Tweede week. Woensdag
11. LIEFDE MET DADEN
-Onze Heer beminde ons het eerst. Liefde wordt beantwoord
met liefde. De heiligheid in de gewone plichten van elke dag. -Waarachtige
liefde. De Wil van God. -Liefde en het gevoel. Overgave aan God. Vervulling van
onze plichten.
11.1
Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon
heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig
leven zal hebben.1
Met deze woorden van het evangelie van de Mis wordt ons
duidelijk gemaakt, hoe het Lijden en de Dood van Jezus Christus de opperste
uiting is van Gods liefde voor de mensen. Hij nam in de liefde het initiatief,
door voor ons Hèm over te leveren die Hij het meest liefheeft, waarin Hij
welbehagen heeft2 -zijn
eigen Zoon. Ons geloof «is een openbaring van zijn goedheid, van de
barmhartigheid, van de liefde van God voor ons. God is Liefde (Joh
4,16), dat wil zeggen, liefde die doordríngt, zich verspreidt en die kwistig
is. En alles wordt samengevat in deze grote waarheid, die alles verklaart en
alles verlicht. Het is nodig om de geschiedenis van Christus in dit licht te
zien. Hij heeft mij liefgehad, schrijft de heilige Paulus en ieder van
ons kan en behoort ditzelfde voor zichzelf te herhalen: Hij heeft mij
liefgehad en heeft zichzelf voor mij opgeofferd (Gal 2,20).»3
De liefde van God voor ons bereikte zijn toppunt in het Offer
van Calvarië. God hield de arm van Abraham tegen, toen hij op het punt stond
zijn enige zoon te offeren, maar Hij hield van niemand van degenen die zijn
Eniggeboren Zoon op het Kruis nagelden, de arm tegen. Daarom roept, van hoop
vervuld, de heilige Paulus uit: Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet
gespaard... en zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken? 4
De zelfgave van Christus vormt een dringende oproep tot
instemming met zijn liefde: liefde wordt beantwoord met liefde. God schiep de
mens naar zijn beeld en gelijkenis.5 En God is Liefde.6 Daarom is het hart van de mens geschapen voor de
liefde en hoe meer hij liefheeft, des te meer wordt hij vergoddelijkt; alleen
wanneer hij bemint, kan hij gelukkig worden. En God wil dat wij gelukkig zijn,
ook hier op aarde; de mens kan niet leven zonder liefde.
Het centrum van de persoonlijke heiligheid is de liefde voor
Christus, niet de strijd tegen de zonde. De Christus, die zich als echt mens
aan ons laat zien, is volkomen op de hoogte van alles wat ons betreft. De
liefde van God voor de mens en van de mensen voor God is er een van wederzijdse
vriendschap. En een van de bijzondere kenmerken van vriendschap is omgang met
elkaar. Om onze Heer lief te hebben is het nodig Hem te kennen, tot Hem te
spreken. We leren Hem kennen door te mediteren over zijn leven in het heilig
Evangelie. Daarin toont Hij zichzelf aan ons als innemend en menselijk,
middenin ons leven. We ontmoeten Hem in het gebed en in de sacramenten,
bijzonder in de heilige eucharistie.
Overweging van de allerheiligste Mensheid van onze Heer -in
het bijzonder wanneer we het evangelie lezen en wanneer we de geheimen van de
rozenkrans overwegen- voedt voortdurend onze liefde tot God en vormt een
levendig onderricht over hoe wij onze dag moeten heiligen. In zijn verborgen
leven wilde Jezus afdalen tot in de meest gewone dingen van het menselijk
bestaan, tot in het dagelijks leven van een handarbeider die een gezin
onderhoudt. En zo zien wij Hem gedurende bijna heel zijn leven dag na dag aan
het werk. Hij onderhoudt zijn gereedschap in de kleine werkplaats, Hij gaat
vriendelijk en met eenvoud om met de buren, die Hem kwamen vragen een tafel te
maken of een dakspant voor een nieuw huis, Hij zorgt met veel tederheid voor
zijn Moeder. Zo vervulde Hij de wil van zijn Vader, God, gedurende die dertig
jaar. Als wij naar zijn leven kijken, leren we ons eigen werk te heiligen, onze
familie, onze vriendschappen. Alles wat werkelijk menselijk is kan heilig zijn,
kan een kanaal zijn voor onze liefde tot God, omdat door zijn menswording onze
Heer het heiligde.
11.2 Weten dat God met een onbegrensde liefde van
ons houdt, is het goede nieuws dat vreugde en zin aan ons leven geeft. Dit is
de wonderlijke openbaring die de verrezen Christus ons laat weten om aan alle
mensen te verkondigen. Ook wij kunnen zeggen: wij hebben de liefde erkend
die God voor ons heeft en wij geloven in haar.7 En tegenover deze liefde, voelen wij ons
niet bij machte uitdrukking te geven aan wat onze harten ook niet in staat zijn
aan te voelen: «Te weten, dat U, mijn God, mij zozeer liefhebt en... ik heb mijn
verstand nog niet verloren!» 8
Alles wat onze Heer voor ons heeft gedaan en doet, is
uitstorting van zijn zorg en zijn genade: zijn Menswording, zijn lijden en dood
op het kruis die wij kort geleden hebben overwogen, telkens opnieuw de vergeving
van onze zonden, zijn blijvende tegenwoordigheid in onze tabernakels, de hulp
die Hij ons elke dag zendt. Onze instemming met zo'n liefde behoort door ons
nooit als voldoende te worden geacht, indien wij alles in overweging nemen wat
Hij voor ons heeft gedaan en doet. Het grootste bewijs van deze instemming is
trouw, oprechtheid, de onvoorwaardelijke aanhankelijkheid aan de Wil van God.
Jezus onderricht ons in dit opzicht, door ons zijn onbeperkt verlangen de Wil
van zijn Vader te doen als voorbeeld voor ons te stellen. Hij zegt ons: Mijn
spijs is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te
volbrengen.9 En
Hij zegt ook: gelijk Ik, die de geboden van mijn Vader heb
onderhouden en in zijn liefde blijf.10
De wil van God voor ons is voornamelijk te vinden in de
trouwe vervulling van de geboden en de andere leerstellingen, ons voorgehouden
door de Kerk. Daarin vinden wij wat God van ons verlangt. En in hun vervulling,
gedaan met de verheven waardigheid van ons als mens en in het bewustzijn van de
blijvende tegenwoordigheid van God, ontdekken we de liefde en de heiligheid van
God.
Liefde voor God bestaat niet in waarneembare gevoelens,
ofschoon die ook door onze Heer aan ons gegeven kunnen worden om ons te helpen
edelmoediger te zijn. In werkelijkheid bestaat zij in de volle vereenzelviging
van onze wil met die van God. Daarom moeten wij onszelf regelmatig afvragen:
Doe ik op dit ogenblik, wat ik behoor te doen?11 Draag ik mijn bezigheden aan God op bij
het begin en gedurende het afwerken daarvan? Corrigeer ik mijn bedoeling, als
ijdelheid en de gedachte van 'wat zullen de mensen zeggen' beginnen op te
komen? Probeer ik mijn werk met menselijke volmaaktheid te doen? Ben ik een
blijvende bron van vreugde voor hen, die met mij leven of werken? Brengt mijn
dagelijkse aanwezigheid onder hen ze dichter bij God?
Liefde wordt met liefde beantwoord, maar het moet waarachtige
liefde zijn, die wordt opgemerkt door de duidelijke wijze waarop zij onze
plichten tegenover God en tegenover anderen begeleidt. Dit zelfs wanneer het
ons tegenstaat en het voor ons een zware strijd is. De heilige Theresia
schreef: «De hoogste volmaaktheid bestaat niet uit innerlijke gunsten en
verrukkingen, maar in onze wil zó dicht bij de Wil van God te laten aansluiten
dat, zo spoedig we bemerken dat Hij iets wat dan ook wil, wij het zelf uit alle
macht willen.»12
Liefde moet doorgaan te overleven zelfs als er volledige
dorheid heerst. Als onze Heer zou toelaten dat dit gebeurt, moet de liefde
volhouden en blijven bestaan. Het is gewoonlijk in die situaties, dat onze
betrekking met onze Heer wordt gezuiverd en versterkt.
11.3 In de dienst van God behoort een christen te
worden geleid door het geloof, om op die manier hoogte- en laagtepunten van
stemmingen te overwinnen: «Mijzelf laten leiden door gevoel zou zoiets zijn als
een bediende de leiding van het huishouden te geven en de meester zijn positie
te laten afstaan. Gevoel is op zich niet slecht, maar er wordt soms te veel
waarde aan gehecht... De gevoelens vormen in sommige zielen al hun vroomheid, in
die mate, dat zij ervan overtuigd zijn de vroomheid te hebben verloren zodra
het gevoel verdwijnt... Als die zielen toch maar zouden begrijpen dat dìt juist
het ogenblik is, waarin wordt begonnen met de ware vroomheid te hebben!»13
Liefde die echt is, of de zintuigen er nu deel aan hebben of
niet, omvat alle facetten van ons bestaan, in een ware eenheid van leven; het
leidt ons ertoe «God overal bij te betrekken waar het anders, zonder Hem,
banaal zou zijn. Iemand, wiens vroomheid niet oppervlakkig is, streeft ernaar
zijn plicht te vervullen: oprechte toewijding leidt tot werken, tot een echte
vervulling van de plichten van elke dag, zelfs wanneer dit moeilijk is. Er is
een innige band tussen deze innerlijke bovennatuurlijke werkelijkheid en het
uiterlijk van onze menselijke aktiviteit. Beroepswerk, menselijke verwantschap
of vriendschap en gezelschap, het streven -schouder aan schouder met onze
medeburgers- naar het bereiken van het welzijn en de vooruitgang van de
maatschappij, zijn de natuurlijke vruchten en een logisch gevolg van deze
levenskracht van Christus die het leven is van iedere ziel.»14 Valse vroomheid
heeft geen enkele invloed op het gewone leven van een christen. Het wordt niet
vertaald in een beter gedrag bij zichzelf of in het helpen van anderen.
De vervulling van de wil van God in de -gewoonlijk kleine-
plichten van elke dag is de meest zekere gids voor de christen, die de
heiligheid moet vinden te midden van de aardse werkelijkheden. Er zijn zeer
verschillende manieren waarop die plichten gedaan kunnen worden: gelaten, zoals
iemand die geen alternatief heeft om ze te volbrengen; ze aanvaarden, dat houdt
een meer diepgaande en overdachte toezegging in; graag willen wat God wil
omdat, zelfs ofschoon het op dat ogenblik misschien niet wordt ingezien, de
christen weet dat God onze Vader is en voor zijn kinderen het beste wil; of
zelfs beter nog: met volle overgave te allen tijde de Wil van God aannemend,
zonder enige grenzen daaraan te stellen. Dit laatste is het, wat onze Heer van
ons vraagt: zonder enige voorwaarden van Hem houden, zonder te wachten op meer
gunstige omstandigheden, in de gewone dingen van elke dag en, als Hij dat zo
duldt, in moeilijker en buitengewone omstandigheden. «Als je je werkelijk op de
Heer verlaat, zul je leren tevreden te zijn met wat er gebeurt, en je
gemoedsrust niet verliezen, als het resultaat niet is wat je had gewild,
ondanks alle moeite die je hebt gedaan en ondanks het feit, dat je al de nodige
middelen hebt gebruikt... Want dàt is dan het 'resultaat' dat God ervan
verwachtte.»15
Laat ons tegen onze Heer zeggen met de woorden van een gebed
dat de Kerk ons aanbeveelt voor na de Mis: Volo quidquid vis, volo quia vis,
volo quomodo vis, volo quamdiu vis: Ik wil al wat Gij wilt, ik wil omdat
Gij wilt, ik wil zoals Gij wilt, ik wil zolang Gij wilt.16
De heilige Maagd die in woord en daad beantwoordde aan dat: Mij
geschiede naar uw woord17, zal ons helpen de Wil van God in alles te
vervullen.
-1. Joh 3,15. -2. Vgl. Mt 3,17. -3. Paulus vi, Homilie, 13 juni
1975. -4. Rom 8,32. -5. Vgl. Gn 1,27. -6. 1 Joh 4,8.
-7. 1 Joh 4,16. -8. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 425. -9. Joh 4,34. -10. Joh
15,10. -11. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá,
o.c., 772. -12. H. Theresia van Avila,
De kloosterstichtingen, 5,10. -13. J. Tissot, La vie intérieure. -14. In memoriam Mgr.
Escrivá, Eunsa, Pamplona. -15. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 860. -16. Romeins Missaal, Gebed
van Paus Clemens XI. -17. Lc 1,38.
|