je
rijper, begripvoller, effectiever te maken in je apostolische werk en [...] op de
allereerste plaats om je nederig te maken, heel nederig.»4 Zalig de mens die standhoudt in de bekoring
-zegt de apostel Jakobus. Heeft hij de toets doorstaan, dan zal hij de
zegekrans van het leven ontvangen, die God beloofd heeft aan wie Hem
liefhebben.5
5.2 De duivel probeert ons te
verleiden door met name voordeel te trekken uit de behoeften en zwakheden van
de menselijke natuur.
Na veertig dagen en nachten vasten moet de Heer erg verzwakt
zijn geweest. Hij heeft honger zoals iedere mens in dergelijke omstandigheden.
Dat is het ogenblik dat de verleider kiest om te voorschijn te komen met het
voorstel, dat Hij stenen die in het rond liggen, zal veranderen in het brood
dat Hij nodig heeft en waar Hij naar verlangt.
Jezus «wijst niet alleen het voedsel af waar zijn lichaam
naar verlangt, maar hij weerstaat ook een andere verleiding, de verleiding zijn
goddelijke macht te gebruiken om, als we het zo mogen uitdrukken, een
privé-probleem op te lossen. [...] Hoe groots is de Heer in zijn zelfvernedering
en in het volledig aanvaarden van zijn menszijn. Hij maakt geen gebruik van
zijn goddelijke macht om uit moeilijkheden te geraken of inspanningen te
voorkomen. Laten we bidden dat Hij ons leert taai te zijn en graag te werken;
dat Hij ons de goddelijke en menselijke adeldom, die ligt in het beleven van de
gevolgen der zelfgave, op waarde leert schatten.»6
Deze passage uit het evangelie leert ons ook uiterst waakzaam
te zijn over onszelf en over degenen ten opzichte van wie we een bijzondere
verplichting hebben hen te helpen op momenten van vermoeidheid en zwakte;
waakzaam te zijn als we het een beetje moeilijk hebben. Op zulke momenten kan
de duivel ons kwaadaardiger aanvallen zodat ons leven van Gods wil afgewend
wordt en wij een ander pad gaan volgen.
In de tweede bekoring nam de duivel Hem mee naar de
heilige stad, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort en sprak tot
Hem: Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden, want er staat
geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de
handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen. Jezus zei tot
hem: Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.7
Het leek een heel kundige
verleiding: als je weigert, zul je tonen dat je godsvertrouwen niet
volledig is; als je de uitdaging aanneemt,
dwing je God zijn engelen te zenden om jou te redden, tot jouw persoonlijk
voordeel. De duivel wist niet, dat Jezus helemaal geen engel nodig gehad
zou hebben.
De Heer zal een zelfde soort voorstel, met bijna letterlijk
dezelfde tekst, horen aan het eind van zijn leven op aarde: Hij is toch
koning van Israël! Laat Hem nu van het kruis afkomen, dan zullen we in Hem
geloven.8 Christus
weigert zinloze wonderen te doen, dat zou eenvoudigweg een kwestie van
ijdelheid of pronkzucht zijn. Wij moeten er ook op letten soortgelijke
verleidingen die in onze eigen omstandigheden opduiken, te weerstaan. De wens
uit te blinken, kan veroorzaakt worden door de heiligste dingen. Het is goed te
letten op valse argumenten die schijnen gebaseerd te zijn op de Bijbel en we
moeten niet vragen -laat staan eisen- om bewijzen of buitengewone tekenen om te
geloven. God wijst ons het pad van het geloof met voldoende genaden en getuigen
in ons alledaagse leven.
In de laatste bekoring biedt de duivel Jezus alle roem en
tijdelijke macht aan die een mens zich maar zou kunnen wensen. De duivel nam
Hem mee naar een heel hoge berg vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld
toonde in hun heerlijkheid. En hij zei: Dat alles zal ik U geven, als Gij in
aanbidding voor mij neervalt.9 Toen zond onze Heer de verleider voor eens en voor altijd
weg.
De duivel belooft altijd meer dan hij kan geven. Geluk is al
helemaal zijn geschenk niet. Elke verleiding draagt altijd in zich een treurige
teleurstelling. De duivel gebruikt onze ambities om ons uit te proberen. De
ergste ambitie van alle is waarschijnlijk het koste wat kost willen uitblinken,
het stelselmatig, in alles wat we doen of zullen gaan doen, zoeken van onszelf.
Ons eigen ik kan vaak de ergste van alle afgoden zijn.
Val ook niet in aanbidding neer voor stoffelijke dingen, maak
er geen afgoden van die ons uiteindelijk tot slavernij brengen. Een stoffelijk
ding is niet langer goed, als het komt tussen ons en God, of tussen ons en de
medemens.
Voortdurend de wacht houden, een niet aflatende strijd, omdat
we nog steeds de neiging hebben menselijke roem te zoeken, ondanks het feit dat
we de Heer heel vaak gezegd hebben dat we zijn glorie zoeken. Jezus zegt ons: Gij
zult geen afgoden vereren, maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen.
Dat is wat we willen en waar we om vragen; God te mogen dienen volgens de
roeping die Hij ons bereid heeft.
5.3 God is altijd aan
onze zijde, telkens als we in verleiding komen en Hij zegt ons: heb goede
moed: Ik heb de wereld overwonnen.10 En we stellen al ons vertrouwen op Hem omdat we
weten dat we uit onszelf heel weinig kunnen uitrichten. Alles vermag ik in
Hem die mij kracht geeft.11 De Heer is mijn licht en mijn heil: wie zou ik dan
vrezen?12
Wij zijn in staat ons te wapenen tegen de bekoring door
voortdurende versterving in ons werk; in de wijze waarop we de naastenliefde
beoefenen, in het waken over onze uitwendige
en innerlijke zintuigen. En naast versterving hebben we behoefte aan
gebed. Waakt en bidt, dat gij niet in bekoring raakt.13 In dit waken
ligt besloten het vermijden van de gelegenheid tot zondigen -hoe marginaal die
ook moge lijken, want wie het gevaar
bemint, komt erin om14- en
het bezig zijn met gezin, werk en sociale verplichtingen.
Als we de verleiding echt willen overwinnen, moeten we
telkens opnieuw de smeekbede uit het Onze Vader herhalen: en leid ons niet
in bekoring; verleen ons de kracht oog in oog met de bekoring sterk te
blijven. Omdat het de Heer zelf is die ons deze smeekbede in de mond geeft,
moet het wel goed voor ons zijn deze voortdurend te herhalen.
«Wij strijden tegen de verleiding door er openhartig over te
spreken met onze geestelijk leidsman; door het zo onder woorden te brengen is
zij al bijna overwonnen.
»Wie zijn bekoringen aan zijn geestelijk leidsman openbaart,
kan er zeker van zijn dat God zijn geestelijk leidsman de genade zal verlenen
die hem de juiste leiding doet geven.»15 We kunnen op Gods genade rekenen om welke
verleiding dan ook te overwinnen. «Maar vergeet niet, vriend, dat je in deze
geestelijke strijd wapens nodig hebt. De volgende wapens moet je hebben:
ononderbroken gebed; eerlijkheid en openheid met je geestelijk leidsman; de
heilige eucharistie en het sacrament van de biecht; een ruime geest van
christelijke boetvaardigheid die je ertoe brengt te vluchten van de gelegenheid
tot zonde en het vermijden van ijdelheid; nederigheid van hart en een tedere en
kinderlijke devotie tot Onze Lieve Vrouw, Troosteres der bedroefden, Toevlucht
van de zondaars. Kom altijd vol vertrouwen naar Onze Lieve Vrouw en zeg haar:
Moeder, al mijn hoop is op U gesteld.»16
-1. H. Jozefmaria
Escrivá, Als Christus nu langs komt, 61. -2. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over Matteüs, 13,1. -3. R.A. Knox,
Pastoral Sermons. -4. S. Canals,
Ascética meditada, 14e uitg., Madrid 1980, bl. 127. -5. Jak 1,12. -6. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus
nu langs komt, 61. -7. Mt 4,5-7. -8. Mt 27,42. -9. Mt
4,8-9. -10. Joh 16,33. -11. Fil 4,13. -12. Ps 27(26),1.
-13. Mt 26,41. -14. Sir 3,26. -15. B. Baur, Still mit Gott. -16. S. Canals, o.c., bl. 128.
|