Dertigste week. Woensdag
15. Later zult ge het inzien
-Wij zijn in Gods handen. Alle gebeurtenissen
die Hij toezendt of toelaat,hebben hun betekenis en zijn gericht op ons
welzijn. -De zin van ons goddelijke kindschap. Omnia in bonum!, alles strekt ten goede. -Het
vertrouwen op God brengt ons niet tot passiviteit, maar tot het aanwenden van
de middelen die binnen ons bereik liggen.
15.1 Op de laatste avond die Jezus met zijn
leerlingen doorbracht voor zijn lijden en sterven, stond Hij op, legde zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en
omgordde zich daarmee.1
Johannes, de evangelist die ons zijn onvergetelijke herinneringen aan het Laatste
Avondmaal heeft nagelaten, beschrijft uitvoerig de gebeurtenissen die hem voor
altijd zo diep zijn bijgebleven: Daarop
goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te wassen
en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen. Alles verliep normaal, tot verwondering van de apostelen die niets
durfden te zeggen, totdat de Heer bij Petrus kwam, die zijn verbazing en
negatieve houding kenbaar maakte: Heer,
wilt Gij mij de voeten wassen?, waarop Jezus hem
antwoordde: Wat Ik doe begrijpt ge nu
nog niet, maar later zult ge het inzien. Na een
welwillende krachtsinspanning zal Jezus Petrus' voeten wassen, zoals Hij bij de
andere apostelen had gedaan. Bij de komst van de Heilige Geest, toen al deze
gebeurtenissen opnieuw in herinnering werden gebracht, begreep Simon de diepe
betekenis van dat gebaar van de Meester, die zijn opdracht tot dienstbaarheid
aan hen die de steunpilaren van de Kerk zouden worden, wilde onderrichten.
Wat Ik doe begrijpt ge nu
nog niet... Ook ons overkomt hetzelfde als Petrus:
wij begrijpen soms de gebeurtenissen niet die de Heer toestaat: pijn, ziekte,
economische ineenstorting, het verlies van een baan, de dood van een geliefde...
Hij heeft hogere plannen met ons, gericht op ons eeuwig geluk. Onze geest
bereikt alleen maar het meest nabije, een geluk op korte termijn. Wij begrijpen
zelfs veel menselijke aangelegenheden niet, die we dan toch maar aanvaarden.
Vertrouwen wij dan niet op de Heer, op zijn liefdevolle Voorzienigheid?
Vertrouwen wij alleen maar op Hem, als de gebeurtenissen ons menselijk gezien
aanvaardbaar vóórkomen? Wij zijn in zijn handen en nergens zouden we beter
kunnen zijn. Ooit, aan het einde van ons leven, zal de Heer ons in details het
'waarom' uitleggen van al die dingen die we hier niet begrepen, en we zullen
Gods hand van voorzienigheid zien in alles, tot in het meest onbeduidende.
Als we bij iedere mislukking -bij de
gebeurtenissen die we niet weten te plaatsen, tegenover het onrecht dat ons opstandig
maakt...- de troostende stem van Jezus horen die tot ons zegt: Wat Ik doe begrijpt ge nu nog niet, maar later zult
ge het inzien, dan is er geen plaats voor rancune
of droefheid. «Want alles wat gebeurt, is door God voorzien en geordend tot het
heil van de mens en zijn volle verwezenlijking in de heerlijkheid; als wat geschiedt,
goed is, dan wil God het; als het kwaad is, wil Hij het niet, maar Hij laat het
toe, omdat Hij de vrijheid en de natuurlijke orde eerbiedigt, maar in zijn hand
heeft Hij de macht om ook uit het kwaad heil en voordeel voor de ziel te
halen.»2 Bij gebeurtenissen en voorvallen die
ons doen lijden, zal uit het diepst van de ziel een eenvoudig, nederig,
vertrouwvol gebed klinken: Heer, Gij
weet meer, op U verlaat ik mij. Later zal ik het wel inzien.
15.2 In een van de lezingen van de heilige
Mis van vandaag schrijft de heilige Paulus aan de eerste christenen van Rome: Diligentibus Deum omnia cooperantur in bonum... God bevordert het heil van
hen die Hem liefhebben.3
«Moeilijkheden? Tegenslagen bij een of andere gebeurtenis?... Zie je niet, dat
jouw Vader God het zo wil..., en dat Hij goed is..., en van je houdt -van jou
alleen houdt!-, meer dan alle moeders van de wereld samen van hun kinderen
kunnen houden?»4 De zin van het goddelijk kindschap
doet ons ontdekken, dat we in handen zijn van een Vader die verleden, heden en
toekomst kent en alles ordent voor ons welzijn, ook al is dat niet altijd het
onmiddellijke heil dat wij misschien wensen en willen, omdat ons blikveld niet
verder reikt. Dat doet ons in gemoedsrust en vrede leven, zelfs te midden van
de ergste wederwaardigheden. Daarom moeten we altijd de raad van de heilige
Petrus tot de eerste gelovigen opvolgen: Schuift al uw zorgen op Hem af, want Hij heeft zorg voor u.5 Niemand zou beter
voor ons kunnen zorgen: Hij vergist zich nooit. In het menselijk leven hebben
soms zelfs degenen die ons het meest liefhebben, het bij het verkeerde eind, en
in plaats van iets in orde te brengen maken ze het kapot. Dat gebeurt nooit bij
de Heer, oneindig wijs en machtig, die met eerbiediging van onze vrijheid ons suaviter et fortiter6, met zachtheid en
met de hand van een vader, naar het werkelijk belangrijke leidt, naar een
eeuwige zaligheid. Zelfs fouten en zonden kunnen uiteindelijk voor ons heil bedoeld
zijn, want «God leidt absoluut zeker alles naar het voordeel van zijn kinderen,
zodat Hij zelfs degenen die afdwalen en de grenzen overschrijden, doet groeien
in de deugd, omdat zij nederiger en meer ervaren worden.»7 Berouw brengt de ziel tot een diepere liefde en meer
vertrouwen, tot een grotere nabijheid van God.
Naarmate we ons kinderen van God voelen, wordt
het leven dan ook een voortdurende dankbetuiging. Zelfs achter datgene wat
menselijk gezien een ramp lijkt te zijn, laat de Heilige Geest ons «een
liefkozing van God» zien, die ons tot dankbaarheid stemt. Dank U, Heer, moeten
we tot Hem zeggen te midden van een pijnlijke ziekte of wanneer we bericht
hebben gekregen van een smartelijke gebeurtenis. Zo hebben de heiligen geantwoord,
en zo moeten wij ons leren gedragen tegenover de tegenslagen van dit leven.
«Aan God is zeer welgevallig de erkentelijkheid voor zijn goedheid, die een 'Te
Deum' van dankbetoon veronderstelt aan te heffen, steeds wanneer er iets
uitzonderlijks gebeurt, zonder te kijken of dit -zoals de wereld het noemt-
gunstig of ongunstig is: want het komt uit handen van de Vader, en ook al verwondt
de slag van de beitel het vlees, het is tevens een bewijs van liefde, dat onze
scherpe kantjes wegneemt om ons dichter bij de volmaaktheid te brengen.»8
15.3 Overgave aan en vertrouwen op God
leiden ons geenszins tot passiviteit, die in vele gevallen tot uitdrukking zou
komen in verwaarlozing, luiheid of medeplichtigheid. We moeten lichamelijk en
moreel kwaad bestrijden met de middelen die binnen ons bereik liggen, want we
weten, dat onze inspanning -afgezien van de veel of weinig zichtbare resultaten-
God welgevallig is en ten grondslag ligt aan vele bovennatuurlijke en menselijke
vruchten. Bij ziekte zullen we, naast het aanvaarden ervan en het offeren van
het daarbij behorende lijden en de pijn, het middel aanwenden dat de toestand
vereist: naar de dokter gaan, rust nemen, de voorgeschreven medicijn innemen...
En het onrecht, de maatschappelijke ongelijkheid, de ellende van zovelen...
zullen ons, christenen, ertoe aanzetten om samen met andere mensen van goede
wil te zoeken naar de middelen en oplossingen die ons het meest geschikt
voorkomen. Zo moeten we ook reageren op onwetendheid en gebrek aan kennis van
zoveel mensen... Niets is meer vreemd aan de christelijke geest dan een verkeerd
begrepen Godsvertrouwen, dat ons zou leiden tot werkeloos blijven toezien
tegenover lijden en armoede, in welke vorm deze zich ook voordoen.
God is onze Vader en Hij zorgt vol liefde voor
ons, maar Hij rekent ook op het begrip en gezond verstand van zijn kinderen om
voort te gaan op de weg waarover Hij ons wil leiden, en ook met de broederlijke
liefde om door ons in het leven van al zijn andere kinderen te werken. Hij
heeft ons een aantal talenten gegeven die we voortdurend dienen in te zetten.
Wij worden ook geheiligd wanneer we, na alle voor het geval vereiste middelen
te hebben aangewend, toch mislukt schijnen en we niet het verwachte resultaat
hebben bereikt. De Heer heiligt de 'mislukkingen' die zich voordoen, nadat wij
de middelen die geëigend leken, hebben aangewend; maar Hij zegent niet de
nalatigheid, want Hij beschouwt ons als kinderen met verstand, van wie Hij
verwacht dat zij de geschikte middelen benutten.
Laten wij daarom altijd zorgen voor ons
aandeel, en daarna: omnia in bonum!, alles strekt ten goede. De resultaten, ogenschijnlijk goed of slecht,
zullen ons tot groter liefde tot God brengen, ons nooit van Hem doen scheiden.
In de betekenis van het goddelijk kindschap zullen we de vaderlijke bescherming
en warmte vinden die wij allen nodig hebben. «Als ge vol vertrouwen op Hem en
welgemoed zijt -want dat behaagt Zijne Majesteit ten zeerste-, weest dan niet
bevreesd, dat u iets zal ontbreken»9, zo
schrijft de heilige Teresia na lange ervaring. Bij de Heer worden alle
veldslagen gewonnen, ook al lijken sommige verloren te gaan.
-1. Joh 13,4 vv. -2. F. Suárez, Después, bl. 208. -3. Eerste lezing (oneven
jaren), Rom 8,28. -4. H. Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 929. -5. 1 Pe 5,8. -6. Wijsh 8,1. -7. H. Augustinus, Over bekering en genade, 30. -8. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 609. -9. H. Teresia van
Avila, Stichtingen, 27.12.
|