Achtste week door het jaar. Vrijdag
8. LIEFDE UIT ZICH IN DADEN. APOSTOLAAT
-Vervloeking van de vijgenboom die alleen bladeren droeg.
Elke tijd, elke omstandigheid dient geschikt te zijn om vruchten van heiligheid
en apostolaat voort te brengen. -Liefde uit zich in daden en niet in mooie
praatjes. -De liefde tot God treedt naar buiten in een blij en initiatiefrijk
apostolaat.
8.1 Jezus ging vanuit Bethanië
naar Jeruzalem, dat een paar kilometer verderop lag, en Hij kreeg honger, zoals de heilige Marcus ons verhaalt in
het evangelie van de mis.1 Het is een van de
vele gelegenheden waarbij de allerheiligste mensheid blijkt van Christus, die
ons heel nabij wilde zijn en wilde delen in de beperkingen en behoeften van de
menselijke natuur, om ons te leren deze te heiligen. De evangelist wijst ons
erop, dat Jezus een stukje bij de weg vandaan een vijgenboom zag. Hij ging
ernaar toe om te zien of er iets te eten was, maar Hij vond
er niets dan bladeren; het was trouwens niet de tijd van de vijgen. De
Heer vervloekte de boom: Niemand zal in eeuwigheid nog
vruchten van je eten! Die dag keerden zij 's
avonds laat van Jeruzalem naar Betanië terug. Jezus verbleef daar
waarschijnlijk in het huis van een bevriende familie waar Hij altijd welkom
was: het huis van Lazarus, Martha en Maria. En de volgende morgen, toen zij op
weg waren naar de heilige stad, zagen zij allemaal dat de vijgenboom tot op de wortel verdord was.
Jezus wist natuurlijk, dat het niet de tijd van de vijgen
was, dat de vijgenboom geen vruchten zou hebben, maar Hij wilde zijn
leerlingen, op een manier die hun altijd bij zou blijven, leren dat God naar
het joodse volk gekomen was met een honger naar vruchten van heiligheid en
goede werken, maar niets anders aantrof als uiterlijke praktijken zonder enige
bezieling, waardeloos dor gebladerte. Bij die gelegenheid leerden de apostelen
ook, dat elke tijd goed moet zijn om vruchten voort te brengen. Om heilig te
worden moeten wij niet gaan wachten op bijzondere omstandigheden. God komt naar
ons toe en verwacht goede werken, tijdens een ziekte, bij het gewone werk en
zowel in situaties waarin wij zeer veel te doen hebben, alsook wanneer alles
goed georganiseerd is en op rolletjes loopt, zowel op momenten van
vermoeidheid, als tijdens vakanties, na een mislukking, als we geruïneerd zijn,
als de Heer dat toelaat, en in tijden van overvloed... Juist al deze
omstandigheden kunnen en moeten vrucht dragen: verschillend misschien, maar
altijd uniek en schitterend. In alle omstandigheden moeten wij God vinden,
omdat Hij ons naar de omstandigheden genade geeft. «Ook gij -zegt de heilige Beda-
dient ervoor te waken geen onvruchtbare boom te zijn om aan Jezus, die zichzelf
arm gemaakt heeft, de vrucht te kunnen aanbieden waaraan Hij behoefte heeft.»2 Hij wil dat wij Hem altijd beminnen met daden, op
elk moment, op elke plaats, ongeacht de situatie waarin wij ons bevinden.
Zorgen wij ervoor nu vrucht voort te brengen, op deze leeftijd, op dit moment
en in de omstandigheden waarin wij ons nu bevinden? Wachten wij op gunstiger
omstandigheden om onze vrienden naar God te brengen?
8.2 De woorden van Jezus zijn
hard: Niemand zal in eeuwigheid nog vruchten van je eten. Jezus vervloekt die
vijgenboom, omdat Hij er enkel bladeren aan vindt, schijn van vruchtbaarheid,
gebladerte. Hij maakt een opvallend gebaar, opdat zijn onderricht goed gegrift
blijft in de ziel van zijn leerlingen en in de onze. Het innerlijk leven van de
gelovige brengt, als het een echt innerlijk leven is, vruchten voort:
uitwendige vruchten, die anderen van nut zijn. «Men heeft vaak -zegt de H.
Jozefmaria Escrivá- het gevaar benadrukt van daden zonder innerlijk leven die
deze bezielen. Daarnaast moet echter ook het gevaar onderstreept worden van een
innerlijk leven -als dat al mogelijk is- zonder daden. 'Liefde uit zich in
daden en niet in mooie praatjes.' Ik kan niet zonder emotie aan dit vriendelijk
verwijt denken -een goddelijke inspraak- dat de Heer met helderheid en vuur in
de ziel van een arme priester grifte, toen deze, jaren geleden, aan een stel
nonnen de heilige communie uitreikte. Zonder woorden te gebruiken, had deze
priester in zijn hart tot Jezus gezegd: Ik houd meer van U dan zij hier. Blijft
niet stil zitten, mijn kinderen, aan de slag. Dapper, energiek, met
levensvreugde, want de liefde drijft de vrees uit
(vgl. 1 Joh 4,18), stoutmoedig, zonder angstvalligheid... Vergeet niet, als
jullie willen, lukt alles: Deus non denegat gratiam,
God ontzegt de hulp van zijn genade niet aan wie doet wat hij kan.»3 Het gaat erom in alle omstandigheden te leven vanuit
het geloof, en de middelen aan te wenden die binnen ons bereik liggen. Om apostolaat
te doen moeten wij niet met de armen over elkaar op ideale omstandigheden gaan
zitten wachten, die misschien nooit komen. Wij moeten niet wachten tot wij alle
menselijke middelen hebben om voor God aan de slag te gaan, maar met daden de liefde
tonen die wij in ons hart meedragen. Wij zullen met dankbaarheid en
verwondering zien hoe de Heer onze pogingen, die altijd mager zijn in
verhouding tot wat Hij van ons vraagt, vergroot en vruchtbaar maakt.
Als ons innerlijk leven -de omgang met God in het gebed en de
sacramenten- echt is, vertaalt het zich noodzakelijkerwijs in concrete daden
van apostolaat door middel van vriendschap en familiebanden; geestelijke of
lichamelijke werken van barmhartigheid, naargelang de omstandigheden;
onderricht geven aan onwetenden (b.v. voordrachten houden, of meewerken aan
catechetische vorming); opportune raad geven aan wie aarzelt of de kluts kwijt
is...; meewerken aan onderwijs-initiatieven waarbij een katholieke visie op het
leven centraal staat, zieken en ouderen die vrijwel in de steek gelaten zijn,
gezelschap houden en troosten...
Het innerlijk leven moet altijd en zonder onderbreking, onder
alle omstandigheden, in de meest verschillende vormen, naar buiten treden door
werken van barmhartigheid, door concreet apostolaat. Innerlijk leven dat niet
blijkt uit concrete daden, blijft steken in pure schijn, raakt
noodzakelijkerwijs vervormd en sterft af. Als onze intimiteit met Christus
groeit, spreekt het vanzelf dat ons werk beter wordt, en ook ons karakter, onze
bereidheid tot versterving, de wijze waarop wij omgaan met de mensen die wij in
ons dagelijks leven om ons heen hebben, de sociale deugden: begrip,
hartelijkheid, optimisme, orde, vriendelijkheid... Het zijn de vruchten die de
Heer hoopt aan te treffen, als Hij iedere dag naar ons toe komt. Om te groeien,
om te overleven moet de liefde zich uiten in concrete dingen.
8.3 Jezus trof niets anders aan
als bladeren... Een christen brengt geen duurzame vruchten voort, als hij, bij
gebrek aan innerlijk leven, of omdat hij niet voldoende met God verenigd is en
niet in diens aanwezigheid zijn apostolische taak overdenkt, 'activisme' een
kans geeft -druk doende zijn, van hot naar haar rennen..., zonder de ruggensteun
van een diep gebedsleven- wat achteraf vruchteloos blijkt te zijn, inefficiënt
en heel vaak het symptoom van een gebrek aan zuivere mening. Zo'n activiteit is
niet anders als een puur menselijke onderneming, zonder bovennatuurlijk waarde,
misschien een gevolg van eerzucht, van het verlangen zich te laten gelden dat
een rol kan spelen in alles wat de mens doet, zelfs tot in het allerverhevenste
toe. Er wordt terecht gewaarschuwd tegen het gevaar van 'activisme': bezig zijn
met goede werken, maar die niet geschraagd zijn door een innerlijk leven. De
heilige Bernardus, en na hem een reeks andere auteurs, noemde dit «vervloekte
bezigheden».4
We kunnen echter ook te maken hebben met een gebrek aan echte
vruchten in het apostolaat door passiviteit, door een gebrek aan daden van
liefde. En zoals activisme slecht en steriel is, zo is passiviteit fataal, want
de christen kan zichzelf bedriegen door te geloven dat hij God bemint, omdat
hij vroom is. Inderdaad is hij dat, maar op een onvolmaakte manier, omdat hij
er niet door aangezet wordt het goede te doen. Die vrome praktijken zonder
vruchten zijn leeg en steriel gebladerte want echt innerlijk leven leidt tot
een intens apostolaat in alle omstandigheden en in elke omgeving, tot een
optreden met onverschrokkenheid, met stoutmoedigheid, initiatiefrijk, met
voorbijzien aan menselijk opzicht, «met levensvreugde», met de kracht van een
altijd jonge liefde. Laten wij nu, terwijl wij spreken met de Heer, in deze
tijd van gebed, nagaan of er vruchten zijn in ons leven, vandaag, in het heden.
Ontplooi ik door de overvloed van mijn innerlijk leven, van mijn gebed,
initiatieven, of denk ik juist dat er in mijn omgeving -faculteit, fabriek, kantoor...
- niets gedaan kan worden, dat er onmogelijk meer vruchten voor de Heer
verworven kunnen worden. Verbind ik me? Help ik daadwerkelijk mee aan
apostolaatswerken? Of, 'bid ik alleen maar.' Rechtvaardig ik mij door mijzelf
voor te houden, dat ik naast mijn gezin, mijn werk en mijn normen van
vroomheid, geen tijd heb? Dan zal als regel het werk, het gezinsleven...
evenmin aanleiding tot apostolaat zijn.
Liefde uit zich in daden... De echte liefde tot God uit zich
in een aangeworven, met vastberadenheid verricht apostolaat. En als de Heer ons
passief aantreft, terwijl wij ons beperken tot enige godvruchtige praktijken zonder
een vreugdevol en volhardend apostolaat, zou Hij ons misschien in de intimiteit
van ons hart kunnen zeggen: meer daden... en minder mooie praatjes. Praatjes
vullen geen gaatjes. Er zijn in de loop van de dag heel wat gelegenheden om -op
duizend-en-een verschillende manieren- Christus bekend te maken, als onze
liefde maar echt is. Het innerlijk leven zonder apostolische ijver
verschrompelt en sterft; het blijft louter schijn. De volgende morgen kwamen zij langs de vijgenboom en zagen dat hij tot op de wortel
verdord was, volledig. Het is het tekenende beeld van mensen die uit
gemakzucht, luiheid, door gebrek aan offervaardigheid niet díe vruchten voortbrengen
die de Heer verwacht. Een apostolisch leven, en dat moet het leven van iedere
christen zijn, is het tegenovergestelde van deze dorre vijgenboom: het is
leven, initiatief, geestdrift voor de apostolische opdracht, liefde die zich
uit in daden, blijdschap, een misschien stille, maar niet aflatende
activiteit...
Laten wij ons leven onderzoeken en kijken of wij de Heer, die
ons nabij is met zijn honger en dorst naar zielen, rijpe vruchten, voltooide
werken met een blijde offervaardigheid kunnen aanbieden. In de geestelijke
leiding kunnen wij leren onderscheiden wat er in ieder van ons aan 'activisme'
is, waar wij meer moeten bidden, en wat er aan gebrek aan initiatief is,
waarbij wij meer 'activiteit' moeten ontplooien. De heilige Maagd, Onze Lieve
Vrouw zal ons leren aan de slag te gaan, opdat ons innerlijk leven, ons
verlangen God te beminnen, nooit zal verworden tot leeg en waardeloos
gebladerte.
-1. Mc 11,11-26. -2. H. Beda, Commentaar op het
Marcusevangelie, in loc. -3. H.
Jozefmaria Escrivá, Brief, 6 mei 1945. -4.
Vgl. J.B. Chautard, Het
inwendig leven. De ziel van elk apostolaat.
|