Negentiende week.
Zaterdag
45. Jezus zegent de kinderen
-De liefde van Christus voor kinderen en voor hen die worden
als kinderen. -Leven van kindschap en goddelijk kindschap. -Geestelijk
kindschap en nederigheid.
45.1 Jezus hield bij voorkeur van de zieken, de noodlijdenden en kinderen.
De evangelies getuigen hier herhaaldelijk van. Hij had een bijzondere
voorliefde voor deze mensen omdat zij voortdurend hulp nodig hebben en ook
omdat zij die kwaliteiten bezitten waarvan Jezus heeft gezegd dat ze onontbeerlijk
zijn om zijn Koninkrijk binnen te gaan.
Er zijn in het evangelie twee gelegenheden waar Jezus de
kinderen zegent en ze als voorbeeld stelt aan zijn leerlingen. De eerste had
plaats in Kafarnaüm in Galilea terwijl de tweede gebeurtenis voorviel in Judea,
waarschijnlijk in de buurt van Jericho, terwijl ze op weg waren naar Jeruzalem.
Over deze tweede gebeurtenis lezen we in het evangelie van vandaag1: Toen werden er kinderen bij Hem gebracht. We kunnen er
zeker van zijn dat ze door vrouwen gebracht werden -door hun moeders, hun
grootmoeders of hun zusters. Zij waren het huis waar Jezus verbleef,
binnengegaan; waarschijnlijk duwden zij hun kleintjes naar voren totdat ze vlak
voor Jezus stonden, opdat
Hij hun de handen zou opleggen en een gebed over hen uitspreken.
Het lijkt erop dat dit de gebruikelijke manier van Jezus was om met kinderen om
te gaan. Het kan zijn dat de onrust die dit met zich meebracht, de leerlingen
wat had afgeleid van het luisteren naar de Meester. En zo kwam het dat de leerlingen de mensen bars
afwezen. Maar de Heer kwam tussenbeide: Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze
niet, want aan hen die zijn zoals zij behoort het Rijk der hemelen. En Hij
legde hun de handen op en vertrok.
Met deze woorden leert Jezus ons in de eerste plaats dat de
kinderen niet uitgesloten zijn van het Rijk der hemelen en daarom moeten we hen
goed opvoeden in de kennis van Jezus. Het is uitermate belangrijk dat zij zo
spoedig mogelijk gedoopt worden, zoals onze heilige Moeder de Kerk daar herhaaldelijk
in ieder tijdperk op aandringt.2 «Dat deze wet
zich niet slechts uitstrekt tot volwassenen maar ook tot kleuters en kinderen,
en dat de Kerk deze ontvangen heeft door apostolische traditie, wordt bevestigd
door eensgezind onderricht en gezag van de Kerkvaders. Trouwens, er wordt niet
verondersteld dat de Heer Jezus Christus het sacrament en de genade van het
doopsel onthouden zou hebben aan kinderen, van wie Hij zei: Laat de kinderen tot Mij komen
en verhindert ze niet...»3 Ouders
hebben «de plicht er zorg voor te dragen dat hun kinderen binnen enkele weken
na de geboorte gedoopt worden.»4
Door het doopsel ontvangen kinderen het leven van Christus.
Zij worden zonen en dochters van God op een volstrekt nieuwe manier, waardoor
zij ook erfgenamen van de Hemel worden. De Heer ziet met bijzondere genegenheid
neer op de moeders die hun kind meteen laten dopen en die de moeite nemen hun
kinderen de waarheden van het geloof bij te brengen, ongeacht de offers die hun
dit kost.
De Heer toont ons in deze passage van het evangelie ook dat
zijn Koninkrijk toebehoort aan hen die 'als kinderen' worden. Dat betekent dat
we een zuiver hart en een zuivere ziel moeten hebben, dat we oprecht en ongecompliceerd,
zonder trots en pretenties dienen te zijn. Voor God zijn we inderdaad als
kleine kinderen en we mogen ons als zodanig gedragen. «Omdat het aan het begin
van zijn leven staat, is het kind ontvankelijk voor welk avontuur dan ook. Zo
zou het ook met u moeten zijn. Laat niets u in de weg staan waar het uw
voortgaande vereniging met Christus betreft; dit is een proces dat levenslang
zal doorgaan.»5
45.2 In zijn eerste komst naar deze wereld toont de Zoon van God zich ons
niet als een engel, of als een almachtig vorst, maar als een zwakke en broze
pasgeboren baby. Hij koos ervoor zo hulpeloos te zijn als een kind, alsof Hij
bescherming en liefde nodig had.
God heeft gewild dat wij zijn Zoon in deze keuze navolgen,
dat wij ons gedragen zoals wat we in feite zijn: hulpeloze kinderen die
voortdurend Gods bijstand nodig hebben. Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook.6 Deze weinige woorden bevatten de fundamentele
waarheden van ons geloof. Zij laten zien hoe we met onze God zouden moeten
omgaan. Te worden als kinderen... dit vraagt om een wezenlijke verandering van
ons hart, die al onze gedachten en daden zal omvormen. Wat moeten we doen om te
worden als kinderen? Allereerst moeten we werkelijk kinderen van God willen
zijn, steeds bereid om zijn Wil te doen, zuiver naar geest en lichaam, nederig
en eerlijk. Dit verlangen is duidelijk aanwezig in het leven van de heiligen.
Naarmate zij steeds meer door de werking van de Heilige Geest werden omgevormd,
zagen zij zichzelf meer en meer als kinderen van God. Geestelijk kindschap is
méér dan een devotie: het is een uitgesproken wens van de Heer. Hoewel niet
elke heilige deze houding van geestelijk kind-zijn expliciet heeft verkondigd,
hebben ze allen zo geleefd, want de Heilige Geest inspireert deze eenvoud van
hart, die de kinderen hebben.7
«Het onnozele kind huilt en stampvoet, wanneer zijn
liefdevolle moeder een naald in zijn vinger steekt om er de doornsplinter uit
te halen die was blijven steken... Het verstandige kind zal, misschien met zijn
ogen vol tranen -want het vlees is zwak-, dankbaar naar zijn goede moeder kijken,
die hem een beetje pijn doet om erger kwaad te voorkomen. -Jezus, laat mij zo'n
verstandig kind zijn.»8 Dit vragen we nu in deze
tijd van gebed: dat we mogen leren hoe we ziekte en pijn of mislukkingen in het
beroep kunnen benutten... en dat we bij dergelijke tegenslagen de voorzienige
hand mogen zien van een Vader die nooit ophoudt over zijn zonen en dochters te
waken. Wij zullen met een glimlach aanvaarden wat het leven te bieden heeft, in
goede en slechte tijden, en we zullen het aanvaarden wanneer wordt toegelaten
dat ons iets overkomt, door Iemand die oneindig wijs is, Iemand die oneindig
veel van ons houdt.
Het leven van kindschap heeft niets te maken met kinderachtig
gedrag. «Het onnozele kind huilt en stampvoet...» Kinderachtigheid heeft te maken
met onvolwassenheid van het verstand en van het hart, met gebrek aan
zelfdiscipline en strijd. Sommige mensen dragen hun leven lang zo'n gedrag met
zich mee. Er zijn mensen die in hun ouderdom, ja zelfs tot aan hun dood, niet
weten dat zij kinderen van God zijn. Het ware geestelijk kindschap houdt echte
volwassenheid in: door de bovennatuurlijke visie kunnen we de dingen die
gebeuren met de ogen van het geloof en met de hulp van de Heilige Geest zien.
Deze volwassenheid brengt oprechtheid en eenvoud met zich mee: degene die haar
bezit is 'een verstandig kind' geworden... Het tegenovergestelde hiervan is iemand
die meteen aan zijn grillen en wat er ook in hem opkomt, toegeeft, die altijd
met zichzelf bezig is; wie zo is zal geen vooruitgang maken op de weg van het
geestelijk kindschap. Wie eenvoudig is als een kind wordt volledig in beslag
genomen door de glorie van zijn Vader God, precies zoals Jezus dat was tijdens
zijn aardse leven. Het ware kind, de ware zoon of dochter, heeft een voortdurende
relatie met zijn of haar Vader.9
45.3 Onze vroomheid moet kinderlijk zijn, vol liefde voor onze Vader. Hoe
kunnen we God werkelijk met liefde dienen als we Hem niet eerst aanvaarden als
een Vader die zijn kinderen overvloedig bemint? Veel christenen leven
gescheiden van God of hebben het contact met God verloren, omdat ze de waarheid
omtrent hun goddelijk kindschap nog niet ontdekt hebben. In het innerlijk leven
van veel zielen is geestelijk kindschap de eerste stap geweest. Heer, geef ons
dit inzicht van goddelijk kindschap. Help ons hierover vaak te mediteren.
Voorwaar,
Ik zeg u, wie het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet
binnengaan.10 «Waarom komen juist kinderen in aanmerking voor het Rijk der hemelen?», vraagt de heilige Ambrosius zich af.
«Misschien is dat omdat er gewoonlijk geen kwaad in hen is. Zij kunnen niet
liegen. Zij zijn eerlijk tegenover zichzelf. Ze zijn niet wellustig. Zij worden
niet aangetrokken door rijkdom. Ze zijn niet eerzuchtig. Maar de deugd bestaat
niet in de onwetendheid van, maar in de afwijzing van het kwade; niet in de
onmogelijkheid om te zondigen, maar in het niet willen zondigen. Daarom
verwijst de Heer niet naar de kinderjaren als zodanig, maar naar de onschuld,
die alle kinderen gemeen hebben.»11
In het christelijk leven bereiken we de volwassenheid juist
wanneer we voor God als kinderen worden, kinderen die zichzelf volkomen
overgeven aan Gods liefdevolle omarming. Dan zien we alles wat er in de wereld
gebeurt in hun realiteit, met hun werkelijke betekenis. Onze enige zorg zal dan
zijn dat we onze Vader en Heer dankzeggen.
Een leven van kindschap vraagt van ons de bovennatuurlijke
deugd van vastberadenheid, zodat we onze neiging tot trots en
zelfgenoegzaamheid kunnen overwinnen. Kinderlijke vroomheid bouwt onze hoop op
en versterkt ons vertrouwen dat we het goede eindpunt zullen bereiken. Het
geeft ons vrede en vreugde in ons leven want we hoeven de moeilijkheden van het
leven niet meer alleen onder ogen te zien. Hoe groot onze problemen ook mogen
zijn, de Heer zal ons nooit verlaten. Met deze zekerheid kunnen we verder, wat
voor obstakels we ook tegenkomen. Zonder dit vertrouwen is vooruitgang niet mogelijk.
We vragen de heilige Maagd, onze Moeder, om ons, haar
kinderen, bij de hand te nemen. We doen des te meer een beroep op haar wanneer
we door leeftijd of levenservaring haar hulp extra nodig hebben.
-1. Mt
19,13-15. -2. Vgl. Congregatie voor de
Geloofsleer, Instructie
over de kinderdoop, 20 oktober 1980. -3. Katechismus van het Concilie van Trente,
II, 232. -4. Wetboek van
Canoniek Recht, 867,I. -5. C.
Lubich, Woorden
van Leven, 47.
-6. 1 Joh 3,1.
-7. Vgl. B. Perquin, Abba, Vader, 142.
-8. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 329. -9. Vgl. B. Perquin, o.c., 143. -10. Lc 18,17. -11. H. Ambrosius, Commentaar over het evangelie
van Lucas, 18,17.
|