Zeventiende zondag door
het jaar (C)
21. Leren vragen
-Bidden als kinderen van God. -Geestelijke en materiële
zaken vragen in zoverre zij ons dichter bij God brengen. -Het gebed van
Abraham.
21.1 Jezus had de gewoonte vroeg in de morgen te bidden op rustige plaatsen.1 Zijn volgelingen troffen de Heer vaak diep verzonken
aan in gesprek met zijn hemelse Vader. Op een keer was hij ergens aan het bidden. Toen Hij
ophield, zei een van zijn leerlingen tot Hem: Heer, leer ons bidden...2 Wij moeten
hetzelfde vragen: Jezus, leer mij hoe met U om te gaan, zeg me waar ik U om
moet vragen... Wij moeten dit doen omdat wij ons geregeld tegenover God
bevinden zonder te weten wat we tegen Hem moeten zeggen of hoe we tegen Hem
moeten spreken.
De Heer beantwoordde het verzoek van zijn leerling met het
volmaakte gebed, het Onze
Vader. Hij sprak elk woord met zorg uit. Hij leerde hun heel hun
vertrouwen te leggen in gebed aan hun Vader. Stel, iemand van u heeft een vriend. Midden in de nacht gaat
hij naar hem toe en zegt: Vriend, leen mij drie broden, want een vriend van mij
is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten... Ik
zeg u, als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is, zal
hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft, om zijn onbescheiden
aandringen. Wanneer ook wij met God spreken vragen wij Hem zeer
waarschijnlijk om iets. Dat is zo omdat wij kinderen van God zijn, kinderen in
nood. Van zijn kant wil God zich totaal aan ons geven. Is er soms onder u een vader die aan zijn zoon een
steen zal geven als deze hem om brood vraagt? Of als hij om vis vraagt, zal hij
hem toch in plaats van vis geen slang geven?
De Heer belooft plechtig op onze verzoeken in te gaan. Vraagt en u zal gegeven worden;
zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal worden opengedaan. Jezus
kan niet nog duidelijker zijn. Wij misleiden eenvoudig onszelf als we, eenmaal
gewend aan onze fouten en mislukkingen, denken dat we God niet nodig hebben. Die hongeren overlaadt Hij met
gaven, en rijken zendt Hij heen met lege handen.3 Wij moeten naar het tabernakel gaan precies zó als
de zieken en de lijdenden in het Nieuwe Testament altijd naar Jezus gingen. Met
de woorden van Johannes Paulus ii:
«Wat betekent gebed? Gebed betekent het besef van eigen ontoereikendheid ten
aanzien van zoveel verschillende noden die men in het leven tegenkomt. Bijvoorbeeld,
de behoefte aan brood waarnaar Christus verwijst in het voorbeeld van de man
die zijn vriend wekt in het midden van de nacht en hem om brood vraagt. En zo
zijn er nog talloze behoeften. De behoefte om brood is, in zekere zin, een
symbool voor alle materiële behoeften, de behoeften die deel uitmaken van ons
bestaan, omdat we nu eenmaal een lichaam hebben. Maar de reikwijdte van deze
noden is ruimer.»4
Nederigheid is een noodzakelijke voorwaarde voor een
vertrouwelijk gesprek met God. Wij moeten ons bewust zijn van onze beperkingen
om te kunnen beseffen hoezeer wij van onze Vader afhankelijk zijn. Opnieuw zegt
de Paus: «Bidden betekent: 'het Onze Vader leren'. Als wij de inhoud van het
onze Vader leren in de volle betekenis van het woord, in zijn volle dimensie,
hebben we alles geleerd... Te leren wie Onze Vader is, betekent leren wat
absoluut vertrouwen is. Het Onze Vader leren betekent de zekerheid krijgen dat
Hij absoluut niets kan weigeren. Dit wordt allemaal in het evangelie van
vandaag gezegd. Hij wijst je zelfs niet af als alles, materieel en psychologisch,
je lijkt af te wijzen. Hij wijst je nooit af.»5
Hij zal ons nooit in de steek laten. In ons gesprek met God moeten wij ons
goddelijk kindschap en onze menselijke beperkingen in gedachten houden.
21.2 Vraagt en u zal gegeven worden,
zoekt en gij zult vinden, klopt en er zal worden opengedaan.
In ons gebed tot God zijn de eerste dingen die wij Hem moeten
vragen geestelijke zaken -de genade om Hem elke dag meer te beminnen, een
oprecht verlangen te hebben naar heiligheid. Wij moeten God ook om materiële
zaken vragen in zoverre als zij dienen om ons dichter bij Hem te brengen. Die
zaken kunnen goede gezondheid zijn, economisch welzijn, het krijgen van een
baan...
De heilige Augustinus raadt ons aan: «Bidt voor tijdelijke
zaken in afzondering, en weest dan gerust, in de wetenschap dat die tot ons
komen van Hem die weet wat het beste voor ons is. Vroeg je en kreeg je niet wat
je wilde? Vertrouw op je Vader. Als het goed voor je geweest was, zou je het
hebben gekregen. Voor God ben je net zoals een klein kind voor jou is. De hele
dag huilt het kind tranen met tuiten opdat je het een mes zal geven om mee te
spelen. Verstandig genoeg wijs je zijn verzoek af en schenk je geen aandacht
aan zijn gejammer. Als het kind op een paard wil rijden, laat je dat niet toe.
Het kind weet niet hoe het moet paardrijden, en als gevolg kan het kind gewond
raken of zelfs gedood worden. Je ontzegt hem kleine dingen om hem zo meer voor
het geheel te bewaren. Je wil dat het kind veilig opgroeit en spullen heeft die
niet gevaarlijk voor hem zijn.»6 Zo handelt de
Heer met ons. Vaak zijn we als dat kind dat niet beseft waar het om vraagt.
God wil altijd het beste voor ons. Daarom wordt het geluk van
de mens altijd gevonden in zijn volledige vereenzelviging met de Goddelijke
Wil. Zelfs als wat God wil, soms niet zo aantrekkelijk lijkt vanuit menselijk
standpunt, leidt het noodzakelijk naar wat het beste voor ons is. Paus Johannes
Paulus ii vertelde eens hoe hij
onder de indruk was van de opgewektheid van een man die hij in een ziekenhuis
ontmoette tijdens de opstand van Warschau. «Deze man slaagde erin om een heel
andere reden gelukkig te zijn en zich te beschouwen als door God verhoord, want
zijn fysieke toestand, vanuit medisch standpunt gezien, was geen reden om zich
zo gelukkig te voelen. Toch was hij verhoord in een heel ander aspect van zijn
menselijkheid.»7 Dit aspect was de
vereenzelviging van zijn menselijke wil met de Goddelijke Wil. We moeten de Wil
van God willen: Uw Wil
geschiede op aarde zoals in de hemel. Dit is de beste weg om te
volgen. Het is de weg door de Heer voor ons bereid. «Zeg Hem: Heer, ik zal
niets anders willen, dan wat Gij wilt. Geef mij zelfs dat waarom ik U de
laatste dagen vroeg, niet, als het me maar een millimeter zou verwijderen van
uw Wil.»8 Als Gij die dingen niet wilt, waarom
zou ik? Uw Wil geschiede.
21.3 De eerste lezing van de mis geeft een ontroerend voorbeeld -het gebed
van Abraham, de
vriend van God, voor die steden die God hadden
beledigd. Wilt Ge
werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen? Misschien zijn er
vijftig rechtvaardigen in de stad [...] Zult Gij de stad geen vergiffenis
schenken omwille van die vijftig rechtvaardigen die er wonen? Abraham probeert de steden te redden van vernietiging door het zijn
geliefde God moeilijk te maken. Zijn pleidooi aan God steunt daarop, dat zelfs
een klein aantal heilige mensen een grote schat vertegenwoordigen.
De Heer heeft zulke vreugde in degenen die Hem liefhebben dat
Hij bereid is duizenden zondaars te vergeven omwille van een handvol
rechtschapen mensen. God is bereid zonden en ongerechtigheden van hele steden te
vergeten omwille van de liefde en de aanbidding van tien mensen. Dit is een
onmiskenbare lering voor allen die de Heer van dichtbij proberen te volgen. We
komen wel eens in de verleiding te twijfelen aan het nut van onze strijd, bij
het zien van zoveel mensen die leven terwijl zij zich aan God noch gebod
storen. Eens zal de Heer ons de grote doeltreffendheid van onze nederige
gebeden laten zien, van de offers die een moeder bracht voor haar gezin, van
het lijden opgedragen door een zieke voor de Kerk, van de verdienste van een
uur studeren of werken, omgezet in gebed...
Jahwe was bereid Sodom en Gomorra te redden omwille van tien
rechtschapen mensen. Volgens goddelijke logica kunnen de goede werken van een
paar mensen zwaarder wegen dan de zonden van duizenden. Als wij strijden om
trouw te zijn aan de Heer, zullen wij vast en zeker de vreugde ervaren dat wij
Hem behagen. Want God luistert met aandacht naar onze gebeden. We behoren elke
dag te bidden voor onze maatschappij, een maatschappij die zich verder en
verder schijnt te verwijderen van zijn Schepper. Zoals paus Johannes
Paulus ii in dit verband heeft
opgemerkt: «ik denk dat Abraham's gebed en de inhoud toepasselijk zijn voor de
tijd waarin wij leven. Dit gebed is nodig, om met God te onderhandelen over
iedere rechtschapen mens, en om de wereld van ongerechtigheid te bevrijden.»9
Wij beëindigen ons gebed van vandaag met het voornemen dat
wij moeten leren bidden als kinderen van de Vader. Wij moeten geregeld naar de
Heer gaan. Zoals zoveel zieken in de evangeliën moeten we naar Jezus gaan om te
worden genezen. De heilige Maagd, die onze Moeder is, zal ons leren gedurfd te
zijn in onze smeekgebeden. Wij vragen haar ons te helpen een doeltreffend
apostolaat uit te oefenen, daar waar wij wonen en werken.
-1. Vgl. Mt 14,23; Mc 1,35; Lc 5,16; 9,18. -2. Lc 11,1-13. -3. Lc 1,53. -4. Johannes
Paulus ii, Homilie,
27 juli 1980. -5. Ibidem.
-6. H. Augustinus, Sermo 80, 2,7-8. -7. Johannes Paulus ii, o.c. -8. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 512.
-9. Johannes Paulus ii, o.c.
|