Derde zondag van de
heilige Jozef
22. JOZEF, DE echtgenoot VAN
MARIA
-Het huwelijk tussen Jozef en Maria. De
«bewaker van haar maagdelijkheid». -De allerzuiverste liefde van Jozef. -Het
vaderschap van de heilige aartsvader over Jezus.
22.1 Alle heiligen zijn meestaal bekend vanwege een bepaalde kwaliteit, een deugd, waarin zij op bijzondere wijze
een toonbeeld zijn voor de overige christenen en waarin zij uitzonderlijk hebben uitgeblonken: de heilige Franciscus van
Assisi vanwege zijn armoede; de heilige Pastoor van Ars staat model voor de
priester die zich volledig in dienst van het
heil der zielen stelt; de heilige Thomas More onderscheidt zich door de
trouw aan zijn burgerplichten en door de
kracht om onwankelbaar te zijn in zijn geloof, hetgeen hem tot het
martelaarschap voerde... Van de heilige Jozef zegt Matteüs ons: Jozef, de man van Maria.1 Dàt is
de oorsprong van zijn heiligheid en zijn taak in het
leven. Niemand, met uitzondering van Jezus, hield zo veel van Onze Lieve Vrouw,
niemand heeft haar beter beschermd. Niemand anders heeft zijn leven voor de
Verlosser gegeven zoals sint Jozef.
De Voorzienigheid wilde, dat Jezus in de schoot
van een echt gezin geboren zou worden. Jozef was niet louter een beschermer van
Maria, hij was haar echtgenoot. Bij de Joden bestond de huwelijkssluiting uit
twee wezenlijke handelingen, waartussen een bepaalde tijdsruimte lag: de
'verloving' en het eigenlijke 'huwelijk'. Het eerste -de verloving- was niet
eenvoudigweg de belofte van een toekomstige huwelijksverbintenis, maar vormde
reeds een echt huwelijk. De verloofde legde de gift van dertien munten in
handen van de vrouw, en daarna volgde een zegengebed. Vanaf dat ogenblik
ontving de bruid de naam 'echtgenote van...'. Volgens het gebruik was er een
tijdsruimte van een jaar bepaald tussen de verloving en het huwelijk. In die
tussentijd ontving de Maagd het bezoek van de engel en werd Gods Zoon mens in
haar schoot; aan sint Jozef werd in een droom het goddelijk geheim dat zich in
Onze Lieve Vrouw had voltrokken, geopenbaard en hem werd gevraagd Maria als
zijn vrouw in huis op te nemen. «Ontwaakt
uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had en nam zijn
vrouw tot zich (Mt 1, 24). Hij nam haar op met heel het geheim
van haar moederschap; hij nam haar op samen met de Zoon, die door het werk van
de Heilige Geest ter wereld zou komen. Zó toonde hij een bereidwilligheid,
gelijk aan die van Maria, ten aanzien van hetgeen God door middel van zijn
boodschapper van hem vroeg.»2
Het tweede deel
was als het ware de voltrekking van de huwelijksovereenkomst en de wederzijdse
overgave die reeds had plaatsgevonden. De vrouw werd naar het huis van
de echtgenoot gebracht onder grootse feestelijkheden en buitengewoon vreugdebetoon.3 Ten
overstaan van allen werd de verbintenis vanaf de verloving rechtsgeldig
en de vrucht ervan wettig erkend.
Het doel van de huwelijkssluiting zijn de
rechten die de echtgenoten elkaar wederkerig verlenen over hun lichaam met
betrekking tot de voortplanting. Deze rechten bestonden in de vereniging van
Maria en Jozef (als die rechten niet hadden bestaan, zou er ook geen echt
huwelijk hebben plaatsgevonden), ook al hadden zij met wederzijds goedvinden
van de uitoefening daarvan afgezien; en dit
vanwege een bijzondere ingeving en genade die God in hun ziel zou uitstorten. Het uitsluiten van deze rechten
zou het huwelijk ongeldig hebben gemaakt, maar dat gold niet, als zij
het voornemen hadden geen gebruik te maken van die rechten. Alles voltrok zich
in een uiterst fijngevoelige sfeer die wij
goed kunnen begrijpen, wanneer we die
met een zuiver hart bezien. Jozef, maagdelijk omwille van de Maagd, beschermde
haar met uiterste fijngevoeligheid en tederheid.4
De heilige Thomas geeft verscheidene redenen
aan waarom het nodig was, dat Maria met Jozef in een echt huwelijk verbonden
was5: om de schande van de kant van buren en
verwanten te voorkomen, wanneer die zouden zien
dat zij een kind ging krijgen; opdat Jezus in de schoot van een gezin
zou worden geboren en als wettig werd beschouwd
door degenen die onbekend waren met het geheim van zijn
bovennatuurlijke ontvangenis; opdat Maria en Jezus steun en hulp bij Jozef
zouden vinden; opdat de komst van de Messias
voor de duivel verborgen zou blijven; opdat
in Maria tegelijkertijd het huwelijk en de maagdelijkheid geëerd zouden worden... Onze Lieve Vrouw hield van
Jozef met de intense en allerzuiverste liefde van een echtgenote. Zij, die hem zo goed kende, verlangt dat wij in hem steun en kracht zoeken. In Maria en Jozef hebben
de echtgenoten het volmaakte voorbeeld van wat liefde en fijngevoeligheid
dienen te zijn. In hen vinden eveneens een volmaakt beeld degenen die heel hun liefde,
'indiviso corde', aan God hebben toegewijd in een apostolisch celibaat
of in de maagdelijkheid, die zij te midden
van de wereld beleven, want «de maagdelijkheid en het celibaat omwille van het Rijk Gods zijn niet
alleen niet in tegenspraak met de
waardigheid van het huwelijk, maar veronderstellen en bevestigen deze.
Het huwelijk en de maagdelijkheid zijn de twee manieren waarop het ene mysterie
van het verbond van God met zijn volk wordt uitgedrukt.»6
22.2 Jozef en Maria verloofden zich in Nazaret, en daar vond het
onuitsprekelijke mysterie van de menswording van Gods Zoon plaats. Bij de
verloving ontving Maria
-zoals gebruikelijk was7- een bruidsschat
bestaande uit een juweel van geringe waarde, kleren en meubels. Zij ontving ook
een klein erfgoed, waaronder misschien een stukje grond... Wellicht had dit alles
niet veel geldswaarde, maar als men arm is, waardeert men het des te meer. Als
timmerman zal sint Jozef voor haar de beste meubels hebben gemaakt, die hij tot
dan toe ooit vervaardigd had. Zoals dat in niet al te grote plaatsen gebeurt,
zal het bericht van mond tot mond gegaan zijn: «Maria heeft zich verloofd met
Jozef, de timmerman.» Onze Lieve Vrouw wenste
die verloving, ook al had zij aan God haar maagdelijkheid gegeven. «Het eenvoudigste is te bedenken
-schrijft Lagrange-, dat het huwelijk met een man als Jozef haar afschermde van andere
huwelijksaanzoeken, die onophoudelijk opnieuw gedaan werden, en haar
rust zou verzekeren.»8 We moeten bedenken, dat
Jozef en Maria zich in alles lieten leiden door goddelijke impulsen en
ingevingen. Op hen is, als op niemand anders, die waarheid van toepassing, die
sint Thomas uiteenzet: «bij rechtschapen mensen is het gewoon en komt het vaak
voor, dat zij ertoe gebracht worden in alles te handelen op ingeving van de
Heilige Geest.»9 God volgde van zeer nabij die
menselijke liefde tussen Maria en Jozef, en moedigde die aan met de hulp van de
genade om de verloving van hen beiden te doen plaatshebben.
Toen Jozef vernam dat het kind dat Maria in
haar schoot droeg de vrucht van de Heilige Geest was, dat zij de Moeder van de Verlosser zou worden, hield hij
nog meer dan ooit van haar, «niet als
een broer, maar met een zuivere echtelijke liefde, die zo diep was, dat deze
iedere vleselijke relatie overbodig maakte, zo fijngevoelig, dat die hem niet slechts tot getuige maakte van de maagdelijke reinheid van Maria -maagd vóór, tijdens en na de bevalling,
zoals de Kerk ons leert- maar tot haar behoeder.»10
God de Vader bereidde zorgvuldig het maagdelijk gezin voor, waarin zijn eniggeboren Zoon zou worden geboren.
Het is geenszins waarschijnlijk, dat Jozef veel
ouder was dan Maria, zoals we hem vaak op schilderijen zien afgebeeld, met de goede bedoeling de maagdelijkheid van
Maria te benadrukken, want «om de deugd van kuisheid te beleven hoeft men niet
te wachten tot men oud is of geen kracht meer heeft. De kuisheid ontstaat uit
de liefde, en voor de zuivere liefde zijn de energie en de vreugde van de jeugd
geen hindernissen. Jong waren het hart en
het lichaam van sint Jozef, toen hij in het huwelijk trad met Maria,
toen hij kennis nam van het mysterie van haar goddelijk moederschap, toen hij
aan haar zijde leefde met eerbiediging van haar integriteit, die God aan de
wereld wilde schenken als een teken temeer van zijn komst onder de mensen.»11
Dit is de liefde waarom wij -ieder in de staat
waarin God hem of haar heeft geroepen- tot
de heilige aartsvader bidden; die liefde «die het hart verlicht»12 om met vreugde de taak die ons is toevertrouwd ten
uitvoer te brengen.
22.3 De evangelies noemen sint Jozef herhaaldelijk vader.13 Dit was ongetwijfeld de naam die Jezus gewoonlijk gebruikt zal hebben
binnen het huisgezin van Nazaret, als Hij zich tot de heilige aartsvader
richtte. Jezus werd door degenen die Hem kenden beschouwd als zoon van Jozef.14 En Jozef vervulde inderdaad de
functie van vader binnen de Heilige Familie: door Jezus zijn naam te geven, bij
de vlucht naar Egypte, bij het kiezen van hun woonplaats na hun terugkeer...
Jezus gehoorzaamde Jozef als een vader: Hij ging met hen mee naar Nazaret en was aan hen
onderdanig...15
Jezus was op wondere wijze ontvangen door
toedoen van de Heilige Geest en Hij werd door goddelijke wil, maagdelijk geboren voor Maria en Jozef.
God wilde, dat Jezus binnen een gezin
geboren zou worden en onderdanig was aan een vader en een moeder en door
hen verzorgd zou worden. En zoals Hij Maria
uitverkoos om zijn moeder te worden, zo verkoos Hij ook Jozef uit om
zijn vader te zijn, elk van hen op het gebied dat hun toekwam.
Sint Jozef koesterde voor Jezus ware vaderlijke
gevoelens; de genade deed in zijn daarvoor
toegeruste en voorbereide hart een vurige liefde ontbranden tot de Zoon
van God en tot zijn echtgenote, groter nog dan wanneer het om een natuurlijke zoon zou zijn gegaan. Jozef
zorgde voor Jezus, beminde Hem als zijn zoon en aanbad Hem als zijn God.
En het schouwspel -dat hij voortdurend voor ogen had- van een God die de wereld
zijn oneindige liefde schonk, was een aansporing Hem meer en meer te beminnen
en zich steeds meer in een onbegrensde edelmoedigheid over te geven.
Hij beminde Jezus
alsof hij Hem werkelijk had verwekt, als een mysterieuze
gave van God, die aan zijn armzalig mensenleven was gegeven. Hij wijdde aan Hem
zonder enige reserve zijn krachten, zijn
tijd, zijn bekommeringen, zijn
zorgen. Hij verwachtte geen andere beloning dan deze overgave van zijn
leven steeds beter te mogen beleven. Zijn liefde was tegelijkertijd zachtmoedig
en sterk, rustig en vurig, gevoelig en teder. We kunnen ons hem voorstellen,
terwijl hij het Kind in zijn armen neemt, Hem met liedjes in slaap wiegt,
stukken speelgoed voor Hem maakt; hoe hij bij Hem is zoals alle vaders doen,
hoe hij Hem stevig knuffelt als daden van aanbidding en diepste getuigenis van
zijn genegenheid. Hij stond er voortdurend verwonderd over dat de Zoon van God
ook zijn zoon had willen worden. Laten wij de heilige Jozef bidden, dat wij
Jezus weten te beminnen en met Hem om te gaan, zoals hij gedaan heeft.
-1. Mt 1,16. -2. Johannes Paulus ii, Apost. exhort. Redemptoris custos, 15-VIII-1989, 3. -3. F.M. Willam, Leven van Maria. -4. Vgl. H. Augustinus, Tractaat over de maagdelijkheid, 1,4. -5. H. Thomas van Aquino, Summa
Theologiae, III q29 a1. -6. Johannes Paulus ii, Apost. exhort. Familiaris consortio, 22-XII-1981, 16. -7. Vgl. F.M. Willam, o.c., bl. 66. -8. J.M. Lagrange, Evangile
selon Saint Lucas, 3e
ed., Parijs 1923, bl. 33. -9. Vgl. H. Thomas van Aquino,
o.c., III q36 a5, c
en ad 2. -10. F.
Suárez, Jozef van Nazaret. -11. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 40. -12. H. Thomas van Aquino, Over de liefde. -13. Lc 2,27.33.41.48. -14. Vgl. Lc 3,23. -15. Lc 2,51.