Derde zondag door het jaar (A)
16. Licht in de duisternis
-Jezus brengt licht
in de wereld die in duisternis is gehuld. Het geloof verlicht ons hele leven. -Wij,
christenen, zijn het licht van de
wereld. Voorbeeldigheid in het beroepswerk.
Vakbekwaamheid. -Doeltreffendheid van het goede voorbeeld. Leerstellige vorming
en innerlijk leven om de aardse werkelijkheid te heiligen.
16.1 Dominus illuminatio mea et
salus mea: quem timebo? De Heer is mijn licht en mijn
heil: wie zou ik dan vrezen? 1 Deze woorden van de tussenzang van de mis
van deze zondag vormen een geloofsbelijdenis en uiting van onze zekerheid:
geloof in de Heer, die het licht in ons leven is; zekerheid, omdat we in
Christus de benodigde kracht vinden om onze dagelijkse weg te gaan. Licht uit licht, zo
zeggen we in het Credo van de mis, met betrekking tot Gods Zoon.
De mensheid was in duisternis gehuld, totdat
het licht op aarde straalde toen Jezus werd geboren in Bethlehem, zoals we in
de voorbije weken hebben overwogen. Dit licht omhulde, stralend en helder,
Maria en Jozef, evenals de herders en de drie Wijzen. Daarna heeft die schitterende morgenster2 zich jarenlang
verborgen gehouden in het stadje Nazareth en het gewone leven van zijn
stadgenoten geleid. In werkelijkheid bleef Hij het leven van de mensen
verlichten, want in die jaren te Nazareth toonde Hij door dit verborgen leven,
dat het gewone leven geheiligd kan en moet worden. Nu gaat Hij, nadat Hij
Nazareth verlaten heeft en in de Jordaan gedoopt is, naar Kafarnaüm om zijn
openbare leven te beginnen.3
In het evangelie van vandaag haalt de heilige
Matteüs de profetie van Jesaja aan, waarin gezegd wordt dat de Messias de hele
wereld zou verlichten. Het volk dat in
de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het
land van de schaduw van de dood gezeten waren, over hen is een licht opgegaan.4 Zoals de pas
opgekomen zon, brengt Jezus de schittering van de waarheid in de wereld, en een
bovennatuurlijke helderheid voor het verstand van hen die niet in de duisternis
van onwetendheid en dwaling willen blijven.
Sint Matteüs verhaalt ook dat de eersten die
tijdens het openbare leven van de Heer, de werkzame invloed van dit licht
ondervonden, die leerlingen waren die door Hem geroepen werden toen Hij langs het
meer van Galilea liep. Vooreerst waren dat Simon en
Andreas. Zij waren vissers: Jezus riep hen en terstond lieten ze hun netten achter en
volgden Hem. Vervolgens nog twee broers, Jakobus en
Johannes, die ook onmiddellijk alles achterlieten en Jezus volgden. Deze mannen
«ondervonden de betovering van het verborgen licht dat van Hem uitstraalde, en
ze volgden het zonder aarzelen om met de schittering daarvan hun levensweg te
verlichten. Maar dat licht van Jezus schijnt voor iedereen.»5 Hij komt naar ons toe in onze duisternis en geeft zin aan ons leven:
aan ons dagelijks werk, aan onze vermoeidheid, aan onze smarten en vreugden...
Voor veel mensen die ons in het evangelie
getoond worden, voor hele menigten, lijkt Jezus' leven op het verhaal van een
ontmoeting; wij bevinden ons soms in de duisternis en het licht wil erin
doorbreken.6 Thans gaat ook die profetie van Jesaja in vervulling, die in de eerste
lezing van de mis is opgenomen: Het
volk dat ronddwaalt in het donker, ziet dan een helder licht, over hen die
wonen in een land vol duisternis gaat dan een stralend licht op. Uitbundig laat
Gij hen juichen en overstelpt hen met vreugde: zij verheugen zich voor uw
aanschijn zoals er vreugde is bij de oogst en gejuich bij het verdelen van de
buit.7 Het is de vreugde van het geloof, dat al onze bezigheden verlicht; het
is het wonder van Jezus, die zin geeft aan al onze dingen.
16.2 Jezus Christus, het licht van
de wereld8, riep eerst enkele eenvoudige mensen uit Galilea. Hij verlichtte hun
leven, wist hen voor zijn zaak te winnen en verlangde een onvoorwaardelijke
overgave van hen. Deze vissers uit Galilea traden uit de duisternis van een
bestaan zonder uitzicht of horizon, en volgden de Meester, zoals later nog
anderen zouden doen, en daarna door de eeuwen heen tallozen zijn blijven doen.
Ze volgen Hem en geven zelfs hun leven voor Hem. Ook wij volgen Hem.
De Heer roept ons thans op, Hem te volgen en
het leven van de mensen en hun edele werkzaamheden met het licht van het geloof
te verlichten: we weten zeer wel, dat het geloof in Jezus, onze Meester en
Heer, het geneesmiddel is voor alle kwalen die de mensheid teisteren. Zonder
Hem loopt de mens in het donker, zodat hij struikelt en valt. Het geloof dat we
moeten doorgeven, is een licht voor het verstand, een onvergelijkelijk licht:
«buiten het geloof heerst de duisternis, de natuurlijke duisternis tegenover de
bovennatuurlijke waarheid, en de 'ondernatuurlijke' duisternis die het gevolg
is van de zonde.»9
Onze woorden zullen pas het hart van onze
vrienden bereiken, indien daar eerst het voorbeeld van ons handelen is
doorgedrongen: op tijd met ons werk beginnen; het benutten van de tijd bij dat
werk of bij de studie; de kracht om onze gemoedsrust niet te verliezen temidden
van moeilijkheden; het helpen van onze collega's, vaak in kleinigheden; het
beoefenen van de menselijke deugden die een christen eigen zijn: optimisme,
hartelijkheid, veerkracht, loyaal-zijn aan ons bedrijf en onze vrienden, zonder
ooit toe te geven aan kritiek, roddel... Een christen zou níet consequent vanuit
zijn geloof leven, als hij niet alle zorg wijdt aan het vakbekwaam verrichten
van zijn werk, en nog mínder als hij ook maar enigszins onrechtvaardig handelt
in zijn werkrelaties, ten opzichte van andere mensen of van de samenleving.
Om het licht van het geloof in onze eigen
omgeving te verspreiden, hebben we een goede vorming nodig, kennis van de leer
van de Kerk over de meest actuele kwesties die eenieder overeenkomstig zijn
beroep aangaan, om zó een rechtvaardige maatschappelijke orde te scheppen, die
de waardigheid en de vrijheden van de menselijke persoon bevordert. En het kan
vóórkomen, dat edelmoedig en rechtvaardig gedrag op het werk bij het in
praktijk brengen van de leer van Christus -die nu eenmaal concrete
consequenties heeft voor het leven van degenen die goede christenen willen zijn-
meer of minder openlijk zal botsen met de gebruikelijke gang van zaken onder
collega's, of eenvoudigweg met het egoïsme en de verburgerlijking van het
moment. De Heer verwacht van ieder van zijn leerlingen, dat hij werkelijk trouw
blijft aan de waarheid, met sterkte en moed, want op die manier zal hij velen
helpen hun eigen gedrag, de zin die ze aan hun leven geven, te heroverwegen.
Soms zullen we moeten denken aan die waarschuwing van sint Paulus aan de
christenen van Korinte: Maar wij
verkondigen een gekruisigde Christus, voor de Joden een aanstoot, voor de
heidenen een dwaasheid.10 De boodschap van
Christus zal altijd botsen met een door materialisme verziekte maatschappij, en
met een conformistische en verburgerlijkte levenshouding.
Viriliter age: gedraag u manhaftig.11 We kunnen ons vandaag de vraag stellen of wij in onze omgeving bekend
staan om zulk een consequente leefwijze, om voorbeeldigheid in het beroepswerk -met
de moed waartoe de Heilige Geest ons aanspoort-, in onze studie als we
studenten zijn, in het dagelijks beoefenen van de menselijke en
bovennatuurlijke deugden, in het in praktijk brengen van de geestelijke en
lichamelijke werken van barmhartigheid.
16.3 Wij allen worden door de Heer geroepen om het licht van de wereld12 te zijn, en dat licht mag niet verborgen
blijven: «wij zijn lampen die aan het licht van de waarheid ontstoken zijn.»13 Om de leer van
Christus bekend te maken, opdat deze ook heel ons leven verlicht, moeten we de
middelen aanwenden om haar diepgaand te leren kennen, met een diepgang zoals
die vereist wordt door ons opleidingsniveau, onze leeftijd en onze
verantwoordelijkheid ten opzichte van de kinderen, de omgeving en de
maatschappij. We moeten nauwkeurig de 'plichten van rechtvaardigheid' van ons
werk kennen, evenals de eisen die de liefde stelt, en dìe gaan veel verder; we
moeten het goede kennen waartoe ons de kans wordt geboden, en dat goede dan ook
doen; het kwaad kennen dat uit een bepaald gedragspatroon zou kunnen ontstaan,
en dat dan vermijden. We moeten aanvaarden, dat we misschien wel vrij dikwijls
advies zullen moeten vragen en dan aanstonds handelen vanuit het persoonlijke
verantwoordelijkheidsgevoel van een goede christen, die tegelijkertijd een goed
burger is, iemand die trouw is en zich verantwoordelijk weet voor zijn gezin,
op zijn werk, bij zijn studie.
De Heer heeft de schat van zijn leer aan de
Kerk toevertrouwd. Tot haar leergezag moeten we onze toevlucht nemen, zoals
schepen koers zetten naar de vuurtoren, om richting en licht te vinden in de
vele problemen die betrekking hebben op het heil en ook op de waardigheid zelf
van de menselijke persoon.
Als wij als christenen die binnen het netwerk
van de maatschappij leven onszelf moeten heiligen «in en door» ons werk, dan
dienen we een uitstekende kennis te bezitten van de beginselen van de
beroepsethiek en deze in de uitoefening van
ons werk toepassen, ook als deze criteria veeleisend blijken te zijn en
ons moeite kosten op het moment dat we ze in praktijk moeten brengen. Onontbeerlijk daarvoor zijn «het innerlijk leven en de
geloofsvorming. Verg eens wat van jezelf! -Jij -christenman, christenvrouw-
moet het zout der aarde en het licht van de wereld zijn, want je hebt de
plicht het voorbeeld te geven met een heilige schaamteloosheid.
»Christus' liefde zal je dringend aansporen en,
als je je een andere Christus weet en voelt, vanaf het ogenblik dat je Hem hebt
toegezegd Hem te zullen volgen, zul je je niet scheiden van je gelijken -je
verwanten, je vrienden, je collega's-, net zomin als men het zout scheidt van
het voedsel waaraan het smaak moet geven.
»Je innerlijk leven en je vorming omvatten het
criterium en de godsvrucht die een kind van God moet bezitten om alles op smaak
te brengen door zijn actieve aanwezigheid. -Bid de Heer, dat je altijd een
goede smaakmaker mag zijn in het leven van de anderen.»14
We wenden ons ook tot Onze Lieve Vrouw en
bidden haar om kracht en eenvoud om, zoals de eerste christenen, midden in de
wereld te leven zonder 'van deze wereld te zijn'; om het licht van Christus te
zijn in ons beroep en onze omgeving.
-1. Ps 27,1. -2. Apok 22,16. -3. Vgl. Johannes Paulus ii, Homilie, 25 januari
1981. -4. Mt 4,16; vgl. Jes 9,1-4. -5. Johannes
Paulus ii, Homilie, 25 januari 1981. -6. A.G. Dorronsoro, Apuntes de esperanza, Madrid 1974, bl. 13. -7.
Jes 9,2-3.
-8. Joh 8,12.
-9. H. Jozefmaria Escrivá, Brief, 19 maart 1967. -10.
1 Kor 1,23.
-11. Ps 27,14.
-12. Mt 5,14.
-13. H. Augustinus, Tractaat over het evangelie van Johannes, 23,3. -14. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 450.
|