Dertiende week door het jaar. Zaterdag
54. Jonge Wijn
-Voorbereiding van onze zielen om de goddelijke gave van de
genade te ontvangen. Nieuwe wijnzakken. -Berouw
geneest ons en maakt ons klaar om nieuwe genade te ontvangen. -De sacramentele
biecht: een middel tot groei in inwendig leven.
54.1 Jezus gaf onderricht, en
zijn toehoorders begrepen heel goed wat Hij zei. De mensen die de eersten waren
om de woorden van het evangelie van de mis van vandaag te horen, wisten alles
over het oplappen van kledingstukken; zij waren allen gewend op het land te
werken en zij wisten wat er gebeurde als nieuwe wijn, gemaakt van pas geoogste
druiven, in oude zakken werd gegoten. Het was door deze eenvoudige welbekende
voorstellingen dat de Heer de meest diepe waarheden over het Koninkrijk, dat
Hij de zielen was komen brengen, onderwees: Niemand
gebruikt voor een oud kleed een verstellap van ongekrompen stof; want het ingezette
stuk trekt aan het kleed en de scheur wordt nog groter. Ook doet men geen jonge
wijn in oude zakken, anders bersten de zakken, de jonge wijn loopt eruit en de
zakken gaan verloren. Maar jonge wijn doet men in nieuwe zakken; dan blijven
beide behouden.1
Jezus maakt duidelijk dat wij Zijn onderricht met een frisse
en jeudige geest in ons moeten opnemen: dat wij moeten verlangen vernieuwd te
worden. Precies zoals de kracht van de gisting van jonge wijn oude zakken doet
barsten, zo moest de boodschap die Christus op het punt stond op aarde te
brengen alle mogelijke soorten van vormelijkheid, routine en traagheid
tenietdoen. Later zouden de apostelen terugdenken aan die dagen die zij naast
Jezus doorbrachten en deze zien als het beginpunt van hun ware leven. Zij
aanvaardden zijn prediking, niet als nog weer een andere uitleg van de Wet,
maar integendeel als een nieuw leven dat binnenin hen opwelde met een
buitengewone stuwkracht en dat nieuwe beschikkingen van hen eiste.
In deze twintig eeuwen, wanneer mensen Jezus ook hebben
ontmoet, is iets binnenin hen in beweging gekomen, en heeft het oude en
versleten opvattingen tenietgedaan. De profeet Ezechiël had al aangekondigd2 dat God zijn volgelingen een ander hart zou schenken
en hun een nieuwe geest zou geven. Beda de Eerbiedwaardige verklaart, in een
commentaar bij een bepaalde passage van het evangelie3,
hoe de apostelen met Pinksteren geheel veranderd zouden zijn en tegelijkertijd
vervuld met de vurigheid van de Heilige Geest. Dit stond later in de Kerk te
gebeuren met ieder van haar leden, wanneer zij het doopsel en het vormsel
hadden ontvangen. Deze nieuwe zakken -een schone en gezuiverde ziel- behoren
altijd vol te zijn; want leeg worden zij verslonden door de
motten en de roest; vol van genade worden zij gespaard.4
De nieuwe wijn van de genade vereist dat de ziel bepaalde gezindheden
heeft die voortdurend worden hernieuwd: vastberadenheid om keer op keer te
beginnen op de weg van de heiligheid, wat een teken van innerlijke jeugdigheid
is, de jeugdigheid die de heiligen hebben; die mensen zijn verliefd op God. We
brengen onze zielen ertoe Gods genadegave te aanvaarden, wanneer we de
ingevingen en de suggesties van de Heilige Geest beantwoorden als die ons
voorbereiden om nieuwe genade te ontvangen. Dan, wanneer we naar de Heer
toegaan om Hem te vragen onze zielen beter te maken als we niet in alle
opzichten trouw zijn geweest, kunnen wij met de heilige Ambrosius zeggen:
«Verwijder, Heer Jezus, de rottigheid van mijn zonden. Terwijl U mij vasthoudt
met de banden van liefde, genees wat ziek is in mij. Ik heb een dokter ontmoet
die in de hemel woont en zijn geneesmiddel op aarde uitstort. Alleen Hij kan
mijn wonden genezen, want Hijzelf heeft er geen; allleen Hij kan het verdriet
van mijn hart wegnemen, het achteruitgaan van mijn ziel, want Hij alleen kent
mijn innigste geheimen.»5 Alleen uw liefde,
Heer, is in staat mijn ziel voor te bereiden meer liefde te ontvangen.
54.2 De Heilige Geest draagt
voortdurend nieuwe wijn aan -de heiligmakende genade- die meer en meer moet
groeien. «Deze nieuwe wijn wordt niet slecht, maar de wijnzakken kunnen verslijten.
Als zij scheuren, worden ze in het vuilnisvat geworpen en de wijn gaat
verloren.»6 Daarom is het nodig de ziel voortdurend te
herstellen, te verjongen; er zijn ogenblikken dat we te kort schieten in de
liefde, misschien door dagelijkse zonden die onze ziel ongeschikt maken meer
genade te ontvangen en reden geven tot slijtage. In dit leven zullen wij altijd
de door de zonde achtergelaten littekens bemerken: karaktergebreken die wij
niet kunnen overwinnen, uitnodigingen van genade die wij niet edelmoedig
beantwoorden, ongeduld, routine in ons leven van piëteit, mislukken in het
tonen van begrip voor mensen. Het is berouw dat ons ertoe brengt nieuwe genade
te verkrijgen, dat onze hoop doet toenemen en ons in staat stelt routine te
vermijden. Het zorgt ervoor dat een christen zichzelf vergeet en zich opnieuw
tot God keert met een nog diepere akte van geloof. Berouw brengt een afkeer van
zonde met zich mee en een bekering tot Christus. Dit diepgevoelde verdriet is
niet hetzelfde als de geestesgesteldheid veroorzaakt door de onplezierige
gevolgen van de zonden: het kapot gaan van de eensgezindheid in het gezin, het
einde van een vriendschap... Het is zelfs niet hetzelfde als het wensen dat wij
een bepaald ding niet hadden gedaan. Het is de onherroepelijke veroordeling van
een handeling, de bekering tot wat goed is, naar Gods heiligheid die voor ons
kenbaar is gemaakt in Christus. Het is de «binnendringing van een nieuw leven
in de ziel»7, een leven gevuld met liefde wanneer het zichzelf
eens temeer terugvindt bij God. Het is daarom dat een persoon die niet weet hoe
berouw te hebben, niet tot berouw bewogen kan worden, als hij zijn zonden, hetzij
groot hetzij klein, niet in verband brengt met God.
Ten overstaan van Jezus neemt al ons doen en laten zijn ware
grootte aan. Indien wij gewoonweg zouden blijven stilstaan bij onze fouten,
zonder enige verwijzing naar de persoon die beledigd is, zouden we er waarschijnlijk
naar streven onze fouten en onze zonden te rechtvaardigen en weinig belang aan
ze hechten. Aan de andere kant zouden wij heel ontmoedigd en wanhopig kunnen
zijn ten aanzien van zoveel dwaling en nalatigheid. God leert ons de waarheid
over ons leven te erkennen en Hij vult ons met vrede, ondanks al onze ellende
en gebreken, en het verlangen om vooruit te gaan en opnieuw te beginnen.
De nederige ziel voelt de noodzaak elke dag God vele malen om
vergiffenis te vragen. Telkens wanneer zij zich afkeert van wat God van haar
verwacht, heeft zij de behoefte zoals de berouwvolle zoon met echte spijt terug
te gaan: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als een van uw
dagloners.8 En de Heer, «die dichtbij hen
met een berouwvol hart is»9 zal ons gebed verhoren. Met deze geest van berouw is de
ziel voortdurend voorbereid om de nieuwe wijn van
genade te ontvangen.
54.3 De Heer, die wist dat wij
broos waren, liet ons het sacrament van de boete na, waar de ziel niet alleen
genezen vandaan komt, maar, als het de genade verloren heeft, opstaat met een
nieuw leven. We moeten dit sacrament gaan ontvangen met een oprechtheid die volledig
is, nederig, berouwvol en met het verlangen tot herstel. Een goed gedane biecht
veronderstelt een grondig gewetensonderzoek -grondig betekent niet noodzakelijk
van lange duur, vooral als we vaak te biecht gaan- zo mogelijk vóór het
tabernakel, en altijd in de tegenwoordigheid van God. In zijn gewetensonderzoek
ziet de christen wat God verwacht heeft dat zijn leven zou zijn en wat het in
werkelijkheid geweest is. Hij ziet de goedheid of de kwaadwilligheid van zijn
daden, zijn verzuim, de kansen die hij heeft laten lopen, de ernst van de
begane fout, de tijdsduur dat hij ermee is blijven lopen alvorens vergiffenis
te vragen.
De christen die een goed gevormd geweten wil hebben, en dus
vaak te biechten gaat, «zal niet tevreden zijn met een biecht die alleen maar
geldig is, maar hij zal streven naar een goede biecht»10, die voor de ziel een doeltreffende hulp is in zijn
verlangen naar God. Opdat veelvuldig biechten dit doel bereikt, moeten wij dit
beginsel in alle ernst nemen: zonder berouw is er geen vergiffenis van zonde.
Dit geeft aanleiding tot de fundamentele regel voor een ieder die vaak te
biechten gaat: geen enkele dagelijkse zonde te biechten zonder er eerst ernstig
en oprecht berouw over te verwekken.
«Er is een 'algemeen berouw'. Dit is de pijn en afschuw van
alle zonden in iemands verleden gepleegd. Dit algemeen berouw is van
buitengewoon belang voor de veelvuldige biecht»11, daar het helpt de wonden te genezen die onze
zwakheden achterlieten, onze ziel te zuiveren en te doen groeien in liefde tot
God.
Wanneer nodig zal de oprechtheid ons ertoe brengen tot in die
kleine bijzonderheden af te dalen die het ons mogelijk maken onze zwakheden
beter te erkennen: hoe? wanneer? waarom? voor hoe lang? We moeten denkbeeldige
en overvloedige details vermijden net zo goed als algemeenheden. We moeten
eenvoudig en met kiesheid zeggen wat er gebeurd is, wat de ware toestand van
onze ziel is. We moeten uitweidingen ontvluchten zoals ik
was niet nederig, ik was lui, mij ontbrak naastenliefde: zaken die toepasbaar
zijn op bijna elk menselijk wezen. Als we veelvuldig biechten, moeten we ervoor
zorgen dat het altijd een persoonlijke daad is
waarin we Gods vergiffenis vragen voor echte duidelijk bepaalde zwakheden, en
geen algemeenheden.
Dit sacrament van barmhartigheid is een zeker redmiddel: onze
wonden worden erin geheeld. Wat al versleten was en oud werd, wordt verjongd.
Al onze fouten, groot en klein, worden genezen, want de biecht is niet alleen
een oordeel waarin overtredingen worden vergeven, maar is ook een geneesmiddel
voor de ziel.
Een biecht die onpersoonlijk is, verbergt vaak een kern van
trots en van eigenliefde die alles wat vernederend is en menselijkerwijze
gesproken ons slecht doet voorkomen, probeert te maskeren of er een rechtvaardiging
voor te vinden. Misschien kan het ons helpen om deze akte van berouw meer
persoonlijk te maken, als we zorgvuldig zijn wat betreft de juiste manier
waarop we onze biecht spreken: Ik beschuldig mijzelf van, want
dit sacrament is niet om dingen die gebeurd zijn droevig te verhalen; het is om
jezelf nederig en eenvoudig te beschuldigen van je eigen fouten en zwakheden
voor God zelf, die ons zal vergeven door de priester en ons zal overstelpen met
zijn genade.
«God zij geloofd, zei je, toen je net gebiecht had. En je
dacht: het is net of ik opnieuw geboren ben.
»Vervolgens ging jij vredig verder: 'Domine, quid me vis facere?'
-Heer, wat wilt Gij dat ik doe?
»En jij gaf jezelf het antwoord: met uw genade zal ik,
ondanks alles en allen, uw allerheiligste Wil vervullen. 'Serviam' -ik zal u
onvoorwaardelijk dienen.»12 Ik zal U dienen,
Heer, zoals U het altijd van mij verlangd heeft: met eenvoud, te midden van al
de gewone dagelijkse gebeurtenissen van mijn leven.
-1. Mt 9,16-17. -2. Ez 36,26.
-3. H. Beda, Commentaar
op het evangelie van Marcus, 2,21-22. -4. H. Ambrosius,
Verhandeling over het evangelie van Lucas, 5,26. -5.
Ibidem. -6. G. Chevrot, L'evangile en plein air. -7. Vgl. M. Schmaus, Katholische Dogmatik.
-8. Lc 15,18-19. -9. H. Augustinus,
Commentaar op het evangelie van Johannes, 15,25.
-10. H. Franciscus van Sales, Inleiding tot het devote leven, ii,
19. -11. B. Baur, Die häufige
Beichte. -12. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 238.
|