Vierde week. Donderdag
26. LEREN VERGEVEN
-Mensen kunnen veranderen. Onherroepelijke oordelen
vermijden. -Vergeven en vergeten. Gebroken vriendschap herstellen.
-Nederigheid.
26.1 De eerste lezing
van de Mis vertelt ons over een gebeurtenis die plaatshad tijdens de eerste
reis van Paulus. Het gezelschap van Paulus voer nu weg uit Pafos en begaf
zich naar Perge in Pamfylië; daar scheidde Johannes zich van hen af en keerde
naar Jeruzalem terug.1 De anderen zetten hun apostolische reis verder en
bereikten Antiochië in Pisidië. Johannes, ook Marcus genoemd, was een neef van
Barnabas, de onafscheidelijke metgezel van Paulus en zijn grote steun in de
verkondiging van het geloof aan de heidenen. Sinds zijn jonge jaren was Marcus
bekend met het vurige apostolaat van de eerste christenen te Jeruzalem,
geschaard rond Onze Lieve Vrouw en de apostelen, die hij zeer persoonlijk had
gekend. De moeder van Marcus was een van de eerste vrouwen geweest om Jezus en
de Twaalf te helpen. Het lijkt vanzelfsprekend, dat Barnabas in het bijzonder
zou hebben gedacht om zijn neef Johannes Marcus in te schakelen bij de
verspreiding van het evangelie onder zijn gezag, samen met Paulus.2
Johannes verloor de moed en ging terug naar huis, zijn
metgezellen achterlatend. Hij voelde zich niet in staat het aan te kunnen en
keerde terug. Dit gebeuren moet zwaar op de anderen, die verder gingen, hebben
gedrukt. Maar bij de voorbereiding van de tweede grote apostolische reis om de
broeders te bezoeken die het geloof hadden ontvangen wilde Barnabas ook
Johannes, bijgenaamd Marcus, meenemen, maar Paulus vond het beter, iemand die
hen in Pamfylië in de steek had gelaten en zich niet met hen aan het werk
gewijd had, niet meer mee te nemen.3
De heilige Paulus was er de man niet naar, om iemand met zich
mee te nemen die hem al een keer in de steek had gelaten. Het meningsverschil liep dan zo hoog op, dat zij uit elkaar
gingen. Barnabas samen met Marcus gingen scheep naar Cyprus, maar Paulus
daarentegen liet zijn keus vallen op Silas en vertrok, door de broeders aan de genade van de Heer aanbevolen.4 De ruzie en het verschil van mening moeten
aanzienlijk zijn geweest om zo'n verwijdering te veroorzaken. De heilige
Hiëronymus zegt: «Paulus was de meer stipte en Barnabas de meer meegaande in
het verdedigen van hun standpunten. Desalniettemin liet deze ruzie duidelijk de
menselijke zwakheid zien.»5
Ondanks alles vormde zich Paulus, een man met een
buitengewoon groot hart en een vurig apostel, die zichzelf tot het uiterste gaf
voor zijn broeders, geen onherroepelijk oordeel over Marcus. Integendeel, jaren
later zien we Marcus weer als een van de naaste medewerkers6 van de Apostel en
als een bron van diepe troost voor hem.7 De groeten van Aristarchus, mijn
medegevangene, en Marcus, de neef van Barnabas, over wie gij reeds aanwijzingen
hebt gekregen; ontvang hem goed, als hij bij u komt. Eveneens groet u Jezus,
ook Justus genaamd... ze zijn voor mij een grote steun geweest.8 Op een later
tijdstip vraagt Paulus aan Timóteüs om Marcus te halen omdat ik hem goed kan
gebruiken voor het werk.9 Binnen een paar jaar was Marcus opnieuw de vriend en
doeltreffende medewerker van de Apostel in zijn ontberingen. Misschien had
Paulus een keer gedacht dat Marcus van geen nut was; nu wilde hij hem bij zich.
Mensen kunnen veranderen, en zelfs wanneer wij hun gedrag zouden moeten
beoordelen -slechts hun uiterlijk gedrag, want alleen God kent de bedoelingen-
behoren we nooit definitieve uitspraken te doen. Onze Heer houdt van ons zoals
we zijn, ook met onze gebreken, als we vechten om ze te overwinnen. En hij
wacht geduldig op onze ommekeer. Als we de gebreken van de mensen rondom ons
zien -soms zeer duidelijk en niet te ontkennen- moet het ons nooit aan
naastenliefde ontbreken, die het ons mogelijk maakt om hen te begrijpen en te
helpen. «Zouden wij, vanaf nu, niet op zo'n manier naar anderen kunnen kijken,
dat we niet ontmoedigd worden door hun gebreken? De tijd zal komen dat de
wonden zijn geheeld... Misschien zullen veel zaken die ons vandaag of kort
geleden verdriet hebben gedaan, zijn vergeten. Wij hebben gebreken, maar we
kunnen van elkaar houden! Omdat wij broers en zussen van elkaar zijn en omdat
Christus waarlijk van ons houdt... zoals we zijn.»10 De grondreden is, dat, alhoewel
Christus niet van onze tekortkomingen houdt, Hij van ons houdt ondanks onze
vele gebreken. Laat gebreken daarom geen reden zijn om afstand te nemen van
degenen, met wie we samen op kantoor of in de fabriek of waar dan ook ons werk
verrichten.
26.2 Paulus geeft ons een voorbeeld hoe te
vergeten, hoe afgebroken relaties te herstellen, hoe een echte vriend te zijn.
Wat betreft de heilige Marcus: hij is voor ons een heel mooi voorbeeld van
nederigheid en hoop. Het gebeuren, waarin hij het onderwerp van discussie was
die Barnabas en Paulus onderling verdeelde, moet op hem een diepe indruk hebben
gemaakt en hem geweldig pijn hebben gedaan. Hij moet diep gekwetst zijn geweest
door de afwijzing van Paulus, de befaamde, onvermoeibare en heilige
geloofsverkondiger. Maar hij wist te vergeven en vergeten, en als hij opnieuw
nodig is, is hij er om Paulus op te beuren en uiterst behulpzaam te zijn in het
apostolaat.
De heilige Marcus speelde het klaar te vergeven en te
vergeten, omdat hij een grote ziel had. Daarom was hij later zo'n prachtig
instrument van Gods genade. «Wat enorm bekrompen van karakter zijn mensen, die
nauwgezet hun 'lijst met grieven' willen bijhouden! Met die ongelukkigen valt
haast niet te leven. Echte naastenliefde let niet op de 'voortdurende en
noodzakelijke' diensten die zij verleent en noteert ook de krenkingen niet die
ze moet lijden, want omnia suffert, zij verdraagt alles.»11
Als wij in nederigheid tekortschieten, zullen we geneigd zijn
onze lijst van kleine grieven op te stellen die, ofschoon ze klein zijn, onze
vrede met God wegnemen, een hoop energie verknoeien en het ons onmogelijk maken
om de grote plannen te ondernemen, die onze Heer elke dag voor de geest staan
voor hen die Hem nabij zijn. Het hart van een nederig mens is op God gericht en
wordt zó vervuld van vreugde, dat hij als het ware minder kwetsbaar wordt. Het
doet er voor hem niet toe, wat de mensen zeggen of zouden hebben gezegd. Hij
vergeet onmiddellijk, en neemt niet te veel notitie van de vernederingen, die
elke man of vrouw op een of andere manier in de loop van hun dagelijks leven
ondervindt.
Niet ingewikkeld gaan doen, als onze trots oppert dat onze
reputatie wordt benadeeld, en mogelijke grieven laten varen. Zo'n eenvoud en
nederigheid geeft ons het vermogen opnieuw te beginnen wanneer we laf zijn
geweest of hebben gefaald. We zien dat Marcus onmiddellijk zijn werk met
Barnabas weer oppakt na de lafheid en verslagenheid van de eerste reis, bereid
om deze keer onvoorwaardelijk trouw te zijn.
Wie nederig is, vindt het gemakkelijk om broer of zus te zijn
voor anderen en ziet dus uit naar manieren om met de mensen rondom hem goed te
kunnen opschieten. Hij herstelt de vriendschap als die door een of andere reden
verbroken is of verkoeld, en staat altijd klaar om een broederlijke hand toe te
steken en zich te laten helpen. De relaties, noodzakelijk voor maatschappelijk
leven, krijgen op die manier gestalte. «In het elkaar nabijzijn ondervind je
wederzijdse aanmoediging en daarop wordt de naastenliefde gebouwd... Als ik er
dan niet in slaag met jouw karakter overeen te komen en jij wilt het mijne niet
verdragen, hoe kan de naastenliefde dan tussen ons toenemen daar geduld in
wederzijdse liefde ons niet verbindt? Zoals we gezegd hebben, in een gebouw is
elke steen zowel ondersteund als een steun.»12
26.3 Behalve Marcus' apostolisch werk van
verspreiding en versterking onder de nieuwe bekeerlingen, werkte hij nauw samen
met Petrus, Paulus en Barnabas. Volgens de meest betrouwbare overlevering was
hij Petrus' tolk in Rome, en vertaalde hij waarschijnlijk de prediking en de
mondelinge onderrichtingen van de Prins der apostelen. Bovenal was hij een zeer
volgzaam instrument van de Heilige Geest, door ons het onbetaalbare juweel van
het tweede Evangelie na te laten.
Het is voor ons een grote bron van troost en hoop als we naar
de persoon van deze Evangelist kijken, vanaf zijn allereerste stappen tot het
worden van een onschatbaar instrument voor de vroege Kerk en voor alle tijden.
Ondanks onze tekortkomingen en mogelijke mislukkingen en aarzelingen in het
verleden, kunnen we, zoals hij, ervan verzekerd zijn om, met behulp van de
genade, in staat te zijn een onzelfzuchtige en nuttige dienst aan de Kerk te
bewijzen. Ondanks alles kunnen ook wij doeltreffende instrumenten worden.
Wat een hulp en zorg moet hij aan de oudere Paulus in de
gevangenis te Rome hebben besteed! Beiden hadden zich de woorden, geschreven
door de Apostel van de heidenen aan de christenen van Korinte, eigen gemaakt: De
liefde is lankmoedig en goedertieren...13 Liefde overwint alles.
De naastenliefde komt al onze gebreken te boven, strijkt de
verschillen in karakters glad, en verwijdert alles wat een hinderpaal in de
omgang zou kunnen zijn. De naastenliefde kan alle weerstand overwinnen. Hoe
anders zou alles geweest zijn, indien Paulus had toegegeven aan het vooroordeel
dat op Marcus niet kon worden vertrouwd, omdat hij één keer laf of uitgeput was
geweest, of had toegegeven aan de ontmoediging en naar Jeruzalem was
teruggegaan! Hoe verschillend zouden de zaken óók zijn geweest, als Marcus wrok
had gekoesterd omdat de Apostel hem op zijn tweede reis niet mee wilde hebben!
Laat ons vandaag aan Maria onze Moeder vragen, dat wij nooit
iets tegen wie-dan-ook zullen hebben, want het zou grote schade aan ons hart
berokkenen, aan onze liefde voor God en onze naaste. Laat ons van de heilige
Marcus leren hoe opnieuw te beginnen, duizend keer als het nodig is, als wij om
een of andere reden een gelijkaardige slechte ervaring van mislukking of
lafheid moeten ervaren.
-1. Hnd 13,13. -2. Vgl. The Navarre Bible,
Introduction to St Mark's Gospel. -3. Hnd 15,37-38. -4. Hnd
15,39-40. -5. H. Hiëronymus, Dialoog
tegen de Pelagianen 11,17. -6. Filem 24. -7. Vgl. Kol 4,10
e.v. -8. Vgl. Kol 4,10-11. -9. Vgl. 2 Tim 4,11. -10. A.G. Dorronsoro, Dios y la gente.
-11. H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor, 738. -12. H. Gregorius de
Grote, Preken over Ezechiël. -13. Vgl. 1 Kor 13,1.
|