Vijfde week. Maandag
37. Leven in gemeenschap
-De sociale dimensie van de mens. -Naastenliefde
en menselijke solidariteit. Consequenties in het leven van christenen. -Bijdrage
aan het algemeen belang.
37.1 Op de eerste bladzijde van de heilige Schrift wordt, eenvoudig en
tegelijkertijd ook groots, de schepping van de wereld beschreven: en God zag dat goed was
alles wat uit zijn handen voortkwam.1 Daarna schiep Hij, als kroon op alles wat
Hij had gemaakt, de mens en vormde hem naar zijn eigen beeld en gelijkenis.2 De heilige
Schrift leert ons ook, dat Hij hem verrijkte met bovennatuurlijke gaven en
voorrechten, en hem bestemde voor een onuitsprekelijk en eeuwig geluk. De
bijbel openbaart ons eveneens, dat alle mensen van Adam en Eva afstammen.
Hoewel dezen met hun Schepper braken, bleef God hen als zijn kinderen
beschouwen en bestemde Hij hen opnieuw voor vriendschap met Hem.3 Gods wil heeft
beschikt, dat het menselijk schepsel zou delen in het behoud en de voortplanting
van het menselijk geslacht, dat de aarde zou bevolken en aan zich onderwerpen, heersend over de vissen van de zee, over de vogels
van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.4
God wilde ook, dat de betrekkingen tussen de
mensen niet beperkt zouden blijven tot een omgang van toevallige en
voorbijgaande nabijheid, maar dat ze sterkere en blijvende banden met elkaar
zouden vormen, die de pilaren zouden worden van een leven in gemeenschap. De
mens moet hulp zoeken voor alles wat de behoeften en de waardigheid van het
leven vereisen. De Goddelijke Voorzienigheid ordende de menselijke natuur
immers zodanig, dat zij geboren wordt met de neiging tot samenleving en
vereniging met andere mensen, zowel in het samenleven binnen het gezin als in
de burgermaatschappij, die hem verschaft al
wat voor het leven noodzakelijk is.5 Het Tweede Vaticaans
Concilie brengt ons in herinnering, «dat de mens
in het diepst van zijn wezen sociaal is en zonder band met anderen niet kan leven noch zijn talenten
ontplooien.»6 «De samenleving is
een natuurlijk middel dat de mens gebruiken kan en moet om zijn einddoel te
bereiken»7: het is de normale sfeer waarin God wil dat we ons heiligen en Hem
dienen.
Leven in gemeenschap biedt ons de materiële en
geestelijke middelen die we nodig hebben om het menselijke en bovennatuurlijke leven te ontwikkelen. Dit
samenleven is een bron van veel goeds, maar ook van verplichtingen op de
verschillende terreinen waarop ons bestaan zich afspeelt: gezin,
burgermaatschappij, de eigen buurt, het werk... Deze verplichtingen zijn
verbonden met een moreel aspect, vanwege de relatie van de mens met God, zijn
uiteindelijke doel. Het nakomen van deze verplichtingen dan wel het niet
vervullen ervan brengt ons dichter bij God of scheidt ons van Hem. Ze zijn
onderwerp van ons gewetensonderzoek.
God vraagt van ons met anderen samen te leven,
om in alle eenvoud te doen wat we kunnen -of dat nu weinig of veel is- voor het
welzijn van allen. Laten we vandaag in dit
gebedsuur nagaan of we openstaan voor andere mensen, maar vooral voor
hen die God ons het meest nabij heeft geplaatst. Laten we overwegen of we zelf
gewoonlijk beschikbaar zijn; of we op voorbeeldige wijze de verplichtingen van
gezin en maatschappij nakomen; of we God vaak om zijn licht vragen om te weten
wat we in elke omstandigheid moeten doen en dat dan volledig, moedig, met een
geest van offerbereidheid volbrengen. We moeten ons vaak afvragen: Wat kan ik
voor anderen doen? Welke woorden kan ik
gebruiken om hen te troosten en te helpen? «Het leven gaat voorbij. We ontmoeten mensen op de meest
verschillende paden of lanen van het menselijk bestaan. Hoeveel moet er nog
gedaan worden... Hoeveel woorden moeten er nog gesproken worden? [...] Zeker, we
zullen eerst moeten handelen (vgl. Hnd 1,1); maar dan zullen we moeten spreken: voor elk
oor, elk hart, elk verstand is er een
geschikt moment, waarop een bevriende stem hen kan doen ontwaken uit hun
ellende en droefheid.
»Als we God beminnen, kunnen we niet ongevoelig
blijven voor het verwijt van de dagen die voorbijgaan, van de mensen (vaak zo
dicht bij ons) die voorbij gaan... zonder dat we het noodzakelijke weten te doen,
zonder te zeggen wat gezegd zou moeten worden.»8 Laten we vaak tot Jezus bidden, die ons
ziet en ons hoort, dat we degenen die om zoveel verschillende redenen bij ons
zijn nooit onverschillig de rug toekeren; familieleden, vrienden, collega's van
het werk, stadgenoten...
37.2 Deze solidariteit en wederzijdse afhankelijkheid van de mensen, die gefundeerd is op de wil van
God, werd door Jezus hersteld en versterkt, toen Hij onze
menselijke natuur aannam op het moment van de Menswording en toen Hij het hele
menselijke geslacht verlost heeft aan het kruis. Dit is de nieuwe eenheidsnaam:
we zijn tot kinderen van God gemaakt en tot broeders van alle mensen. Zó dienen
wij om te gaan met iedereen die we dagelijks op onze weg ontmoeten. «Misschien
betreft het een kind van God dat zich niet bewust is van zijn grootheid, en
zich misschien wel afzet tegen zijn Vader. Maar in iedereen, zelfs in de meest
vervormde, rebelse of van het goddelijke verwijderde, is een vonk van Gods
grootheid [...] Als we echt kunnen kijken, zijn we omringd door koningen die we
moeten helpen de wortels -en de vereisten!- van hun waardigheid te ontdekken.»9
Bovendien liet onze Heer ons in de nacht voor
zijn lijden een nieuw gebod na om, zo nodig op heldhaftige wijze, beledigingen, wrok..., en alles
wat verdeeldheid brengt te overwinnen. Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad10, dat wil zeggen zonder beperkingen en
zonder excuses te zoeken voor onverschilligheid. Zo is ons leven vervuld van
krachtige redenen om in gemeenschap te leven, die door onze werken
christelijker wordt en daardoor ook menselijker. Wij, mensen, zijn niet als
zandkorrels, los van elkaar en onsamenhangend, maar wij zijn integendeel met
elkaar verbonden door natuurlijke, en als christenen tevens door
bovennatuurlijke banden.11
Een belangrijk onderdeel van de moraal heeft
betrekking op de plichten die verwijzen naar het gemeenschappelijk welzijn van
alle mensen, van het vaderland waarin we leven, van het bedrijf waar we werken,
van de buurt waarvan we deel uitmaken, van het gezin dat voorwerp van onze zorg is, welke plaats we daarin ook mogen
innemen. Het is niet christelijk, zelfs niet menselijk, zulke
verplichtingen slechts in zoverre in acht te nemen als ze voor ons persoonlijk nuttig zijn of ons geen
nadeel berokkenen. God verwacht van ons, dat we ons inspannen, ieder in
overeenstemming met zijn mogelijkheden, om de maatschappij en de mensen die
haar vormen te verbeteren.
De apostolische en broederlijke dimensie is,
door Gods wil, zo wezenlijk voor de mens, dat men zich geen gerichtheid op God
kan voorstellen, die afziet van de banden die ieder
mens verbinden met degenen met wie hij samenleeft of in contact staat.
Het zou God niet aangenaam zijn als wij ons op een of andere manier zouden
afscheiden van de mensen om ons heen, als we zouden nalaten de burgerlijke en
sociale deugden te beoefenen. «In onze broeders, de mensen, moeten wij Christus zien, die ons in hen ontmoet. Geen
menselijk leven is geïsoleerd, maar ieder leven is met het andere vervlochten.
Geen enkel mens is als een vers zonder verband. Allen zijn wij delen van een en
hetzelfde goddelijk gedicht, dat God onder medewerking van onze vrijheid
componeert.»12
Laten we vandaag in ons persoonlijk gebed
onderzoeken hoe we bijdragen aan het algemeen belang van allen, of we het goede voorbeeld geven in alles wat
verband houdt met onze sociale en
burgerlijke verplichtingen (het inachtnemen van de verkeersregels, het
betalen van rechtvaardige belasting, lid zijn van verenigingen, het uitoefenen
van ons stemrecht...), of we er rekening mee houden, dat we anderen nodig hebben
en anderen ons nodig hebben, of we ons
medeverantwoordelijk voelen voor het morele gedrag van anderen, of we zonder omwegen datgene proberen te overwinnen wat verdeeldheid kan veroorzaken of
op zijn minst niet bijdraagt tot een harmonieuze samenleving.
37.3 De samenleving ontwikkelt zich dankzij de bijdrage van haar leden. Ieder draagt daartoe het
zijne bij, namelijk de gaven die hij van God heeft
ontvangen en die hij heeft vermeerderd door zijn verstand, door de hulp van de
gemeenschap en door de genade van God. Deze weldaden en gaven zijn ons
geschonken om onze eigen persoonlijkheid te kunnen ontwikkelen en ons einddoel
te bereiken; maar ook om onze naasten te dienen. Sterker nog, we zouden ons persoonlijk einddoel nooit bereiken
als we geen bijdragen leverden aan het welzijn van allen.13
De ontwikkeling
van de samenleving neemt geen randpositie in Gods plannen
in; daarom neemt de persoonlijke deelname van
een ieder aan het algemeen belang het karakter aan van een onuitwisbare
morele verplichting. «Daar derhalve het sociale leven voor de mens niet iets bijkomstigs is, komt in omgang met anderen, in
wederzijds dienstbetoon en in dialoog met zijn broeders, de mens in al zijn gekregen talenten tot ontplooiing en is
hij in staat aan zijn roeping te
beantwoorden.»14 Sommige verplichtingen zijn van strikte rechtvaardigheid in de meest
verschillende vormen; andere zijn eisen van naastenliefde
die veel verder gaan dan iedereen te geven wat hem, strikt
genomen, toekomt. Beide typen van verplichtingen worden vervuld, telkens
wanneer we bijdragen aan het welzijn van allen, opdat de maatschappij waarin we leven steeds menselijker en
christelijker wordt, bijvoorbeeld «door die instellingen, hetzij van openbaar, hetzij van privé-initiatief,
te bevorderen en te helpen welke tot taak hebben de levensvoorwaarden
van de mensen te verbeteren»15: stichtingen, werken van naastenliefde
en vorming, cultuur, publicaties die de gezonde leer doorgeven enz. Want
«er zijn er echter die wel grootse en heel edelmoedige theorieën naar voren
brengen, maar die in werkelijkheid blijven leven alsof ze geen enkele zorg voor
de noden van de maatschappij hebben. Ja, meerderen doen, in verschillende
gebieden, heel geringschattend over de sociale wetten en voorschriften»16, en hebben hun
broeders, de mensen, evenals God de rug toegekeerd.
Laten we bij de Heer denken aan de mensen om
ons heen. Draag ik, voor zover ik kan, bij aan het bevorderen van het algemeen
belang, door tijd te besteden aan instellingen en werken tot welzijn van de
samenleving, geef ik financiële steun voor initiatieven ten bate van anderen, vooral degenen in ergste nood? Vervul ik trouw de
plichten die voortkomen uit het leven
in gemeenschap: lawaai, properheid...? Beoefen ik de deugden van een
harmonieus samenleven -vriendelijkheid, dankbaarheid, optimisme, stiptheid, orde...- binnen mijn gezin? Word ik in
het algemeen bewogen door de inzet anderen te dienen, ook al is het
maar in heel kleine dingen? «Ik hoop, dat je je iedere dag zodanig om de anderen bekommert, dat je je eigen
bestaan vergeet!»17 Als we dit doen, zouden we al een groot deel van
het geluk hebben gevonden dat we op aarde kunnen
krijgen, en zouden we anderen, die Gods kinderen en onze broeders zijn,
geholpen hebben veel gelukkiger te zijn.
-1.Vgl. Eerste lezing, Jaar I, Gen 1,1 e.v. -2. Gen 1,27. -3. Vgl. Gen 12. -4. Gen 1,28. -5. Leo xiii,
Enc. Immortale Dei, 1 november 1885. -6. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 12. -7. Pius xi, Enc. Divine
Redemptoris, 19 maart 1937. -8. C. López Pardo, Sobre la vida y la
muerte, 1973. -9. Ibidem. -10. Joh 15,12. -11. Pius xii,
Enc. Summi pontificatus, 20 oktober 1939. -12. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 111. -13. Leo xiii, Enc. Rerum novarum, 15 september 1881. -14. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et
spes, 25. -15. Ibidem, 30. -16. Ibidem. -17. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 947.
|