Elfde week door het jaar. Maandag
31. Leven vanuit de genade
-Een nieuw leven. Waardigheid van de christen.
-Heiligmakende genade, die doet delen in de goddelijke natuur. -Genade leidt
tot vereenzelviging met Christus: volgzaamheid, leven vanuit het gebed, liefde
voor het kruis.
31.1 Vanaf het moment dat de
heiligmakende genade bij het doopsel in ons wordt uitgestort, bezitten we als
christenen een nieuw, bovennatuurlijk leven waardoor we verschillen van andere
mensen. Wat we nu bezitten is een bijzonder leven, uitsluitend toebehorend aan
hen die in Christus geloven, die niet uit bloed noch uit de
wil van het vlees of van een man, maar uit God geboren zijn.1 In de doop begint een christen het leven van
Christus te leiden2, want er is tussen Hem en
ons een verbinding ontstaan, die verschillend en sterker en hechter is dan de
band die bestaat tussen de leden van de mensenmaatschappij. De vereniging met
de Heer is zo diepgaand, dat ze het bestaan van de christen volledig verandert
en het mogelijk maakt dat Gods leven zich in onze zielen ontplooit als iets dat
werkelijk bij ons hoort. De Heer spreekt over de wijnstok en de ranken.3 De heilige Paulus vergelijkt dit gedeelde leven met
de eenheid tussen hoofd en lichaam.4 Hetzelfde
sap bezielt de wijnstok en zijn ranken, en hetzelfde bloed stroomt door het
hoofd en de ledematen.
De eerste consequentie van deze werkelijkheid is het onvergelijkbare
geluk, dat zij ons tot kinderen van God maakt. Het goddelijk kindschap is niet
enkel een titel. Als iemand een andere mens adopteert als zijn kind, dan geeft
hij hem zijn naam en zijn goederen; hij kan hem zijn genegenheid schenken, maar
hij is niet in staat hem iets van zijn eigen natuur of zijn eigen leven over te
dragen. Menselijke adoptie is noodzakelijkerwijs iets van buitenaf; ze
verandert de persoon niet in een ander soort wezen, en voegt geen kwaliteiten
toe aan de geadopteerde, behalve uiterlijke dingen zoals kleren, extra middelen
om het cultuurniveau te verhogen, enz. Met de goddelijke adoptie is dat anders;
hier hebben we te doen met een waarlijk nieuwe geboorte, die een
wonderbaarlijke verbetering tot stand brengt in de natuur van degene die geadopteerd
is. Vrienden, schrijft de heilige Johannes, nu reeds zijn wij kinderen van God.5 Dit is geen verzinsel of eenvoudigweg het verlenen
van een eretitel, want de Geest zelf bevestigt het
getuigenis van onze geest, dat wij kinderen zijn van God.6 Het is zulk een grootse en vreugdevolle
werkelijkheid, dat ze de heilige Paulus laat uitroepen: Gij
zijt geen vreemdelingen en ontheemden meer, maar medeburgers van de heiligen en
huisgenoten van God.7
Hoeveel goed zal het onze ziel doen vaak te overwegen, dat
Christus de bron is waaruit dit nieuwe leven, dat ons geschonken is,
overvloedig ontspringt. De heilige Petrus schrijft: Hij
heeft, verheven, onschatbare beloften voor ons gerealiseerd, waardoor gij deel
hebt gekregen aan Gods eigen wezen.8
Als wij de waardigheid van het goddelijk kindschap overwegen,
dan buigen ons hoofd en ons hart zich om de Heer voortdurend te danken, omdat
Hij ons zulke rijkdommen schenkt, en nemen wij ons voor om steeds te leven in
het besef van de kostbare juwelen die we ontvangen hebben. De engelen kijken
naar de ziel in staat van genade, met respect en bewondering. En wij? Hoe
bezien we onze broeders en zusters die deze waardigheid ontvangen hebben, of
die geroepen zijn om ze te ontvangen? Hoe gedragen wij ons, die een zo
waardevolle schat bezitten? Weten we werkelijk wat onze ziel nu waard is? Wordt
onze achting weerspiegeld in ons gedrag, in de uiterste zorg die we besteden om
alles, hoe gering ook, dat ons leven als christen onwaardig is, te vermijden?
31.2 In het begin, na de eerste
schepping, was de mens nieuw, volmaakt, zoals hij vers uit Gods hand gekomen
was. Maar de zonde maakte hem oud en beschadigde hem zwaar. Daarom maakte God
een nieuwe schepping9: de heiligmakende genade,
een beperkte deelname aan de goddelijke natuur, maakt de mens, ook al blijft
hij een schepsel, gelijkend op God en laat hem intiem deel hebben aan het
goddelijke leven.
Deze heiligmakende genade is een innerlijke realiteit die
«een soort van schittering en licht voorbrengt, dat onze ziel reinigt van alle
vlekken en ze zeer mooi en stralend maakt.»10
Deze genade is hetgeen onze ziel verenigt met God in de meest hechte band van
liefde.11 Hoezeer moeten we ze nu beschermen, in
de overtuiging dat dit het grootste goed is dat we bezitten! De Heilige Schrift
vergelijkt dit met het handgeld dat God aan de gelovigen geeft12, een zaad dat zijn wortels laat opschieten in het
binnenste van de mens13, een waterbron die
onophoudelijk opborrelt tot leven.14
De heiligmakende genade is geen voorbijgaande, vergankelijke
gave, zoals die impulsen en ingevingen om een bepaalde daad te verrichten of te
vermijden, die we 'genade van bijstand' noemen. Ze is «een permanent beginsel van bovennatuurlijk leven»15, een vaste gesteldheid die geworteld is in
het wezen van de ziel. Zelfs al kunnen we ze verliezen door de doodzonde, toch
wordt ze, omdat ze een stabiele en blijvende zijnswijze voortbrengt, ook de
'habituele genade' genoemd.
De genade verstoort de natuurlijke orde niet, maar veronderstelt
ze, verheft ze en vervolmaakt ze, en zowel de natuurlijke als de
bovennatuurlijke orde helpen elkaar omdat beide van God komen.16 Daarom veronachtzaamt de christen zijn aardse
verplichtingen niet -werk, familie, enz.-, maar hij vervult ze stipt en
vervolmaakt ze, en hij verbindt ze zozeer met het bovennatuurlijke leven, dat
hij het natuurlijke leven zelf veredelt.17
We moeten in overeenstemming met deze waardigheid leven, en
ons er bij al onze activiteiten naar gedragen. We moeten deze gave waarmee we
werden begunstigd, nooit vergeten, op geen moment van de dag. Ons leven zal
volkomen anders worden, als wij temidden van onze dagelijkse bezigheden de eer
in gedachten houden die God onze Vader ons heeft betoond; dat wij, door de genade,
onszelf kinderen van God kunnen noemen en dat ook daadwerkelijk zijn.18
31.3 De heiligmakende genade
'vergoddelijkt' de christen, en verandert hem in een zoon van God en in een
tempel van de allerheiligste Drieëenheid. Deze wezensgelijkenis moet noodzakelijkerwijs
weerspiegeld worden in ons werk, in onze gedachten en verlangens, in die mate
waarin we vorderingen maken in de ascetische strijd, zodat ons zuiver menselijk
leven de weg vrij maakt voor Christus' leven. In onze zielen moet dat
innerlijke proces tot vervulling komen, waarop Johannes de Doper duidt: Hij
moet groter worden maar ik kleiner.19
We moeten de Heer vragen in ons het streven te versterken om
in ons hart die gezindheid te hebben, welke Christus Jezus bezielde.20
We moeten Hem vragen ons te helpen ons egoïsme uit te bannen, ons te genezen
van het teveel aan onszelf denken en om uit ons hart elke vorm van verburgelijking
te verdrijven. Wie zich er dus op beroemen dat zij de naam van christen dragen,
moeten niet alleen de Meester beschouwen als het meest volmaakte model van alle
deugden, maar zij moeten in hun eigen gedrag de leer en het leven van Jezus
Christus weerspiegelen, en wel zodanig, dat zij op Hem lijken.21 Dit dient tot uiting te komen in de manier waarop
ze met anderen omgaan, in hun medelijden met het verdriet van anderen, in hun
streven naar volmaaktheid in hun beroepswerk, aldus de dertig jaar van het
verborgen leven in Nazaret navolgend...
Op deze manier herhaalt Jezus' leven zich in het leven van de
christen, in een toenemende gelijkenis met Hem die op wonderbaarlijke wijze tot
stand komt door de Heilige Geest, en die haar voltooiing zal vinden in de
totale gelijkenis en vereniging met de Heer in de hemel. Maar laten we dit
rustig overwegen in ons gebed. Het bereiken van deze vereenzelviging met
Christus vereist een zeer duidelijke oriëntatie van ons hele leven, door met de
Heer samen te werken in het werk van onze heiliging; door de hindernissen voor
het werk van de Helper op te ruimen; en door altijd trachten te doen wat God
het meest behaagt, zodanig dat we zoals Jezus kunnen zeggen: Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en
zijn werk te volbrengen.22
Dit beantwoorden aan de genade, dat elke dag werkelijkheid
moet worden, minuut na minuut, kan in drie punten samengevat worden: in de
eerste plaats, volgzaam zijn jegens de ingevingen van de Heilige Geest; verder,
het gebedsleven in alle omstandigheden bewaren, door middel van die
vroomheidsoefeningen die we in de geestelijke leiding besloten hebben te doen;
en tenslotte, het verzorgen van een constante boetegeest.
De volgzaamheid is nodig, omdat de Heilige Geest «degene is die
ons aanspoort de leer van Christus trouw te blijven en ons deze diep eigen te
maken. Hij verlicht ons, om ons bewust te maken van onze persoonlijke roeping.
Hij sterkt ons, om te kunnen vervullen al wat God van ons verwacht.»23 Dezelfde Heilige Geest helpt ons bij onze
persoonlijke innerlijke groei, en in het overvloedig apostolaat dat we moeten
volbrengen onder onze vrienden, familieleden en collega's.
Een leven van gebed is eveneens nodig, «want de overgave, de
gehoorzaamheid en de mildheid van de christen komen voort uit de liefde en
leiden naar de liefde toe. Deze liefde leidt tot de omgang met anderen, tot
zinvolle gesprekken en tot vriendschap. Het christelijk leven vraagt een
voortdurende dialoog met de ene en drieëne God en het is de Heilige Geest die
ons tot deze innige band leidt.»24
Vereniging met het kruis moet er eveneens zijn, «want in het
leven van Christus ging Golgotha aan Pasen en aan Pinksteren vooraf, en
hetzelfde proces moet zich ook in het leven van iedere christen voltrekken.»25 Zo zullen we in de eerste plaats de grote en kleine
tegenslagen aanvaarden, die we op onze weg tegen komen, en de Heer elke dag
vele andere kleine verstervingen aanbieden, waardoor we ons verenigen met het
kruis, in het besef mee te werken aan de verlossing. Zo zullen we ons leven
zuiveren en ons voorbereiden op een diepgaande en intieme dialoog met God.
Laten we vandaag, aan het eind van ons gebed, de wijze onderzoeken
waarop we aan de genade beantwoorden op deze drie punten, omdat de ontwikkeling
van ons genadeleven van dit antwoord afhangt. En wij zeggen tot de Heer, dat we
niet tevreden willen zijn met het niveau dat we al bereikt hebben in het gebed,
in de beleving van de tegenwoordigheid van God, in onze offergeest...; dat wij,
met zijn genade en de bescherming van onze lieve Vrouw, niet zullen rusten tot
we het doel bereikt hebben dat betekenis aan ons leven geeft: de volledige
vereenzelviging met Jezus Christus.
-1. Joh 1,13. -2. Vgl. Gal 3,27. -3. Vgl. Joh 15,1-6.
-4. Vgl. 1 Kor 12,27. -5. 1 Joh
3,2. -6. Rom 8,16. -7. Ef
2,19. -8. 2 Pe 1,4. -9. Vgl. H. Thomas van Aquino, Commentaar
op de tweede brief aan de Korintiërs, IV,192. -10. Romeinse
Catechismus, II,
2,50. -11. Vgl. Ibidem I,9,8. -12. Vgl. 2 Kor 5,5. -13. Vgl. 1 Joh
3,9. -14. Vgl. Joh 4,14. Vgl. -15. Pius xi, Enc. Casti connubii.
-16. Vgl. Idem, Enc. Divini
illius Magistri. -17. Vgl. Ibidem; vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium, 40. -18. Vgl. 1 Joh 3,1. -19. Joh 3,30. -20. Vgl. Fil 2,5.
-21. Vgl. Pius xii, Enc. Mystici
Corporis. -22. Joh 4,34. -23. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
135. -24. Ibidem, 136. -25. Ibidem,
137.
|