Derde zondag door het jaar (C)
18. leerstellige vorming
-Gods woord in geloof en met godsvrucht
beluisteren. Lezing van het evangelie. De onwetendheid, «Gods grootste vijand
in de wereld». -De vorming van de christen gaat het hele leven verder. Noodzaak
van een goede vorming. -Tijd en standvastigheid om een gedegen vorming te verwerven.
Geestelijke lezing.
18.1 De eerste lezing van de mis van vandaag1 verhaalt ons met diepe ontroering over de
terugkeer van het uitverkoren volk van Israël na zoveel jaren van ballingschap
in Babylonië. Op joodse grond aangekomen, legt de priester Ezra aan het volk de
inhoud uit van de Wet, die het in die voorbije jaren op vreemde bodem vergeten
was. Hij las uit het heilig boek van
de vroege morgen tot 's middags, en allen volgden
het onderricht aandachtig, staande, en het hele volk weende. Dit geween is een
vermenging van vreugde omdat ze Gods Wet opnieuw hoorden, en tegelijk van
verdriet omdat de verwaarlozing daarvan in het verleden, tot hun ballingschap
had geleid.
Als wij samenkomen om deel te nemen aan de
heilige mis, beluisteren wij staande en waakzaam de blijde boodschap die het
evangelie ons altijd brengt. We moeten het aanhoren met aandacht, nederigheid
en dankbaarheid, omdat we weten dat God er tot ieder van ons afzonderlijk
spreekt. «We moeten naar het evangelie luisteren - zo schreef de heilige
Augustinus- alsof de Heer aanwezig is en tegen ieder van ons spreekt. We moeten
niet zeggen: 'gelukkig degenen die Hem konden zien', want velen van hen die Hem
zagen, hebben Hem gekruisigd; en velen van hen die Hem niet zagen, hebben in
Hem geloofd. Dezelfde woorden die uit de mond van de Heer kwamen, zijn
opgeschreven en voor ons behouden en bewaard.»2
Wij kunnen alleen van iemand houden die we
kennen. Veel christenen lezen en overwegen daarom elke dag enkele minuten het heilig
evangelie dat ons, als het ware aan de hand nemend, tot de kennis en
beschouwing van Jezus Christus leidt. Het leert ons Hem te zien zoals de
apostelen Hem zagen, waar te nemen hoe Hij reageerde, hoe Hij zich gedroeg,
welke zijn woorden waren, steeds vol wijsheid en gezag. Het evangelie toont ons
hoe Hij, op sommige momenten, meeleed met het ongeluk van mensen, hoe Hij op
andere momenten in heilige toorn ontstak, hoe Hij begripsvol was voor de zondaars,
krachtig tegenover de farizeeën die de godsdienst vervalsten, vol geduld was
ten opzichte van de leerlingen die zo vaak de betekenis van zijn woorden niet
begrepen...
Het zou ons erg moeilijk vallen van Jezus te
houden, Hem echt goed te leren kennen, als we niet geregeld Gods woord zouden
aanhoren, als we niet elke dag aandachtig het heilig evangelie zouden lezen.
Het lezen daarvan -misschien maar enkele minuten- voedt onze godsvrucht en doet
ze toenemen.
Aan het einde van elke lezing uit de Heilige
Schrift zegt de priester: Zo spreekt
de Heer, en de gelovigen antwoorden: Wij danken God. Hoe
danken wij Hem? De Heer is niet tevreden met woorden alleen; Hij wil ook met
daden gedankt en geprezen worden. We mogen niet het risico lopen Gods wet te
vergeten, of het gevaar dat het onderricht van de Kerk in ons niet méér is dan
een stel verwarde, niet werkzame waarheden, waarvan we slechts een
oppervlakkige kennis hebben. Dit zou voor ons leven een veel ergere verbanning
dan die van Babylonië betekenen. De grootste vijand van God in de wereld is de
onwetendheid, «de oorzaak en als het ware de wortel van alle kwaad dat hele
volkeren vergiftigt en vele zielen in verwarring brengt.»3
We weten heel goed, dat het grote kwaad dat
zoveel christenen teistert, hun gebrek aan leerstellige vorming is. Erger nog,
velen zijn besmet door dwaling, een nog ernstiger ziekte dan onwetendheid zelf.
Wat jammer als wij, door gebrek aan de noodzakelijke kennis van de leer,
Christus niet aan hen bekend kunnen maken, en hun het licht niet kunnen geven
dat ze nodig hebben om zijn onderricht te begrijpen!
18.2 In de mis van vandaag lezen we de beginregels van het evangelie van
Lucas4,
die ons verhaalt dat hij besloten heeft het leven van Christus op te schrijven,
opdat we de degelijkheid leren kennen van het onderricht dat we ontvangen
hebben. Ieder van ons is, afhankelijk van zijn persoonlijke omstandigheden,
verplicht de leer van Jezus diepgaand te kennen, en deze verplichting bestaat
net zo lang als we hier op aarde vertoeven. «De groei van het geloof en het
christelijk leven, met name in de vijandige context waarin we leven, vereist
een positieve krachtsinspanning en een voortdurende uitoefening van de
persoonlijke vrijheid. Deze inspanning begint hiermee, dat wij het geloof zelf
als het belangrijkste in ons leven beschouwen. Vanuit deze achting ontstaat de
belangstelling voor de kennis en beoefening van alles, wat in het geloof in God
en het navolgen van Christus vervat ligt, in de complexe en veranderende
context van het dagelijkse leven.»5 We mogen nooit menen, dat we al genoeg gevormd zijn, dat we al genoeg
kennis van Christus en zijn onderricht verworven hebben. Liefde vraagt altijd
om de geliefde nog beter te leren kennen. In het beroepsleven zullen artsen,
architecten of advocaten, als zij goede vakmensen zijn, hun studie nooit als
afgesloten beschouwen, wanneer ze hun opleiding hebben beëindigd: ze dienen
zich altijd verder te vormen. Zo is het ook met de christen. Ook op de
leerstellige vorming is de uitspraak van de heilige Augustinus van toepassing:
«Zei je: 'het is genoeg'? Dan ben je verloren.»6
De kwaliteit van het instrument -dat zijn wij
allemaal: instrumenten in Gods handen- kan verbeterd worden en nieuwe
mogelijkheden kunnen ontwikkeld worden. Elke dag kunnen we een beetje meer
liefhebben en voorbeeldiger zijn. Hierin zullen we niet slagen, als ons
verstand niet voortdurend gevoed wordt door de gezonde leer. «Ik weet niet hoe
vaak mij verteld is -zo merkt een schrijver uit onze tijd op- dat een bejaarde
Ier die alleen maar de rozenkrans weet te bidden, heiliger kan zijn dan ik met
al mijn studies. Dit kan best waar zijn, en ik hoop voor hem dat het inderdaad
zo is. Maar toch, als het enige motief voor een dergelijke bewering is, dat hij
minder theologie kent dan ik, dan overtuigt dat motief mij niet; noch mij noch
hem. Het zou hém niet overtuigd hebben, omdat al die oude mensen in Ierland die
een grote devotie koesteren tot de rozenkrans en het Allerheiligste, voor zover
ik ze gekend heb, [...] begerig waren om meer van het geloof te weten. Het zou
míj niet overtuigd hebben, want ook al kan een onwetend iemand zeker deugdzaam
zijn, het is ook duidelijk, dat onwetendheid geen deugd is. Er zijn martelaren
die niet in staat zouden zijn geweest de leer van de Kerk correct te
formuleren, en dat terwijl het martelaarschap het belangrijkste bewijs van
liefde is. Maar toch, als zij God beter hadden gekend, zou hun liefde nog
groter zijn geweest.»7
Het zogenaamde 'kolenbrandersgeloof' (ik geloof
alles, al weet ik niet wat het is) volstaat niet voor een christen die, midden
in de wereld, dagelijks geconfronteerd wordt met verwarring en gebrek aan licht
inzake de christelijke leer -de enige die heil brengt- en de ethische
problemen, zowel nieuwe als oude, waarop hij stuit in zijn beroep, in het
gezinsleven, in het milieu waarin zijn leven zich ontplooit.
De christen moet terdege de argumenten kennen
die hem in staat stellen de aanvallen van de vijanden van het geloof af te
slaan, en ze op aantrekkelijke wijze weten aan te bieden (men wint niets met
felle reacties, verhitte discussies of een slecht humeur), op duidelijke wijze
(zonder nuances aan te brengen waar die
overbodig zijn) en nauwkeurig (zonder twijfel of aarzeling).
Het 'kolenbrandersgeloof' kan misschien de kolenbrander redden, maar bij andere christenen
betekent onwetendheid van de inhoud van het geloof, meestal een gebrek aan
geloof, nalatigheid, gebrek aan liefde. «Onwetendheid is vaak de dochter van
luiheid»8, zoals de heilige Johannes Chrysostomus zo dikwijls zei. Zeer
belangrijk in de strijd tegen het ongeloof is het bezit van een juiste en
volledige kennis van de katholieke theologie. Daarom is «elk kind dat goed catechismusonderwijs
heeft ontvangen, zonder het zelf te vermoeden, een echte missionaris.»9 Door het
bestuderen van de catechismus, een ware samenvatting van het geloof, en door
lezen wat ons in de geestelijke leiding wordt aangeraden, zullen we
onwetendheid en dwaling op vele plaatsen en bij vele mensen kunnen bestrijden,
zodat die het hoofd kunnen bieden aan zoveel valse leren en zoveel
dwaalleraren.
18.3 Het vraagt veel tijd en standvastigheid om een goede vorming te
verwerven. Continuïteit helpt om de leer die tot ons komt, te begrijpen en te
verwerken, ze ons eigen te maken. Daartoe moeten we in de eerste plaats ervoor
zorgen dat de kanalen onbelemmerd zijn, zodat de gezonde leer er doorheen kan
stromen: de benodigde aandacht besteden aan onze vorming, overtuigd als we zijn
van het enorme belang van, met name, de geestelijke lezing, overeenkomstig een
duidelijk gericht plan, zodat de inhoud ervan in onze ziel kan bezinken.
Er is wel eens
gezegd, dat om een zieke te genezen, het voldoende is om
geneesheer te zijn; men hoeft niet dezelfde ziekte op te lopen. Niemand mag zo
«naïef zijn te denken dat hij, als hij theologische vorming wenst te krijgen,
allerlei drankjes moet innemen..., zelfs als ze giftig zijn. Dit is een kwestie
van gezond verstand, niet alleen van gevoel voor het bovennatuurlijke, en
vanuit ieders ervaring kan dit met vele voorbeelden bekrachtigd worden.»10 Daarom is het vragen van
advies over wat we kunnen lezen, een belangrijk onderdeel van de deugd van
voorzichtigheid, met name als het om theologische en filosofische boeken gaat,
die van beslissende invloed op onze vorming en zelfs op ons geloof zelf kunnen
zijn. Het is zeer belangrijk de goede boeken te kiezen! Des te meer wanneer
het om boeken gaat die bestemd zijn voor onze geestelijke vorming.
Als we volharden, als we zorgen voor die
middelen waardoor we de goede leer verwerven (geestelijke lezing, retraites,
studiegroepen, vormingsgesprekken, geestelijke leiding...) zullen we op den duur,
bijna onbewust, ontdekken dat we een grote innerlijke rijkdom vergaard hebben,
die we beetje bij beetje in ons leven kunnen integreren. Van de andere kant
zullen we ten opzichte van andere mensen als de arbeider zijn die met een mand
vol zaad tegenover het braakliggende land staat, dat klaar ligt om het goede
zaad te ontvangen. Want hetgeen wij ontvangen, is nuttig voor onze eigen ziel
én om het aan anderen door te geven. Zaad gaat verloren, als het geen vrucht
draagt, en de wereld is een onmetelijke voor, waarin Christus wil dat wij zijn
leer zaaien.
-1. Neh 8,2-6.8-10.
-2. H. Augustinus, Commentaar
op het evangelie van Johannes, 30. -3. Johannes xxiii, Enc. Ad Petri cathedram,
29 juni 1959. -4. Lc
1,1-4. -5. Spaanse Bisschoppenconferentie, Getuigen van de
levende God, 28 juni 1985. -6. H. Augustinus, Preek 169,18. -7. F.J. Sheed, Theology for Beginners. -8. H. Johannes Chrysostomus, in Catena Aurea, III, 78. -9. Kard. J.H. Newman, Preek
bij de inwijding van het seminarie van St. Bernard,
3 october 1873. -10. Vgl. P. Rodríguez, Fe y vida de fe, bl. 162.
|