Eenentwintigste zondag
door het jaar (C)
57. KATHOLIEK EN UNIVERSEEL
-God wil dat alle mensen gered worden. De Verlossing is
universeel. -Wij zijn Christus' apostelen. Wij horen in de wereld. -De Heer
zendt ons kracht. Begin met de mensen die dicht bij je staan.
57.1 Naast haar andere rampzalige gevolgen bracht de erfzonde de bittere
vrucht voort van de opdeling van mensen in groepen. Trots en egoïsme zijn
geworteld in de eerste zonde en zijn de fundamentele oorzaken van haat,
afzondering en scheiding. De Verlossing daarentegen brengt de vereniging van de
mensen tot stand door de naastenliefde van Christus, waardoor wij kinderen van
God en broeders en zusters van elkaar worden. De Heer wordt door zijn
verlossende liefde het oriëntatiepunt van de mensheid. Dit is wat voorzegd was
door de profeet Jesaja, zoals we vandaag lezen in de eerste lezing1: Maar Ik kom om alle volken en talen te verzamelen: zij
zullen komen en mijn glorie zien. [...] Dan brengen zij al uw broeders uit de
volken terug, als een offer voor Jahwe, op paarden, wagens, huifkarren,
muildieren en draagstoelen, naar mijn heilige berg Jeruzalem, zoals Israëls
zonen in reine vaten hun gaven brengen naar de tempel van Jahwe, zegt Jahwe. Het is een grote oproep aan alle volken tot geloof en redding, zonder
onderscheid van taal, ras of sociale graad. De profetie komt uit met de komst
van de Messias, de Heer Jezus Christus.
In het evangelie2 vermeldt de
heilige Lucas het antwoord van Jezus op de vraag: Heer, zijn het er weinig die gered worden?
Jezus koos ervoor niet rechtstreeks te antwoorden. De Meester gaat verder dan
dat en benadrukt de wezenlijke feiten. Ze vragen om aantallen, en Hij spreekt
over de manier: Spant u
tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen. En Hij
gaat verder met hen te onderwijzen dat het, om het Koninkrijk binnen te gaan
-wat het enige is dat werkelijk telt- niet voldoende is te behoren tot het
uitverkoren volk of een vals vertrouwen in Hem te hebben. Dan zult ge opwerpen: In uw tegenwoordigheid hebben
wij gegeten en gedronken, en in onze straten hebt Gij onderricht gegeven. Maar
weer zal zijn antwoord zijn: Ik weet niet waar gij vandaan komt. Gaat weg van
Mij, gij allen bedrijvers van ongerechtigheid. Al die goddelijke
voorrechten zijn niet genoeg. Wat nodig is, is een geloof met werken, het soort
geloof waartoe wij allen geroepen zijn.
Alle mensen hebben een roeping om naar de hemel te gaan,
Christus' definitieve Koninkrijk. Hiertoe zijn wij geboren, omdat God wil dat alle mensen gered worden.3 Toen Christus stierf aan het kruis, scheurde het voorhangsel
van de tempel middendoor4 als een teken dat de
scheiding tussen joden en heidenen beëindigd was.5
Van toen af zijn alle mensen geroepen om deel te worden van de Kerk, het nieuwe
volk van God, dat «één en enig blijvend [...] over de gehele wereld en door
alle eeuwen heen verspreid moet worden: zo zal het wilsbesluit van God in
vervulling gaan, die bij het begin de menselijke natuur als een eenheid
geschapen heeft en zijn kinderen, die overal verstrooid waren, uiteindelijk
heeft willen verzamelen.»6
De tweede lezing7 duidt aan
wat onze missie is in deze universele taak van verlossing: Daarom, heft op de slappe handen, strekt de wankele
knieën, laat uw voeten rechte wegen gaan; het kreupele lid mag niet ontwricht
worden, maar moet genezen. Het is een oproep om een voorbeeld te
zijn, om met ons gedrag en met onze naastenliefde degenen die wankelen en
minder kracht hebben, te bemoedigen. Velen zullen op ons steunen; anderen
zullen begrijpen dat het smalle pad dat naar de hemel voert, een breed pad
wordt voor hen die van Christus houden.
57.2 Maar Ik kom om alle volken en
talen te verzamelen [...] en hun overlevenden zend Ik naar de volken, naar
Tarsis, Put, Lud, Mesek, Ros, Tubal en Jawan, naar de verre eilanden.8 Zij zullen komen uit het oosten
en het westen, uit het noorden en het zuiden, en aanzitten in het Koninkrijk
Gods.9 Deze profetie is al in vervulling gegaan en er zijn nog steeds heel
veel mensen die Christus niet kennen, misschien zelfs in onze eigen familie,
onder onze eigen vrienden en de mensen die we elke dag tegenkomen. Het is
mogelijk dat velen vaak over Hem gehoord hebben maar Hem in werkelijkheid niet
kennen. We kunnen aan de mensen met wie we in contact komen ook de woorden van
Johannes de Doper herhalen: Onder u staat Hij die gij niet kent.10
De Heer wil dat wij deel hebben aan zijn missie om de
mensheid te redden, en Hij heeft ervoor gezorgd dat het apostolisch vuur een
wezenlijk bestanddeel is van de christelijke roeping. Wie besluit Jezus te
volgen, zoals wij gedaan hebben, wordt een apostel met zeer duidelijk bepaalde
verantwoordelijkheden om anderen te helpen om de smalle deur te vinden die naar de
hemel voert: «Door het doopsel in het mystieke lichaam van Christus ingelijfd,
en in het vormsel door de kracht van de Heilige Geest gesterkt, worden zij
namelijk door de Heer zelf voor het apostolaat bestemd.»11 Alle katholieken, van wat voor leeftijd of
achtergrond dan ook, in alle omstandigheden van hun leven, zijn geroepen om
«over heel de aarde van Christus te getuigen.»12
Apostolisch vuur, het verlangen om vele mensen naar de Heer
te brengen, vraagt niet dat wij iets raars of bijzonders doen, en nog veel
minder om onze familie en sociale of beroepsplichten te veronachtzamen. Het is
juist in die situaties -in onze familie, op ons werk, bij onze vrienden, in
alledaagse menselijke relaties- dat we ruimte vinden voor apostolische
activiteit, die misschien vaak stil is, maar altijd effectief.
Midden in de wereld, waar God ons geplaatst heeft, moeten we
Christus aan anderen brengen: door ons voorbeeld, het in praktijk brengen van
ons geloof; door altijd opgewekt te zijn; door onze weigering in verwarring gebracht
te worden door de moeilijkheden die de mens gewoonlijk te beurt vallen; door,
met ons woord, altijd klaar te staan om te bemoedigen, en daardoor de mensen de
grootheid en het wonder van Jezus te vinden en te volgen, te laten zien; in
sommige gevallen kan het zijn door mensen te helpen naar het sacrament van
boete en verzoening te gaan, en in andere, door mensen die misschien op het
punt gestaan hebben de Meester te verlaten, nieuwe moed te geven.
Laten we ons vandaag in ons gebed afvragen of de mensen die
ons kennen, ons gemakkelijk kunnen herkennen als leerlingen van Christus. Zíjn
we niet alleen christenen, maar zíen ze ook dat wij christenen zijn? Laten we
overwegen hoeveel mensen we geholpen hebben om een beslissende stap te maken op
de weg naar de hemel. Met hoevelen hebben we gesproken van God, of hoevelen
hebben we uitgenodigd voor een geloofscursus of een retraite, of hoevelen
hebben we aangeraden een goed boek te lezen dat hun ziel zou helpen beter te
worden? Wie hebben we geholpen om te gaan biechten, of wie hebben we de leer
van de Kerk over huwelijk en gezin uitgelegd? Wie hebben we de grootsheid
getoond van edelmoedig zijn in het geven van aalmoezen, in het aantal kinderen
dat mensen hebben, of in Christus volgen met een onvoorwaardelijke overgave?
Men zei van de eerste christenen dat «wat de ziel is voor het lichaam, de christenen
zijn voor de wereld.»13 Zou hetzelfde gezegd
kunnen worden van ons in ons gezinsleven, te midden van onze collega's op het
werk of onze medestudenten, of in de culturele of sportieve verenigingen waar
we lid van zijn? Zijn wij de ziel die het leven van Christus doet doordringen
in de maatschappij, waar we ook zijn?
57.3 Gaat uit over de hele wereld en
verkondigt het evangelie aan heel de schepping14, lezen we in de
tussenzang van vandaag. Deze woorden van Christus zijn zeer duidelijk: Hij
sluit geen enkele persoon of geen enkele generatie uit, van welk volk of welke
natie dan ook, van de taak die zijn leerlingen moeten uitvoeren. Niemand die we
ontmoeten is uitgesloten; allen worden door Hem geroepen: de ouderen en de
jongeren, van het kind dat net leert om zijn eerste woordjes te stamelen tot de
volwassene in volle rijpheid, van onze buren tot hen die onze zaken regelen en
hen die bij ons in dienst zijn. We zien dat de apostelen omgaan met mensen van
alle mogelijke achtergronden: sommigen waren zeer goed opgeleid, anderen hadden
zelfs nog nooit gehoord van het bestaan van Palestina; sommigen hadden zeer
belangrijke posities, anderen deden handwerk dat in hun omgeving totaal niet
opviel. Maar niemand werd uitgesloten van de apostolische prediking. En de mensen
die eerst gebrek hadden aan moed of die te bang waren of te zelfvoldaan om met
de apostelen om te gaan, werden volledig vereenzelvigd met de universele missie
die hun gegeven werd.
«Iedere generatie van christenen moet haar eigen tijd
verlossen en heiligen. Om dat te bereiken, moeten ze de zorgen van hun
medemensen begrijpen en delen, opdat ze hun met de 'gave der talen' kunnen doen
verstaan, hoe ze kunnen beantwoorden aan de werking van de Heilige Geest en aan
de steeds overvloedige rijkdom van het goddelijk Hart. Wij christenen hebben in
onze tijd de taak aan de wereld, waarin wij ons bewegen en zijn, die oude en
toch steeds nieuwe boodschap van het evangelie te verkondigen.»15 In deze evangelisatie-opdracht moeten we rekening
houden met «een volledig nieuw en ontstellend verschijnsel, namelijk het
bestaan van een militant atheïsme dat al hele volken aangegrepen heeft»16; een atheïsme dat mensen aanspoort om God de rug
toe te keren, of ten minste niet meer aan Hem te denken. We worden
geconfronteerd met ideologieën die verspreid worden via televisie, kranten,
bioscoop, theater... waarbij vele christenen zich weerloos voelen, en de
noodzakelijke vorming missen om daaraan het hoofd te bieden.
«Aan al die mensen, overal waar ze zijn, om het even of we ze
in een overwinningsroes dan wel verslagen aantreffen, moeten we de plechtige en
categorische woorden toeroepen die Petrus sprak na Pinksteren: Christus is de
hoeksteen, de Verlosser, de volheid van ons leven; want buiten Hem is er geen andere naam onder de hemel
aan de mensen gegeven, waarin we gered moeten worden (Hnd 4,12).»17
De Heer maakt gebruik van ons om de weg te verlichten voor
vele anderen. Laten we vandaag denken aan alle mensen die we het dichtst bij
ons hebben: zoons en dochters, broers en zussen, relaties, vrienden, collega's,
buren en klanten. Laten we ons apostolaat bij hen beginnen, zonder ons zorgen
te maken over het feit dat we daar af en toe niet zo goed in lijken te zijn,
dat we met zo vreselijk weinigen zijn voor al het werk dat gedaan moet worden.
De Heer zal onze kracht verveelvoudigen, en onze moeder Maria, Regina Apostolorum,
zal onze voortdurende, geduldige en avontuurlijke inspanning ruimschoots
bijstand verlenen.
-1. Jes
66,18-21. -2. Lc
13,22-30. -3. 1 Tim 2,4.
-4. Lc
23,45. -5. Vgl. Ef
2,14-16. -6. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen Gentium, 13.
-7. Heb
12,5-7,11-13. -8. Jes 66,18. -9. Lc
13,29. -10. Joh
1,26. -11. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam actuositatem, 3.
-12. Ibidem. -13. Brief aan Diognetes, 6. -14. Mc 16,15. -15. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
132. -16. Johannes xxiii, Apost. const.
Humanae salutis,
25 december 1961. -17. H. Jozefmaria Escrivá,
Als Christus
nu langs komt, 132.
|