Achtste week door het jaar. Woensdag
6. LEREN DIENEN
-Het voorbeeld van Christus. Dienen is heersen.
-Verschillende diensten die wij voor de Kerk, voor de maatschappij, voor de mensen
aan onze zijde kunnen verrichten. -Competent zijn in het eigen beroep om de
anderen beter te dienen.
6.1 Het evangelie van de mis1 bevat de vraag van de zonen van Zebedeüs naar de
invulling van de belangrijkste plaatsen in het nieuwe koninkrijk. Toen de
overige leerlingen van hun verlangen hoorden, waren zij verontwaardigd over de
beide broers. Die afkeer werd waarschijnlijk niet veroorzaakt door het ongewone
karakter van hun vraag, maar doordat zij allen meenden gelijke of betere
aanspraken te hebben dan Jakobus en Johannes om die bevoorrechte posten te
bekleden. Jezus kent de ambitie van hen die het fundament van zijn Kerk zullen
moeten zijn. Hij zegt hun, dat zij hun haan geen koning moeten laten kraaien,
dat zij niet als heersers hun ondergeschikten moeten onderdrukken of knechten.
Het gezag van de Kerk is niet zo, integendeel: wie onder u
groot wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn
moet de slaaf van allen zijn. Het is een nieuwe heerschappij, een nieuwe
wijze van leiderschap, en de Heer laat hun het uitgangspunt zien van deze
nieuwe adeldom en de bestaansgrond ervan: want ook de Mensenzoon is niet
gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als
losprijs voor velen.
Het leven van Christus is een voortdurend helpen van de mensen,
en zijn leer een herhaalde oproep de anderen te dienen. Hij is het voorbeeld
dat nagevolgd moet worden door hen die met gezag bekleed zijn in zijn Kerk, en
door alle christenen. Hij is God en Rechter, die zal komen om de wereld te
oordelen, maar Hij is geen dwingeland. Hij dient uit liefde en gaat zo ver dat
Hij zijn leven geeft voor allen.2 Dat was zijn
manier om de eerste te zijn. Zo hebben de apostelen het ook opgevat, met name
na de komst van de Heilige Geest. De heilige Petrus zou later de priesters
aansporen, de aan hen toevertrouwde kudde van God te weiden, niet door
overheersing, maar door het voorbeeld te geven.3
En de heilige Paulus, die toch aan niemand onderhorig was, heeft zich de slaaf van allen gemaakt, om er zoveel mogelijk voor Christus
te winnen.4
De Heer richt zich echter niet alleen tot de apostelen, maar
ook tot zijn leerlingen van alle tijden. Hij leert ons, dat er een bijzondere
eer gelegen is in: het verlenen van hulp en bijstand aan de mensen in navolging
van de Meester. «Deze waardigheid wordt uitgedrukt in de bereidheid om te
dienen, volgens het voorbeeld van Christus, die niet
gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen. Daaruit volgt dat
men, verlicht door deze houding van Christus, alleen werkelijk kan heersen door
te dienen. Het dienen vergt tegelijkertijd die geestelijke rijpheid die nodig
is om dienen te definiëren als heersen. Om de anderen waardig en doelmatig te
kunnen dienen, moet men zich kunnen beheersen, en is het dus noodzakelijk te
beschikken over die deugden die een dergelijke zelfbeheersing mogelijk maken.»5 Deugden zoals de nederigheid van hart,
edelmoedigheid, sterkte, blijdschap..., die het ons mogelijk maken ons leven ten
dienste te stellen van God, van het gezin, van onze vrienden, van de samenleving.
6.2 Het leven van Jezus is een
onvermoeibare dienst -ook stoffelijke dienst- aan de mensen: Hij zorgt voor ze,
onderricht hen, sterkt hen...; uiteindelijk geeft Hij zijn leven voor hen. Als
wij zijn leerlingen willen zijn, moeten wij deze geneigdheid van het hart, die
ons aanzet ons voortdurend te geven aan de mensen aan onze zijde, bevorderen.
In de laatste nacht voor zijn lijden, wilde Christus ons een
bijzonder veelbetekenend voorbeeld nalaten, hoe wij ons dienen te gedragen.
Terwijl zij het paasmaal vierden, stond de Heer op, legde zijn bovenkleren af,
nam een linnen doek en omgordde zich daarmee. Daarop goot
Hij water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze
met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen.6
Hij verrichtte het werk van de bedienden. «Opnieuw bestaat zijn onderricht uit
een voorbeeld, uit daden. Tegenover de leerlingen die uit hoogmoed en ijdelheid
twistten, buigt Jezus zich en vervult gretig de functie van dienaar. [...] Ach,
wat ontroert mij die fijngevoeligheid van onze Christus. Want Hij stelt niet:
als Ik me zo met u bemoei, hoeveel te meer moet gij dan pogen dit onder elkaar
te doen? Hij plaatst zich op gelijk niveau, Hij dwingt niet. Hij berispt vol
liefde die mannen om hun gebrek aan edelmoedigheid.
»Zoals aan de eerste twaalf leerlingen heeft Jezus ons iets
te zeggen. Hij doet het zonder ophouden: exemplum dedi
vobis (Joh 13,15), Ik heb u een voorbeeld van nederigheid gegeven. Ik
heb van mijzelf een slaaf gemaakt, opdat u met een minzaam en nederig hart alle
mensen zult weten te dienen.»7 Wij dienen de
Heer, wanneer wij zorgen voorbeeldig te zijn in het nakomen van onze eigen
verplichtingen, en wanneer wij moeite doen de leer van de Kerk helder en dapper
naar buiten te brengen in een verwarde wereld, die vaak onbekend is met of
dwaalt ten opzichte van de voornaamste punten van die leer, de natuurwet
inbegrepen. In die situatie, waarin een groot deel van de samenleving zich
bevindt, is «de beste dienst die wij de Kerk en de mensheid kunnen verlenen,
het verbreiden van de leer».8
De uitoefening van ons beroep moeten wij niet alleen opvatten
als een middel om het noodzakelijke te verdienen en om de eigen persoonlijkheid
te ontplooien, maar ook als een dienst aan de samenleving, een middel om bij te
dragen aan de ontwikkeling en de noodzakelijke welvaart. Sommige beroepen zijn
rechtstreeks dienstbaar aan mensen, en geven meer mogelijkheid een reeks deugden
te beoefenen die het hart edelmoediger en nederiger maken. De figuur van
Christus, vol zorg voor de mensen in zijn nabijheid, die de voeten van zijn
leerlingen wast..., moet een machtige prikkel zijn om zorgzaam te zijn voor hen die
ons uit hoofde van ons beroep zijn toevertrouwd.
Het veelvuldig overwegen van de woorden van de Heer -Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen-
zal ons helpen ons niet te onttrekken aan vervelende klusjes die vaak de meest
noodzakelijke zijn. Zo zullen wij dienen zoals Hij het deed. Het gezinsleven is
een plaats bij uitstek om deze geest van dienstvaardigheid te beleven in
allerlei details die vaak onopgemerkt voorbijgaan, maar die ertoe bijdragen een
aangename, gezellige sfeer te bevorderen, waarin Christus aanwezig is. Deze
kleine diensten -waarin wij proberen het initiatief te nemen- zijn ook een
voortdurende oefening in de liefde en een middel om niet te vervallen in een
zekere verburgerlijking. Zij zijn eveneens een middel om te groeien in een
leven van vereniging met Christus, als wij ze doen omwille van Hem. De Heer
roept ons door de noden van anderen, in het bijzonder die van zieken, van
ouderen en van mensen die op een of andere manier erg hulpbehoevend zijn. Deze
hulp is de Heer bijzonder welgevallig wanneer ze geboden wordt met een
dusdanige nederigheid en menselijke fijngevoeligheid, dat ze nauwelijks
opgemerkt wordt en niet een stille vraag om beloning is.
6.3 Wij kunnen ons de Heer niet
voorstellen met een abrupt, verveeld of klagend gebaar, wanneer de menigten
naar Hem toe kwamen, of toen Hij de voeten van de leerlingen waste. De Heer
dient met blijdschap, beminnelijk, op hartelijke wijze. Wij moeten dat ook
doen, als wij taken verrichten die een dienst zijn aan God, aan de samenleving,
of aan degenen die ons nabij zijn: dient de Heer met
blijdschap9 zoals de Heilige Geest ons
zegt door de mond van de psalmist. Sterker nog, de Heer belooft blijdschap en
geluk aan degenen die de anderen dienen. Nadat Hij de leerlingen de voeten
gewassen heeft, zegt Hij: Wanneer gij dit beseft, zalig gij
als gij ernaar handelt.10 Dat is
misschien de eerste eigenschap van het hart dat zich aan God geeft en dat
gelegenheden zoekt -vaak heel kleine- om zich ook aan de anderen te geven. Datgene
wat wij met een glimlach aan iemand overhandigen, met een vriendelijke houding,
krijgt als het ware een nieuwe waarde en zal meer op prijs gesteld worden. En
wanneer de gelegenheid of de verplichting zich voordoet om een dienst te
bewijzen die op zichzelf onaangenaam en vervelend is, «doe het dan met bijzondere
blijdschap en met de nederigheid waarmee je het gedaan zou hebben, als je de
dienaar van allen geweest was. Een dergelijke manier van doen levert
onmetelijke schatten aan deugden en genade op.»11 Misschien zal het
ons niet meevallen en zullen wij moeten bidden: «Jezus, maak, dat ik er een
vriendelijk gezicht bij trek.»12
Om te dienen moeten wij competent zijn in ons werk, in het
ambt dat wij uitoefenen. Zonder die competentie is zelfs een 'overdosis' aan
goede wil nog niets waard. Als lijfspreuk voor ons werk zou kunnen gelden: «'Om
te dienen, van nut zijn'. Want, op de eerste plaats, moet men de dingen af
weten te maken, wil men ze goed doen. Ik geloof niet in de oprechte bedoeling
van iemand die zich niet inspant de benodigde competentie te verwerven, om
aldus de hem toevertrouwde taken op de verschuldigde wijze uit te voeren. Het
goede willen doen is niet voldoende, men moet het ook kunnen doen. Als wij het
werkelijk willen, zal dat verlangen zich omzetten in de toeleg om de geschikte
hulpmiddelen aan te wenden om de dingen helemaal af te maken, met menselijke
perfectie.»13
Wij moeten anderen hulp en aandacht geven zonder daar iets
voor terug te verwachten, edelmoedig, in de wetenschap dat elke dienst het hart
verruimt en verrijkt. En laten wij er in ieder geval aan denken, dat Christus
'een goede betaler' is en dat Hij, als wij Hem navolgen, rekening zal houden
met het kleinste gebaar, de geringste hulp die wij geboden hebben. Hij kijkt
naar ons, en wij voelen ons goed betaald.
Laten wij nu in aanwezigheid van de Heer nagaan, of wij in de
uitoefening van ons beroep de bereidheid hebben dienstbaar te zijn, of wij door
ons beroep werkelijk de samenleving dienen, of wij bij ons thuis en op het werk
de Heer navolgen die niet kwam om gediend te worden, maar
om te dienen. Deze geest van dienstvaardigheid moet vooral aan de dag
treden, als wij een verantwoordelijke, met gezag beklede functie hebben, en als
wij belast zijn met onderwijs of vorming. Laten wij nagaan, of wij gewoonlijk
proberen te voorkomen dat anderen ons diensten verlenen waartoe zij op grond
van onze functie niet verplicht zijn en die wij zelf ook uit kunnen voeren. Wij
moeten een houding hebben die anders is als die van mensen die zich beroepen op
gezag, aanzien, leeftijd om diensten te vragen of, wat veel erger is, af te
dwingen die inacceptabel zijn, ook vanuit puur menselijk standpunt.
Laten wij onze toevlucht nemen tot de heilige Jozef, die goede en trouwe dienaar, die altijd bereid was de Heilige
Familie vooruit te brengen met veel offers, en die onnoemelijk vaak Jezus en
Maria te hulp schoot. Vragen wij hem, dat wij diezelfde geesteshouding mogen
hebben ten opzichte van ons eigen gezin, in de functie -hetzij hoog, hetzij
laag- die wij hebben, jegens hen met wie wij omgaan in de uitoefening van ons
beroep of uit vriendschap..., jegens diegenen die ons op straat inlichtingen
vragen of een kleine gunst. Met de hulp van de heilige aartsvader, zullen wij
in hen Jezus en Maria zien. Zo zal het ons niet zwaar vallen hen te dienen.
-1. Mc 10,32-45. -2. Vgl. Joh 15,13. -3.
Vgl. 1 Pe 5,3. -4. 1 Kor 9,19. -5. Johannes Paulus
ii, Enc. Redemptor Hominis, 21.
-6. Joh 13,4-5. -7. H. Jozefmaria Escrivá,
Vrienden van God, 103. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Brief, 9 januari
1932. -9. Ps 100,2. -10. Joh
13,17. -11. J. Pecci (Leo xiii), Het beoefenen van de nederigheid. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 626. -13. Idem, Als Christus nu langs komt,
50.
|