Twaalfde zondag door het jaar (C)
39. Liefde en ontzag voor God
-Liefde tot God en onderwerping aan zijn oneindige
heiligheid. -Het belang van kinderlijke vrees voor de ontworteling van de
zonde. -De biecht en het heilig ontzag voor God.
39.1 God,
mijn God zijt Gij, ik zoek U met groot verlangen. Naar U dorst mijn ziel en
hunkert mijn hart, als dorre akkers naar regen. Naar U dorst mijn ziel, Heer,
en hunkert mijn hart...1, zo bidden wij
in de tussenzang van de mis, en maken wij ons het liturgisch gebed eigen. Om
steeds dichter tot God te naderen moeten we op twee stevige fundamenten
steunen, die met elkaar verbonden zijn en elkaar aanvullen: vertrouwen en
respectvolle eerbied; nabijheid en eerbiedige onderwerping; liefde en vrees. «Dat
zijn de twee armen waarmee we God omarmen»2,
leert de heilige Bernardus ons. We voelen ons aangetrokken tot God de Vader,
vervuld van barmhartigheid en goedheid, de volheid van al wat waarlijk goed is.
En tegelijkertijd, in de wetenschap dat we minder dan niets zijn, knielen we
nederig neer voor deze God, absoluut onovertroffen, majesteitelijk, hoog
verheven. We onderwerpen onze wil aan Hem en vrezen zijn rechtvaardige
straffen. In de mis van vandaag bidden we aldus: Sancti
nominis tui, Domine, timorem pariter et amorem fac nos habere perpetuum...
3 Liefde en een heilige kinderlijke vrees zijn de twee
vleugels die ons tot Hem zullen verheffen.
De vrees voor God is het begin van alle
wijsheid4, leert de Heilige Schrift ons.
Ze is de basis van alle deugden, want als iemand niet sterk
en ijverig is in de vrees voor de Heer, zal snel en onverwijld zijn huis te
gronde gaan.5 Christus zelf leert zijn
vrienden dat ze niet degenen moeten vrezen die het lichaam kunnen doden, want
méér kunnen die niet doen. Ik zal u zeggen wie gij moet
vrezen, zegt Hij tegen zijn trouwste volgelingen, tot hen die alles
achtergelaten hebben om Hem te volgen: Vreest Hem die,
nadat Hij gedood heeft, macht bezit om in de hel te werpen. Ja, Ik zeg u,
vreest Hem.6 De Handelingen van de
apostelen vertellen ons hoe de Kerk in de begintijd groeide, hoe ze steeds meer werd bevestigd in de vreze des Heren, en gestadig
toenam in aantal door de vertroosting van de heilige Geest.7
We moeten niet vergeten dat de liefde voor God sterker wordt,
hoe verder we van de doodzonde verwijderd zijn, en hoe groter de inspanningen
zijn die we doen om de opzettelijke dagelijkse zonde te vermijden. De heilige
vrees voor God is een grote hulp voor ons om deze strijd tegen alles wat Hem
beledigt vol te houden. Het is altijd een kinderlijke vrees, namelijk die van
een zoon die ervoor terugdeinst zijn Vader pijn en droefheid te bezorgen. Hij
weet wie zijn Vader is, wat de zonde inhoudt, en de oneindige scheiding die
deze voor de zondaar, ten opzichte van zijn Vader, teweeg brengt. Daarom zegt
de heilige Augustinus: «Gezegend de ziel die God vreest, omdat ze sterk is
tegenover de bekoringen van de duivel. Gezegend is de man
die de Heer altijd vreest (Spr 28,14), en hij aan wie het gegeven is de
vrees voor de Heer gedachtig te zijn. Hij die God vreest zal het pad van het
kwaad verlaten en trouw het pad van de deugd volgen. De vrees voor God maakt
een man behoedzaam en waakzaam om zonde te vermijden. Het losbandig leven
triomfeert als er geen vrees voor God is.»8
Liefde voor God en kinderlijke vrees zijn twee aspecten van
dezelfde houding, die ons in staat stelt veilig door het leven te gaan. Als we
de oneindige goedheid van God overwegen, die ons nabij komt in de heilige
mensheid van Jezus Christus, worden we ertoe bewogen meer en meer van Hem te
houden. Als we de majesteit en de rechtvaardigheid van God en onze eigen
nietigheid beschouwen, dan wordt de vrees gewekt God te bedroeven, en de vrees
om Hem die wij zo zeer beminnen, vanwege onze persoonlijke zonden te verliezen.
Derhalve «vrees en liefde moeten samengaan», raadt kardinaal Newman ons aan.
«Blijf vrezen, blijf liefhebben, tot de laatste dag van je leven.»9 Vanaf dat moment zal alleen de liefde overblijven. De volmaakte liefde drijft de vrees uit.10
39.2 Het heilig ontzag voor God
is een garantie en steun voor de ware liefde. Het helpt ons om definitief te
breken met de doodzonden. Het beweegt ons ertoe boete te doen voor de zonden
die we hebben bedreven, en behoedt ons voor opzettelijke fouten. «De gedachte
aan de straf die we voor onze zonden verdienen, zal ons helpen in het trotseren
van de dagelijkse moeilijkheden en strijd, zonder welke er geen echte
bevrijding van de zonde of een volledige vereniging met God kan zijn. We hebben
altijd, inderdaad, meer dan voldoende redenen om doordrongen te worden van de
vrees voor God, als we denken aan de vele gelegenheden tot zonde om ons heen,
aan onze eigen zwakheid, de kracht van onze ongeordende gewoonten, onze
natuurlijke neiging om toe te geven aan de druk van onze eigen begeerten van
binnen uit en de aantrekkingskracht van de wereldse genoegens van buitenaf, de
vele fouten, nalatigheden en gebreken waaraan we ons elke dag schuldig maken.»11 Is het, als men geconfronteerd wordt met een dergelijke
persoonlijke zwakheid, nog mogelijk onbevreesd te zijn? Is het dan mogelijk ons
vertrouwen niet te stellen op de oneindige goddelijke goedheid?
Kinderlijke vrees houdt ons gemoed af van de zonde, en houdt
onze ziel waakzaam tegen valse en misleidende zelfgenoegzaamheid. Het grootste
gevaar is misschien juist dat gebrek aan bezorgdheid over de zonde die we
begaan hebben, en een onnadenkendheid en oppervlakkigheid die eventueel kunnen
leiden tot een totaal verlies van het zondebesef. Deze houding, die we kunnen
waarnemen bij degenen die terug lijken te vallen in het heidendom, is het
gevolg van het verlies van deze heilige vrees voor God. In zo'n deplorabele
situatie wordt het beledigen van God belachelijk gemaakt, afgedaan als iets
onbeduidends, of anders als minder erg beschouwd. De meest ernstige dwalingen
en zonden worden voor 'heel natuurlijk' gehouden, omdat de relatie is verbroken
tussen het schepsel en zijn Schepper, van wie het schepsel juist voor zijn hele
bestaan afhankelijk is. De meest ernstige vervormingen van het geweten, en
daardoor van de wezenlijke levensoriëntatie van de mens, hebben vaak hun
oorsprong in het verlies van deze houding van heilige eerbied voor Hem die
alles uit het niets geschapen heeft.
Kinderlijke vrees en liefde gaan altijd samen. Als we de kinderlijke
vrees voor God zouden afwijzen -het verlangen om Hem te behagen, de zorg Hem
niet te grieven-, dan zouden we het gevaar lopen dat we de ascetische strijd
gaan veronachtzamen en dat we vallen in een vals, aanmatigend vertrouwen op de
goedheid van God. Maar als men aan de andere kant enkel bewogen wordt door vrees,
snijdt men zich af van de grote en barmhartige liefde van God onze Vader, van
kinderlijke eenvoud en vertrouwvolle overgave. Deze houdingen zijn wezenlijk
voor een ziel die streeft naar heiligheid.
Het begin van de vrees voor God is een onvolkomen liefde,
want ze is gebaseerd op vrees voor straf. Maar deze vrees kan en moet verheven
worden tot een kinderlijke houding, waardoor we komen tot het boven alles beschouwen
van de grootheid van God, zijn oneindige majesteit en onze situatie als
schepsels. «Timor Domini sanctus. De vrees voor God
is heilig. Vrees die nooit slavenvrees is, maar verering van een zoon voor zijn
vader; want God, je Vader is geen tiran.»12 Ze
wordt omgevormd tot de vrees van een kind dat oprecht van zijn Vader houdt, en
deze liefde geeft hem de kracht om alles te vermijden dat zijn vader pijn zou
kunnen doen of hen van elkaar zou kunnen scheiden.
39.3 Wanneer we het sacrament van
vergeving en verzoening willen gaan ontvangen, zal het ons veel helpen, als we
de heilige vrees voor God in onze ziel koesteren. Om het sacrament te ontvangen,
is een 'slaafs' berouw (een bovennatuurlijk maar onvolmaakt verdriet, dat
voortkomt uit angst voor de straf, of afkeer van de lelijkheid van de zonde...)
voldoende. Maar we zullen veel meer genade ontvangen, als we onze ziel bewegen
tot een gevoel van kinderlijke vrees, omdat we de almachtige God -die ook nog
onze Vader is- beledigd hebben. Het zal veel gemakkelijker zijn vanuit deze
kinderlijke houding te komen tot een innig berouw, een berouw dat uit liefde
ontspringt, tot een houding van smart gebaseerd op liefde. Zo wordt de biecht
een zeer grote bron van genade, een plaats waar de liefde voortdurend sterker
wordt.13
Het innerlijke leven groeit in tederheid en diepte, als we
steeds deze waarheden voor ogen houden, die ons de fundamenten openbaren van
deze gave van de heilige Geest: Gods heiligheid en onze ellende, onze
dagelijkse fouten, de absolute afhankelijkheid van het schepsel van zijn
Schepper, het belang van één enkele dagelijkse zonde in het zicht van de
goddelijke heiligheid, de ondankbaarheid die blijkt uit ons gebrek aan
edelmoedigheid om overeenkomstig de eisen van onze roeping te leven...14 Vooral zullen we het mysterie van de zonde beter
begrijpen, als we de gewoonte aannemen het lijdensverhaal van de Heer vaak te beschouwen.
We zullen leren lief te hebben, en daarbij beducht te zijn ook maar één enkele
dagelijkse zonde te begaan. Als we het lijden beschouwen dat Christus doorstond
voor onze zonden, voor de zonden van ieder afzonderlijk, dan zal onze hoop
versterkt worden en ons berouw intenser zijn, en we zullen vastbeslotener zijn
elke opzettelijke fout te vermijden.
Het heilig ontzag voor God, verbonden met de liefde, geeft
een bijzondere kracht aan het leven van de christen. Hierdoor kan niets hem
doen beven, want niets kan hem nog scheiden van de liefde Gods.15 De ziel bevestigt zich in de deugd van hoop, en
raakt vrij van een misleidend en zorgeloos gevoel van veiligheid, door het
bewaren van een waakzame liefde -cor meum vigilat-
tegen de lokstemmen van de bekoring.
Laten we onze Moeder Maria, Refugium
peccatorum, toevlucht van de zondaars, vragen om ons goed te laten
begrijpen hoeveel we verliezen, telkens wanneer we het pad verlaten dat naar
haar Zoon Jezus leidt, zelfs als onze fouten slechts kleine fouten zijn.
-1. Ps 62,2. -2. H. Bernardus, Overwegingen 5,15.
-3. Gebed van de mis. -4. Ps 110,10.
-5. Sir 27,3-4. -6. Lc
12,4. -7. Hnd 9,31. -8. H. Augustinus,
Preken over nederigheid en de vrees voor God. -9
Kard. J. H. Newman, Parochiepreken,
24. -10. 1 Joh 4,18. -11. B. Baur, Die häufige Beichte.
-12. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 435. -13. Vgl. Johannes Paulus ii, Reconciliatio
et poenitentia, 31,III. -14. B. Baur,
o.c. -15. Vgl. Rom
8,35-39.
|