Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Twaalfde zondag door het jaar (C)

39. Liefde en ontzag voor God

-Liefde tot God en onderwerping aan zijn oneindige heiligheid. -Het belang van kinderlijke vrees voor de ontworteling van de zonde. -De biecht en het heilig ontzag voor God.

39.1 God, mijn God zijt Gij, ik zoek U met groot verlangen. Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart, als dorre akkers naar regen. Naar U dorst mijn ziel, Heer, en hunkert mijn hart...1, zo bidden wij in de tussenzang van de mis, en maken wij ons het liturgisch gebed eigen. Om steeds dichter tot God te naderen moeten we op twee stevige fundamenten steunen, die met elkaar verbonden zijn en elkaar aanvullen: vertrouwen en respectvolle eerbied; nabijheid en eerbiedige onderwerping; liefde en vrees. «Dat zijn de twee armen waarmee we God omarmen»2, leert de heilige Bernardus ons. We voelen ons aangetrokken tot God de Vader, vervuld van barmhartigheid en goedheid, de volheid van al wat waarlijk goed is. En tegelijkertijd, in de wetenschap dat we minder dan niets zijn, knielen we nederig neer voor deze God, absoluut onovertroffen, majesteitelijk, hoog verheven. We onderwerpen onze wil aan Hem en vrezen zijn rechtvaardige straffen. In de mis van vandaag bidden we aldus: Sancti nominis tui, Domine, timorem pariter et amorem fac nos habere perpetuum... 3 Liefde en een heilige kinderlijke vrees zijn de twee vleugels die ons tot Hem zullen verheffen.

De vrees voor God is het begin van alle wijsheid4, leert de Heilige Schrift ons. Ze is de basis van alle deugden, want als iemand niet sterk en ijverig is in de vrees voor de Heer, zal snel en onverwijld zijn huis te gronde gaan.5 Christus zelf leert zijn vrienden dat ze niet degenen moeten vrezen die het lichaam kunnen doden, want méér kunnen die niet doen. Ik zal u zeggen wie gij moet vrezen, zegt Hij tegen zijn trouwste volgelingen, tot hen die alles achtergelaten hebben om Hem te volgen: Vreest Hem die, nadat Hij gedood heeft, macht bezit om in de hel te werpen. Ja, Ik zeg u, vreest Hem.6 De Handelingen van de apostelen vertellen ons hoe de Kerk in de begintijd groeide, hoe ze steeds meer werd bevestigd in de vreze des Heren, en gestadig toenam in aantal door de vertroosting van de heilige Geest.7

We moeten niet vergeten dat de liefde voor God sterker wordt, hoe verder we van de doodzonde verwijderd zijn, en hoe groter de inspanningen zijn die we doen om de opzettelijke dagelijkse zonde te vermijden. De heilige vrees voor God is een grote hulp voor ons om deze strijd tegen alles wat Hem beledigt vol te houden. Het is altijd een kinderlijke vrees, namelijk die van een zoon die ervoor terugdeinst zijn Vader pijn en droefheid te bezorgen. Hij weet wie zijn Vader is, wat de zonde inhoudt, en de oneindige scheiding die deze voor de zondaar, ten opzichte van zijn Vader, teweeg brengt. Daarom zegt de heilige Augustinus: «Gezegend de ziel die God vreest, omdat ze sterk is tegenover de bekoringen van de duivel. Gezegend is de man die de Heer altijd vreest (Spr 28,14), en hij aan wie het gegeven is de vrees voor de Heer gedachtig te zijn. Hij die God vreest zal het pad van het kwaad verlaten en trouw het pad van de deugd volgen. De vrees voor God maakt een man behoedzaam en waakzaam om zonde te vermijden. Het losbandig leven triomfeert als er geen vrees voor God is.»8

Liefde voor God en kinderlijke vrees zijn twee aspecten van dezelfde houding, die ons in staat stelt veilig door het leven te gaan. Als we de oneindige goedheid van God overwegen, die ons nabij komt in de heilige mensheid van Jezus Christus, worden we ertoe bewogen meer en meer van Hem te houden. Als we de majesteit en de rechtvaardigheid van God en onze eigen nietigheid beschouwen, dan wordt de vrees gewekt God te bedroeven, en de vrees om Hem die wij zo zeer beminnen, vanwege onze persoonlijke zonden te verliezen. Derhalve «vrees en liefde moeten samengaan», raadt kardinaal Newman ons aan. «Blijf vrezen, blijf liefhebben, tot de laatste dag van je leven.»9 Vanaf dat moment zal alleen de liefde overblijven. De volmaakte liefde drijft de vrees uit.10

39.2 Het heilig ontzag voor God is een garantie en steun voor de ware liefde. Het helpt ons om definitief te breken met de doodzonden. Het beweegt ons ertoe boete te doen voor de zonden die we hebben bedreven, en behoedt ons voor opzettelijke fouten. «De gedachte aan de straf die we voor onze zonden verdienen, zal ons helpen in het trotseren van de dagelijkse moeilijkheden en strijd, zonder welke er geen echte bevrijding van de zonde of een volledige vereniging met God kan zijn. We hebben altijd, inderdaad, meer dan voldoende redenen om doordrongen te worden van de vrees voor God, als we denken aan de vele gelegenheden tot zonde om ons heen, aan onze eigen zwakheid, de kracht van onze ongeordende gewoonten, onze natuurlijke neiging om toe te geven aan de druk van onze eigen begeerten van binnen uit en de aantrekkingskracht van de wereldse genoegens van buitenaf, de vele fouten, nalatigheden en gebreken waaraan we ons elke dag schuldig maken.»11 Is het, als men geconfronteerd wordt met een dergelijke persoonlijke zwakheid, nog mogelijk onbevreesd te zijn? Is het dan mogelijk ons vertrouwen niet te stellen op de oneindige goddelijke goedheid?

Kinderlijke vrees houdt ons gemoed af van de zonde, en houdt onze ziel waakzaam tegen valse en misleidende zelfgenoegzaamheid. Het grootste gevaar is misschien juist dat gebrek aan bezorgdheid over de zonde die we begaan hebben, en een onnadenkendheid en oppervlakkigheid die eventueel kunnen leiden tot een totaal verlies van het zondebesef. Deze houding, die we kunnen waarnemen bij degenen die terug lijken te vallen in het heidendom, is het gevolg van het verlies van deze heilige vrees voor God. In zo'n deplorabele situatie wordt het beledigen van God belachelijk gemaakt, afgedaan als iets onbeduidends, of anders als minder erg beschouwd. De meest ernstige dwalingen en zonden worden voor 'heel natuurlijk' gehouden, omdat de relatie is verbroken tussen het schepsel en zijn Schepper, van wie het schepsel juist voor zijn hele bestaan afhankelijk is. De meest ernstige vervormingen van het geweten, en daardoor van de wezenlijke levensoriëntatie van de mens, hebben vaak hun oorsprong in het verlies van deze houding van heilige eerbied voor Hem die alles uit het niets geschapen heeft.

Kinderlijke vrees en liefde gaan altijd samen. Als we de kinderlijke vrees voor God zouden afwijzen -het verlangen om Hem te behagen, de zorg Hem niet te grieven-, dan zouden we het gevaar lopen dat we de ascetische strijd gaan veronachtzamen en dat we vallen in een vals, aanmatigend vertrouwen op de goedheid van God. Maar als men aan de andere kant enkel bewogen wordt door vrees, snijdt men zich af van de grote en barmhartige liefde van God onze Vader, van kinderlijke eenvoud en vertrouwvolle overgave. Deze houdingen zijn wezenlijk voor een ziel die streeft naar heiligheid.

Het begin van de vrees voor God is een onvolkomen liefde, want ze is gebaseerd op vrees voor straf. Maar deze vrees kan en moet verheven worden tot een kinderlijke houding, waardoor we komen tot het boven alles beschouwen van de grootheid van God, zijn oneindige majesteit en onze situatie als schepsels. «Timor Domini sanctus. De vrees voor God is heilig. Vrees die nooit slavenvrees is, maar verering van een zoon voor zijn vader; want God, je Vader is geen tiran.»12 Ze wordt omgevormd tot de vrees van een kind dat oprecht van zijn Vader houdt, en deze liefde geeft hem de kracht om alles te vermijden dat zijn vader pijn zou kunnen doen of hen van elkaar zou kunnen scheiden.

39.3 Wanneer we het sacrament van vergeving en verzoening willen gaan ontvangen, zal het ons veel helpen, als we de heilige vrees voor God in onze ziel koesteren. Om het sacrament te ontvangen, is een 'slaafs' berouw (een bovennatuurlijk maar onvolmaakt verdriet, dat voortkomt uit angst voor de straf, of afkeer van de lelijkheid van de zonde...) voldoende. Maar we zullen veel meer genade ontvangen, als we onze ziel bewegen tot een gevoel van kinderlijke vrees, omdat we de almachtige God -die ook nog onze Vader is- beledigd hebben. Het zal veel gemakkelijker zijn vanuit deze kinderlijke houding te komen tot een innig berouw, een berouw dat uit liefde ontspringt, tot een houding van smart gebaseerd op liefde. Zo wordt de biecht een zeer grote bron van genade, een plaats waar de liefde voortdurend sterker wordt.13

Het innerlijke leven groeit in tederheid en diepte, als we steeds deze waarheden voor ogen houden, die ons de fundamenten openbaren van deze gave van de heilige Geest: Gods heiligheid en onze ellende, onze dagelijkse fouten, de absolute afhankelijkheid van het schepsel van zijn Schepper, het belang van één enkele dagelijkse zonde in het zicht van de goddelijke heiligheid, de ondankbaarheid die blijkt uit ons gebrek aan edelmoedigheid om overeenkomstig de eisen van onze roeping te leven...14 Vooral zullen we het mysterie van de zonde beter begrijpen, als we de gewoonte aannemen het lijdensverhaal van de Heer vaak te beschouwen. We zullen leren lief te hebben, en daarbij beducht te zijn ook maar één enkele dagelijkse zonde te begaan. Als we het lijden beschouwen dat Christus doorstond voor onze zonden, voor de zonden van ieder afzonderlijk, dan zal onze hoop versterkt worden en ons berouw intenser zijn, en we zullen vastbeslotener zijn elke opzettelijke fout te vermijden.

Het heilig ontzag voor God, verbonden met de liefde, geeft een bijzondere kracht aan het leven van de christen. Hierdoor kan niets hem doen beven, want niets kan hem nog scheiden van de liefde Gods.15 De ziel bevestigt zich in de deugd van hoop, en raakt vrij van een misleidend en zorgeloos gevoel van veiligheid, door het bewaren van een waakzame liefde -cor meum vigilat- tegen de lokstemmen van de bekoring.

Laten we onze Moeder Maria, Refugium peccatorum, toevlucht van de zondaars, vragen om ons goed te laten begrijpen hoeveel we verliezen, telkens wanneer we het pad verlaten dat naar haar Zoon Jezus leidt, zelfs als onze fouten slechts kleine fouten zijn.

-1. Ps 62,2. -2. H. Bernardus, Overwegingen 5,15. -3. Gebed van de mis. -4. Ps 110,10. -5. Sir 27,3-4. -6. Lc 12,4. -7. Hnd 9,31. -8. H. Augustinus, Preken over nederigheid en de vrees voor God. -9 Kard. J. H. Newman, Parochiepreken, 24. -10. 1 Joh 4,18. -11. B. Baur, Die häufige Beichte. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 435. -13. Vgl. Johannes Paulus ii, Reconciliatio et poenitentia, 31,III. -14. B. Baur, o.c. -15. Vgl. Rom 8,35-39.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 07 feb 2012