Tweede week.
Vrijdag
13. LAUWHEID EN LIEFDE TOT GOD
-De
liefde tot God en het gevaar van lauwheid. -Oorzaken van lauwheid. -Middelen
tegen deze ernstige ziekte van de ziel.
13.1 Wie
U volgt, Heer, zal het licht des levens bezitten. Hij is als een boom, aan het
water geplant, die vruchten draagt op zijn tijd; des zomers verdorren zijn
bladeren niet.1 Ons leven heeft geen betekenis als
het niet geketend is aan de Heer. Heer,
naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.2 Onze successen, het menselijk geluk dat wij kunnen
verwerven, is kaf dat wegwaait met de wind.3 In ons persoonlijk gebed tot de Heer kunnen wij
werkelijk zeggen: «Blijf bij ons, omdat duisternissen door onze ziel waren en
Gij alleen licht zijt. Gij alleen kunt de bezorgdheid bedaren die ons verteert,
omdat wij weten dat onder alle lieflijke en eerzame zaken de eerste is: U te
bezitten voor immer, Heer.»4 Hij komt
ons een liefde brengen die als vuur in alles doordringt. Hij komt zin geven aan
ons zinloos leven. Veeleisend is de liefde van de Heer. Zij vraagt telkens
meer. Zij doet ons groeien in de verfijning van de ziele-omgang met God en in het dragen van vruchten.
Elke christen die vol
liefde tot God is, is de boom die vruchten draagt waarover de tussenzang
spreekt, de boom die nooit zal verdorren. Christus zelf geeft hem leven. Maar
de christen die toelaat, dat de liefde verkilt, dat de lauwheid zijn ziel
binnendringt, zal geveld worden door die zware innerlijke ziekte die van hem kaf
zal maken, dat wegwaait met de wind: lauwheid maakt het leven liefdeloos
en zinloos, ook al lijkt het van buiten of er niets veranderd is. Christus
blijft, door onachtzaamheid, verborgen in geest en hart; men kan Hem zien noch
horen. Wat de ziel rest, is het van God leeg zijn. De leegte zal zich met
andere dingen willen vullen, die niet God zijn en geen vervulling brengen. En
het vrome leven raakt doordrenkt met een bijzondere en karakteristieke
ontmoediging. De snelheid en de blijdschap van de overgave gaan verloren. Het
geloof wordt in slaap gesust, omdat de liefde verkild is.
Als we op een bepaald
moment zouden merken, dat ons intieme leven zich van God verwijdert, moeten we
weten, dat alle kwalen van de ziel door toepassing van de juiste middelen
genezen kunnen worden. De ziektes van de liefde ook. Men kan altijd die
verborgen schat gaan ontdekken, Christus, die eens zin gaf aan het leven. In
het begin van de ziekte makkelijker, maar later ook, zoals in het geval van die
melaatse over wie de heilige Lucas zegt5, dat hij overdekt met melaatsheid was,
volledig ziek. Op een dag echter besloot hij werkelijk en nederig naar Christus
toe te gaan. Daar vond hij genezing.
«Zij vroegen de Vriend
welke de bron van de liefde was. Hij
antwoordde dat het die was waarin de Geliefde ons van alle schuld
gezuiverd had, en waaruit men met de putemmer levend water haalt, dat wie het
drinkt, het eeuwig leven geeft in een liefde
zonder eind.»6 In het open en
eerlijk gebed en in de sacramenten wacht de Heer altijd op ons.
13.2 Als
kaf dat wegwaait met de wind. Geen gewicht, geen vruchten. Afzonderlijke
fouten leiden niet noodzakelijkerwijs tot lauwheid. Deze ziekte van de ziel
«wordt gekenmerkt door het, meer of minder bewust, niet ernstig opvatten van de
dagelijkse zonden; een toestand waarin het de wil ontbreekt aan ijver. Lauwheid
is niet dat men zich geestelijk uitgedroogd, mistroostig of vol weerzin tegen
het godsdienstige en goddelijke voelt of acht, omdat de ijver van de wil en het
oprecht zoeken, ondanks al deze gemoedsgesteldheden, kunnen overleven. Lauwheid
is evenmin het telkens weer vervallen in dagelijkse zonden, in zoverre iemand
er ernstig berouw over heeft en er tegen strijdt. Lauwheid is de toestand van
een gebrek aan bewuste en gewilde ziele-ijver, van een soort langdurige veronachtzaming
ervan of van een middelmatig devoot leven, gebaseerd op bepaalde valse
opvattingen: dat men niet pietluttig moet zijn; dat God veel te groot is om in
zulke kleine dingen veeleisend te zijn; dat anderen het ook niet doen, en
vergelijkbare smoesjes.»7
Lauwheid komt voort uit
een voortdurende luiheid in het inwendig leven. Meestal gaat er een aantal
gevallen van kleine ontrouw aan vooraf, waarvan de schuld -zo die niet wordt
ingelost- de verhoudingen van deze ziel met God blijft beïnvloeden. Lauwheid
manifesteert zich in een tot gewoonte geworden gebrek aan zorgdragen voor de
kleine dingen, in een gebrek aan berouw over persoonlijke fouten, in een gebrek
aan concrete doeleinden in de omgang met de Heer. Men leeft in het innerlijk
leven met plannen die niet echt zijn, men wordt er niet door aangetrokken of
enthousiast gemaakt. Men laat de zaken op hun beloop. Men heeft de strijd tot
verbetering opgegeven, of er een spiegelgevecht van gemaakt, althans een weinig
effectieve strijd.8 Men
gaat versterving uit de weg en «met een zwaar en weldoorvoed lijf valt het de
ziel niet licht op te stijgen naar boven.»9
De staat van lauwheid
blijkt uit een neerwaarts gerichte neiging die de verwijdering van God steeds
groter maakt. Vrijwel onmerkbaar ontstaat er een houding-vooral niet
overdrijven- van binnen de perken te blijven, waarvoor het voldoende is geen
doodzonde te doen, ook al ziet men er geen been in dagelijkse zonden te begaan.
De lauwe ziel
rechtvaardigt deze houding van weinig strijdbaarheid, van een tekort aan
persoonlijke veeleisendheid met argumenten als natuurlijkheid, efficiëntie,
werk, gezondheid enzovoorts, die de lauwe mens toegeeflijk doen zijn jegens
zijn kleine ongeregelde, op mensen of zaken gerichte neigingen, genoegens die
zich uiteindelijk voordoen als een subjectieve noodzaak. De krachten van de
ziel verweken elke keer meer. Waar lauwheid heerst, is er geen werkelijke
innerlijke eredienst aan God in de heilige Mis. Het ontvangen van de communie
gaat dan meestal gepaard met een grote kilte uit gebrek aan liefde en
voorbereiding. Het gebed blijft vaag, wijdlopig, verstrooid: er is geen
werkelijke, persoonlijke omgang met de Heer. Het gewetensonderzoek -dat
gebaseerd is op een bijzondere gevoeligheid- blijft achterwege, ofwel omdat men
ermee ophoudt, ofwel omdat het routineus
wordt afgewerkt en vruchteloos is.
In deze trieste toestand
verliest de lauwe mens het verlangen naar een tot in de grond naderen tot God
(wat zich als praktisch onmogelijk voordoet): «Het doet me leed te zien, hoe je
je aan het gevaar van lauwheid blootstelt wanneer je in je levensstaat niet
ernstig naar de volmaaktheid streeft.»10 Kortom: «Je bent lauw, als je traag en met
tegenzin de dingen doet, die betrekking hebben op de Heer; als je met
berekening of sluwheid probeert je plichten te verminderen; als je alleen maar
aan jezelf en aan je gemak denkt; als je gesprekken ledig en nutteloos zijn;
als je de dagelijkse zonde niet verafschuwt; als je handelt uit menselijke
beweegredenen.»11
We zullen strijden om
nooit deze ziekte van de ziel op te lopen; we zullen waakzaam zijn om de
allereerste symptomen waar te nemen; laten we daartoe met bekwame spoed onze
toevlucht nemen tot de heilige Maria. Zij vergroot altijd onze hoop en zij
brengt ons de blijdschap van de geboorte van Jezus: Verheug en verblijd u,
dochter van Jeruzalem: zie uit naar uw Koning die gaat komen; vrees niet, Sion,
uw redding is nabij.12
Onze Lieve Vrouw brengt
ons, als wij haar daarom vragen, naar haar Zoon.
13.3 Het
koesteren van een geest van strijdvaardigheid zal ons ertoe brengen elke dag
een gewetensonderzoek te doen. Daarin zullen we regelmatig een punt vinden dat
de volgende dag verbeterd kan worden. We zullen na het gewetensonderzoek een
oefening van berouw bidden voor die zaken waarin we gedurende de dag God niet
geheel trouw geweest zijn. Deze waakzame liefde, het actieve verlangen God in
de loop van de dag te zoeken, is de tegenpool van de lauwheid die bestaat uit
luiheid, gebrek aan belangstelling, traagheid en armzaligheid in onze gewone
vroomheidsoefeningen jegens Hem.
Deze strijdbaarheid zal
ons niet altijd de overwinning opleveren: er zullen mislukkingen zijn. Berouw
en voldoening zullen ons echter dichter bij God brengen. Berouw verjongt de
ziel. «Met onze armzaligheden, met onze zonden en fouten voor ogen -ook al zijn
die dank zij de goddelijke genade niet omvangrijk- moeten we onze toevlucht
nemen tot het gebed. We moeten tot onze hemelse Vader zeggen: Heer, neem de
povere, breekbare scherven aardewerk van mijn gebroken vaas; Heer, zet ze met
uw krammen weer in elkaar. Heer, dan zal ik -met mijn berouw en uw vergeving-
steviger en mooier zijn dan tevoren. Een troostrijk gebed dat we elke keer als
ons armzalig aardewerk gebroken is, moeten herhalen.»13
En dan, opnieuw, dicht bij
Christus. Met nieuwe blijdschap, met nieuwe nederigheid. Nederigheid,
oprechtheid, spijt- en een nieuw begin maken. Men moet in staat zijn nog een
keer opnieuw te beginnen; even vaak als we fouten maken. God houdt rekening met
onze breekbaarheid. God vergeeft altijd, maar daarvoor is vereist dat we
opstaan, berouw opwekken, gaan biechten als het nodig is. Er is elke keer als
we opnieuw beginnen, een diepe, onvergelijkbare blijdschap. In de loop van ons
leven zullen we dat vaak moeten doen, want er zullen altijd gebreken zijn en
wij zullen tekortkomingen, zwakheden en zonden hebben. Misschien kan deze tijd
van gebed ons helpen weer een keer opnieuw te beginnen. De Heer houdt rekening
met onze mislukkingen, maar hij hoopt ook op onze vele kleine overwinningen in
de loop van onze dagen. Zo zullen wij nooit vervallen tot oppervlakkigheid,
luiheid, liefdeloosheid.
-1.
Tussenzang uit de Mis, vgl. Joh 8,12 en Ps 1,1-4. -2. Joh
6,68. -3. Tussenzang. -4. H.
Gregorius van Nazianze, Brief, 212. -5. Lc 5, 12-13. -6. Raymundus Lullius, Libro del amigo y
del amado, 115. -7. B. Baur, Die
häufige Beichte. -8. Vgl. F.
Fernández Carvajal, La tibieza, bl. 28-42. -9. H. Petrus van Alcántara, Tratado de
la oración y la meditación, 2,3. -10. Vgl.
H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 326. -11. Ibidem, 331. -12.
Getijdenboek, Antifoon 2. -13. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 95.
|