Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Elfde week door het jaar. Maandag

31. Leven vanuit de genade

-Een nieuw leven. Waardigheid van de christen. -Heiligmakende genade, die doet delen in de goddelijke natuur. -Genade leidt tot vereenzelviging met Christus: volgzaamheid, leven vanuit het gebed, liefde voor het kruis.

31.1 Vanaf het moment dat de heiligmakende genade bij het doopsel in ons wordt uitgestort, bezitten we als christenen een nieuw, bovennatuurlijk leven waardoor we verschillen van andere mensen. Wat we nu bezitten is een bijzonder leven, uitsluitend toebehorend aan hen die in Christus geloven, die niet uit bloed noch uit de wil van het vlees of van een man, maar uit God geboren zijn.1 In de doop begint een christen het leven van Christus te leiden2, want er is tussen Hem en ons een verbinding ontstaan, die verschillend en sterker en hechter is dan de band die bestaat tussen de leden van de mensenmaatschappij. De vereniging met de Heer is zo diepgaand, dat ze het bestaan van de christen volledig verandert en het mogelijk maakt dat Gods leven zich in onze zielen ontplooit als iets dat werkelijk bij ons hoort. De Heer spreekt over de wijnstok en de ranken.3 De heilige Paulus vergelijkt dit gedeelde leven met de eenheid tussen hoofd en lichaam.4 Hetzelfde sap bezielt de wijnstok en zijn ranken, en hetzelfde bloed stroomt door het hoofd en de ledematen.

De eerste consequentie van deze werkelijkheid is het onvergelijkbare geluk, dat zij ons tot kinderen van God maakt. Het goddelijk kindschap is niet enkel een titel. Als iemand een andere mens adopteert als zijn kind, dan geeft hij hem zijn naam en zijn goederen; hij kan hem zijn genegenheid schenken, maar hij is niet in staat hem iets van zijn eigen natuur of zijn eigen leven over te dragen. Menselijke adoptie is noodzakelijkerwijs iets van buitenaf; ze verandert de persoon niet in een ander soort wezen, en voegt geen kwaliteiten toe aan de geadopteerde, behalve uiterlijke dingen zoals kleren, extra middelen om het cultuurniveau te verhogen, enz. Met de goddelijke adoptie is dat anders; hier hebben we te doen met een waarlijk nieuwe geboorte, die een wonderbaarlijke verbetering tot stand brengt in de natuur van degene die geadopteerd is. Vrienden, schrijft de heilige Johannes, nu reeds zijn wij kinderen van God.5 Dit is geen verzinsel of eenvoudigweg het verlenen van een eretitel, want de Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest, dat wij kinderen zijn van God.6 Het is zulk een grootse en vreugdevolle werkelijkheid, dat ze de heilige Paulus laat uitroepen: Gij zijt geen vreemdelingen en ontheemden meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God.7

Hoeveel goed zal het onze ziel doen vaak te overwegen, dat Christus de bron is waaruit dit nieuwe leven, dat ons geschonken is, overvloedig ontspringt. De heilige Petrus schrijft: Hij heeft, verheven, onschatbare beloften voor ons gerealiseerd, waardoor gij deel hebt gekregen aan Gods eigen wezen.8

Als wij de waardigheid van het goddelijk kindschap overwegen, dan buigen ons hoofd en ons hart zich om de Heer voortdurend te danken, omdat Hij ons zulke rijkdommen schenkt, en nemen wij ons voor om steeds te leven in het besef van de kostbare juwelen die we ontvangen hebben. De engelen kijken naar de ziel in staat van genade, met respect en bewondering. En wij? Hoe bezien we onze broeders en zusters die deze waardigheid ontvangen hebben, of die geroepen zijn om ze te ontvangen? Hoe gedragen wij ons, die een zo waardevolle schat bezitten? Weten we werkelijk wat onze ziel nu waard is? Wordt onze achting weerspiegeld in ons gedrag, in de uiterste zorg die we besteden om alles, hoe gering ook, dat ons leven als christen onwaardig is, te vermijden?

31.2 In het begin, na de eerste schepping, was de mens nieuw, volmaakt, zoals hij vers uit Gods hand gekomen was. Maar de zonde maakte hem oud en beschadigde hem zwaar. Daarom maakte God een nieuwe schepping9: de heiligmakende genade, een beperkte deelname aan de goddelijke natuur, maakt de mens, ook al blijft hij een schepsel, gelijkend op God en laat hem intiem deel hebben aan het goddelijke leven.

Deze heiligmakende genade is een innerlijke realiteit die «een soort van schittering en licht voorbrengt, dat onze ziel reinigt van alle vlekken en ze zeer mooi en stralend maakt.»10 Deze genade is hetgeen onze ziel verenigt met God in de meest hechte band van liefde.11 Hoezeer moeten we ze nu beschermen, in de overtuiging dat dit het grootste goed is dat we bezitten! De Heilige Schrift vergelijkt dit met het handgeld dat God aan de gelovigen geeft12, een zaad dat zijn wortels laat opschieten in het binnenste van de mens13, een waterbron die onophoudelijk opborrelt tot leven.14

De heiligmakende genade is geen voorbijgaande, vergankelijke gave, zoals die impulsen en ingevingen om een bepaalde daad te verrichten of te vermijden, die we 'genade van bijstand' noemen. Ze is «een permanent beginsel van bovennatuurlijk leven»15, een vaste gesteldheid die geworteld is in het wezen van de ziel. Zelfs al kunnen we ze verliezen door de doodzonde, toch wordt ze, omdat ze een stabiele en blijvende zijnswijze voortbrengt, ook de 'habituele genade' genoemd.

De genade verstoort de natuurlijke orde niet, maar veronderstelt ze, verheft ze en vervolmaakt ze, en zowel de natuurlijke als de bovennatuurlijke orde helpen elkaar omdat beide van God komen.16 Daarom veronachtzaamt de christen zijn aardse verplichtingen niet -werk, familie, enz.-, maar hij vervult ze stipt en vervolmaakt ze, en hij verbindt ze zozeer met het bovennatuurlijke leven, dat hij het natuurlijke leven zelf veredelt.17

We moeten in overeenstemming met deze waardigheid leven, en ons er bij al onze activiteiten naar gedragen. We moeten deze gave waarmee we werden begunstigd, nooit vergeten, op geen moment van de dag. Ons leven zal volkomen anders worden, als wij temidden van onze dagelijkse bezigheden de eer in gedachten houden die God onze Vader ons heeft betoond; dat wij, door de genade, onszelf kinderen van God kunnen noemen en dat ook daadwerkelijk zijn.18

31.3 De heiligmakende genade 'vergoddelijkt' de christen, en verandert hem in een zoon van God en in een tempel van de allerheiligste Drieëenheid. Deze wezensgelijkenis moet noodzakelijkerwijs weerspiegeld worden in ons werk, in onze gedachten en verlangens, in die mate waarin we vorderingen maken in de ascetische strijd, zodat ons zuiver menselijk leven de weg vrij maakt voor Christus' leven. In onze zielen moet dat innerlijke proces tot vervulling komen, waarop Johannes de Doper duidt: Hij moet groter worden maar ik kleiner.19

We moeten de Heer vragen in ons het streven te versterken om in ons hart die gezindheid te hebben, welke Christus Jezus bezielde.20 We moeten Hem vragen ons te helpen ons egoïsme uit te bannen, ons te genezen van het teveel aan onszelf denken en om uit ons hart elke vorm van verburgelijking te verdrijven. Wie zich er dus op beroemen dat zij de naam van christen dragen, moeten niet alleen de Meester beschouwen als het meest volmaakte model van alle deugden, maar zij moeten in hun eigen gedrag de leer en het leven van Jezus Christus weerspiegelen, en wel zodanig, dat zij op Hem lijken.21 Dit dient tot uiting te komen in de manier waarop ze met anderen omgaan, in hun medelijden met het verdriet van anderen, in hun streven naar volmaaktheid in hun beroepswerk, aldus de dertig jaar van het verborgen leven in Nazaret navolgend...

Op deze manier herhaalt Jezus' leven zich in het leven van de christen, in een toenemende gelijkenis met Hem die op wonderbaarlijke wijze tot stand komt door de Heilige Geest, en die haar voltooiing zal vinden in de totale gelijkenis en vereniging met de Heer in de hemel. Maar laten we dit rustig overwegen in ons gebed. Het bereiken van deze vereenzelviging met Christus vereist een zeer duidelijke oriëntatie van ons hele leven, door met de Heer samen te werken in het werk van onze heiliging; door de hindernissen voor het werk van de Helper op te ruimen; en door altijd trachten te doen wat God het meest behaagt, zodanig dat we zoals Jezus kunnen zeggen: Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen.22

Dit beantwoorden aan de genade, dat elke dag werkelijkheid moet worden, minuut na minuut, kan in drie punten samengevat worden: in de eerste plaats, volgzaam zijn jegens de ingevingen van de Heilige Geest; verder, het gebedsleven in alle omstandigheden bewaren, door middel van die vroomheidsoefeningen die we in de geestelijke leiding besloten hebben te doen; en tenslotte, het verzorgen van een constante boetegeest.

De volgzaamheid is nodig, omdat de Heilige Geest «degene is die ons aanspoort de leer van Christus trouw te blijven en ons deze diep eigen te maken. Hij verlicht ons, om ons bewust te maken van onze persoonlijke roeping. Hij sterkt ons, om te kunnen vervullen al wat God van ons verwacht.»23 Dezelfde Heilige Geest helpt ons bij onze persoonlijke innerlijke groei, en in het overvloedig apostolaat dat we moeten volbrengen onder onze vrienden, familieleden en collega's.

Een leven van gebed is eveneens nodig, «want de overgave, de gehoorzaamheid en de mildheid van de christen komen voort uit de liefde en leiden naar de liefde toe. Deze liefde leidt tot de omgang met anderen, tot zinvolle gesprekken en tot vriendschap. Het christelijk leven vraagt een voortdurende dialoog met de ene en drieëne God en het is de Heilige Geest die ons tot deze innige band leidt.»24

Vereniging met het kruis moet er eveneens zijn, «want in het leven van Christus ging Golgotha aan Pasen en aan Pinksteren vooraf, en hetzelfde proces moet zich ook in het leven van iedere christen voltrekken.»25 Zo zullen we in de eerste plaats de grote en kleine tegenslagen aanvaarden, die we op onze weg tegen komen, en de Heer elke dag vele andere kleine verstervingen aanbieden, waardoor we ons verenigen met het kruis, in het besef mee te werken aan de verlossing. Zo zullen we ons leven zuiveren en ons voorbereiden op een diepgaande en intieme dialoog met God.

Laten we vandaag, aan het eind van ons gebed, de wijze onderzoeken waarop we aan de genade beantwoorden op deze drie punten, omdat de ontwikkeling van ons genadeleven van dit antwoord afhangt. En wij zeggen tot de Heer, dat we niet tevreden willen zijn met het niveau dat we al bereikt hebben in het gebed, in de beleving van de tegenwoordigheid van God, in onze offergeest...; dat wij, met zijn genade en de bescherming van onze lieve Vrouw, niet zullen rusten tot we het doel bereikt hebben dat betekenis aan ons leven geeft: de volledige vereenzelviging met Jezus Christus.

-1. Joh 1,13. -2. Vgl. Gal 3,27. -3. Vgl. Joh 15,1-6. -4. Vgl. 1 Kor 12,27. -5. 1 Joh 3,2. -6. Rom 8,16. -7. Ef 2,19. -8. 2 Pe 1,4. -9. Vgl. H. Thomas van Aquino, Commentaar op de tweede brief aan de Korintiërs, IV,192. -10. Romeinse Catechismus, II, 2,50. -11. Vgl. Ibidem I,9,8. -12. Vgl. 2 Kor 5,5. -13. Vgl. 1 Joh 3,9. -14. Vgl. Joh 4,14. Vgl. -15. Pius xi, Enc. Casti connubii. -16. Vgl. Idem, Enc. Divini illius Magistri. -17. Vgl. Ibidem; vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 40. -18. Vgl. 1 Joh 3,1. -19. Joh 3,30. -20. Vgl. Fil 2,5. -21. Vgl. Pius xii, Enc. Mystici Corporis. -22. Joh 4,34. -23. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 135. -24. Ibidem, 136. -25. Ibidem, 137.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 07 feb 2012