Dertiende zondag door het jaar (A)
46. Liefde voor God
-God alleen moet volstrekt en onvoorwaardelijk bemind
worden. Oprechte menselijke genegenheid wordt verheven en veredeld als we God
liefhebben boven alle anderen die wij beminnen. -Er is geen grens of maat aan
de liefde van God. -Hoe de liefde tot God getoond wordt.
46.1 Telkens weer leert Jezus ons
dat God het voornaamste voorwerp van onze liefde moet zijn. We moeten schepselen
beminnen op een daaraan ondergeschikte, tweede plaats. In het evangelie1 zegt Hij ons met woorden die geen ruimte laten voor
twijfel: Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij
niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig.
En Hij vervolgt: Wie zijn leven vindt, zal het verliezen,
en wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.
God alleen moet volstrekt en onvoorwaardelijk worden bemind.
Iedereen en al het andere moet door ons worden bemind in de mate waarin zij
door God worden bemind. De Heer leert ons ware liefde. Hij vraagt ons familie
en naaste lief te hebben, maar zelfs die liefde behoren wij niet boven de
liefde voor God te stellen, waaraan altijd prioriteit gegeven moet worden. Alle
andere aardse liefdes worden verrijkt, gezuiverd en ertoe aangezet toe te nemen
wanneer we God liefhebben. Ons hart wordt groter en onze capaciteit om lief te
hebben neemt toe. We zijn dan in staat alle hindernissen en beperkingen van egocentrisme
te overwinnen die in ons allen, schepselen, aanwezig zijn. De zuivere liefdes
van dit leven worden verheven en nog meer veredeld, indien we God eerst en het
meest van al lief hebben. Om God lief te hebben op de manier waarop Hij wil dat
we Hem liefhebben, moeten we zo ver gaan door ons eigen leven te verliezen, het
leven van de oude mens. We moeten afsterven aan die ongeordende stemmingen die
ons doen overhellen naar en aanzetten tot zonde. We moeten afsterven aan dat
soms brutale egocentrisme dat de mens ertoe leidt zich zelf te zoeken in alles
wat hij doet.2 God wil dat wij alles behouden
wat gezond, oprecht en echt menselijk is in onze natuur, alles wat goed is en
karakteristiek menselijk in elk uniek individu. Geen menselijke waarde zal
verloren gaan. De genade zal de gehele menselijke natuur doordringen en
verheffen. Op deze wijze wordt de persoonlijkheid van de christen die God
liefheeft verrijkt. Hoe meer een mens aan zijn zelfzuchtig ego afsterft, des te
meer wordt hij echt menselijk en des te beter is hij voorbereid op het
bovennatuurlijke leven. De christen die strijdt om zichzelf te verloochenen
ontdekt dat hij een nieuw leven leidt, het leven van Jezus. Genade respecteert
wat karakteristiek is in elk van ons terwijl het tegelijkertijd ons verandert,
zodat we dezelfde houdingen en gevoelens gaan hebben die Christus zelf heeft
betreffende mensen en gebeurtenissen. Dingen begrijpend zoals Hij ze ziet,
beginnen wij Zijn daden na te volgen. Op deze manier ontstaat in ons een nieuw,
eenvoudig en natuurlijk gedrag, dat ons aanzet beter te worden. We worden
vervuld met dezelfde verlangens van Christus: ons enige doel wordt het
vervullen van de wil van de Vader. En dat is de werkelijke uitdrukking van liefde
en haar duidelijkste openbaring. Blijvende wat hij is, wordt de christen door
de hulp van de genade gelijkgemaakt aan Christus, juist in de mate dat hij zich
van zichzelf ontdoet. Ik verlang heen te gaan om met
Christus te zijn, zegt de heilige Paulus.3
Liefde voor God kan niet als een vaststaand gegeven worden
beschouwd. Als we die niet koesteren en er zorg voor dragen, sterft ze af. Maar
als onze wil vast tot God is gericht, dan groeit de liefde juist door de
moeilijkheden. Liefde voor God wordt gevoed in het gebed en het ontvangen van
de sacramenten, in de aanhoudende strijd tegen onze gebreken, in de
onophoudelijke inspanning een levende tegenwoordigheid van God gedurende onze
hele werkdag te handhaven, bij onze betrekkingen met anderen, bij onze momenten
van rust... De eucharistie vooral moet de bron zijn waar onze liefde voor God
bestendig wordt ververst en versterkt. Tot op zekere hoogte is het zo
liefhebben reeds het bezitten van de hemel op aarde.
46.2 De christen wordt verheven
tot de staat van genade zodat hij liefheeft met de liefde van God zelf, die aan
hem wordt gegeven als een groot geschenk.4 Dit
is de kern van de liefde. De christen ontvangt die voor het eerst bij het
doopsel. Hij kan zichzelf voorbereiden op de vermeerdering ervan door gebed, de
sacramenten en goede daden.
Deze liefde voor God wordt ingestort in de ziel van de christen.
Deze liefde «behoort de leefregel te zijn voor al zijn handelingen. Juist zoals
de voorwerpen die we maken geacht worden af te zijn en perfect -in zoverre zij
overeenkomen met de vooropgestelde plannen waarnaar we werken- zo zal elke
menselijke handeling oprecht zijn en deugdzaam als zij overeenkomt met de
goddelijke wet van de liefde. Als die daarvan afwijkt, zal het niet goed of
volmaakt zijn.»5 Al onze daden kunnen gewogen en
gemeten worden met deze regel, omdat de ziel in staat van genade de liefde van
God niet beschouwt als iets vreemds. Liefde breekt niet af. Het brengt orde,
die aan zijn ontvanger die eenheid van liefde in handen geeft die zo karakteristiek
is voor de liefde van God. Vandaar dat het onze wil vervolmaakt en veredelt.
Liefde waarmee we God liefhebben, -en in God hebben we onze
naaste lief- komt tot rijpheid juist in de mate dat we haar beleven. Hoe meer
we beminnen, des te groter de capaciteit die we hebben om te beminnen. «En als
het hart niet volledig bezit wat het bemint, kan het er niets aan doen er naar
te smachten, en lijdt in verhouding tot het gemis aan datgene wat het niet
heeft... Totdat deze vervulling wordt bereikt, is het hart als een leeg vat in
afwachting tot het wordt gevuld, of als een hongerig mens die naar voedsel
snakt, of als een zieke smachtend naar gezondheid, of als iemand in de lucht
zwevend met niets om op te steunen.»6
Er is geen grens of maat aan liefde tot God. Hij verwacht van
ons Hem te beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel en geheel ons
verstand.7 We kunnen altijd toenemen in liefde
tot God. Hij zegt tegen zijn kinderen, elk apart: Mijn
liefde voor u duurt eeuwig, Ik blijf u altijd trouw.8
We bidden tot God dat Hij ons ervan overtuigt dat er slechts
één onvoorwaardelijke liefde is, en dat deze Liefde de bron is van elke
oprechte, edele liefde. Hij die God liefheeft, zal alle schepselen Gods meer en
beter liefhebben. «Bij sommigen is het gemakkelijk hen lief te hebben, bij
anderen is het moeilijker. Wij vinden hen niet aantrekkelijk, zij hebben ons
beledigd of kwaad gedaan. Alleen als ik God ernstig liefheb, kan ik andere
schepselen liefhebben als zijn kinderen, en omdat Hij het mij bevolen heeft. Jezus
heeft ook vastgesteld hoe wij onze naaste moeten liefhebben - niet met gevoel
alleen, maar met daden... Ik had honger als de minste onder mijn broeders. Heb
je mij te eten gegeven? Heb je mij bezocht toen ik ziek was?»9 Heb je me geholpen de last te dragen toen die te
zwaar voor mij was om hem alleen te dragen?
Om onze naasten in God te beminnen hoeven we niet over een
lange en omslachtige weg te gaan, want liefde voor God is een heel korte weg
naar onze broeders. Alleen in God kunnen we andere mensen werkelijk begrijpen
en liefhebben, zelfs als zij ondergedompeld zijn in hun vergissingen en wij in
de onze, en in weerwil van die dingen die menselijkerwijze gesproken ertoe
zouden leiden ons van hen te scheiden of hen te negeren.
46.3 Onze liefde voor God is
enkel een antwoord op Zijn liefde. Hij heeft ons het eerst
liefgehad.10 Onze liefde is de liefde die
God in onze zielen plaatst zodat we ook in staat zijn te beminnen. Dit is de
reden dat we Hem vragen: Heer, geef mij de liefde waarmee Gij wilt dat ik U
liefheb.
Wij beantwoorden de liefde van God als we anderen liefhebben:
wanneer we in hen de waardigheid zien, eigen aan de menselijke persoon zoals
die gemaakt is naar het beeld en de gelijkenis van God, geschapen met een onsterfelijke
ziel en geroepen om glorie te geven aan God in alle eeuwigheid. Liefde is die
gekwetste mens nader te komen die we elke dag op onze weg tegenkomen; zijn
wonden verzorgen, hem genezen en voor hem in alle opzichten zorgen.11 We moeten ons voor hem inspannen, en een ernstige
poging doen hem naar God te brengen. Afscheiding van God is altijd het grootste
van alle kwaad, en diegenen die zo van Hem gescheiden zijn hebben onze hulp en
onze dringende aandacht nodig. Apostolaat is een schitterend teken van onze
liefde voor God, en is de weg om Hem meer te beminnen.
Liefde blijkt veelvuldig in de dankbaarheid. Om dit te
illustreren verhaalt de Heer de parabel van de schuldenaren. Na dit gedaan te
hebben vraagt Hij Simon de Farizeeër welke van de twee schuldenaren, over wie
Hij heeft gesproken, hun edelmoedige schuldeiser meer zou liefhebben.12 Jezus gebruikte het woord 'liefhebben' hier als een
synoniem voor 'dankbaar zijn'. Op deze manier toont Hij ons waarin het
wezenlijke ligt van de genegenheid die de mens verschuldigd is aan zijn voornaamste
schuldeiser, God. Woordafleiding helpt ook om een licht te werpen op de diepe
betekenis van de eucharistie; eucharistie betekent 'dankzegging' voor de gift
van liefde welke het Heilig Sacrament zelf aan ons meedeelt.
Wij beantwoorden aan de liefde van God als we tegen alles
vechten wat ons van Hem scheidt. We moeten elke dag strijden, al is het maar in
kleine dingen. We zullen altijd hindernissen tegenkomen die tussen ons en God
staan: karaktergebreken, zelfzucht, luiheid die ons verhinderen ons werk goed
te beëindigen...
Wij houden van God als ons hele leven een niet ophoudende
zoektocht naar Hem is. Het wordt soms gezegd dat God ons niet alleen niet
zoekt, maar zich voor ons kan verbergen zodat we Hem moeten zoeken. Feitelijk
hoeven we Hem niet ver te zoeken. We kunnen Hem vinden in ons werk, in ons
gezin, in onze vreugde en in ons verdriet... Hij vraagt om onze genegenheid.
Hij plaatst in ons hart het verlangen Hem te zoeken, en moedigt ons voortdurend
aan in onze zoektocht. Als we maar konden begrijpen hoeveel God van ons houdt!
Als we maar met de heilige Johannes konden zeggen: Zo
hebben wij de liefde leren kennen die God voor ons heeft, en wij geloven in
haar!13 Als we dat zouden kunnen, zou het
veel eenvoudiger en gemakkelijker voor ons zijn om van Hem te houden zoals we
behoren te doen. Ons gehele leven moet een voortdurend zoeken zijn naar Jezus,
in goede en in slechte tijden, in ons werk en in onze ontspanning, op straat en
in de schoot van het gezin. Dit zoeken is het enige wat zin kan geven aan onze
levens. Wij kunnen deze taak niet alleen volbrengen. Laten we naar Maria gaan
en haar smeken: «Laat mij niet in de steek, Moeder; maak, dat ik uw Zoon zoek;
maak, dat ik uw Zoon vindt; maak, dat ik uw Zoon bemin... met heel mijn wezen!
Tot u neem ik mijn toevlucht, Vrouwe, tot u.»14 Leer me mij aan Hem vast te houden als mijn eerste
Liefde, Hem die ik om Hemzelf bemin, onvoorwaardelijk, boven alle andere
liefde.
«Wat ben ik voor U, Heer, dat U mij zou opdragen U lief te
hebben; ja, en boos te zijn en mij te dreigen met grote ellende als ik U niet
bemin? Is het dan op zichzelf al geen grote ellende als ik U niet liefheb?»15
-1. Mt 10,37-42. -2. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het
zieleleven van den christen. -3. Fil 1,21-23.
-4. 1 Joh 4,2. -5. H. Thomas van
Aquino, Over het dubbel gebod van de liefde,
Prol. -6. H. Johannes van het Kruis, Geestelijk Hooglied, 9,6. -7. Mt
22,37-38. -8. Jer 31,3. -9. Johannes Paulus ii, Algemene
audiëntie, 27 september 1978. -10. 1 Joh
4,19. -11. Lc 10,30-37. -12. Lc
7,42. -13. 1 Joh 4,16. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 157. -15. H. Augustinus, Belijdenissen,
I, 5,5.
|