Veertiende week door het jaar. Zaterdag
63. Liefde voor de Waarheid
-Wij moeten over God en over Gods onderricht duidelijk,
resoluut en onbevreesd spreken. -Handelen volgens zijn geweten. Oprechtheid met
zichzelf. -Altijd de waarheid zeggen, in grote en in kleine zaken.
63.1 Het evangelie van de mis van
vandaag1 is nog een verdere uitnodiging aan ons
van de Heer om een leven te leiden dat wezenlijk waarheidsgetrouw is; het
gevolg van het geloof dat wij in ons hart dragen. Wij moeten niet bevreesd zijn
voor de onaangenaamheden of kletspraat dat het dichtbij volgen van Christus
soms met zich meebrengt. Voor de leerling moet het
voldoende zijn behandeld te worden als zijn meester, voor de dienaar als zijn
heer. Als men het hoofd van het huisgezin al Beëlzebub durft noemen, hoeveel
temeer dan zijn huisgenoten. Wees niet bang voor hen.
Het kan gebeuren dat wij in een gegeven situatie van laster
of kwaadsprekerij te lijden hebben -of heel eenvoudig van plagerij- omdat wij
naar waarheid hebben gesproken, omdat wij bij de waarheid zijn gebleven. Wellicht
zijn er momenten dat onze woorden of daden verkeerd worden uitgelegd. De Heer
wil dat zijn volgelingen, dat wil zeggen wij, altijd duidelijk en open spreken:
Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht;
en wat u in het oor hoort fluisteren, verkondigt dat van de daken. Met
goddelijke pedagogie had Jezus tot de menigten in parabels gesproken en, beetje
bij beetje, had Hij hun zijn ware persoonlijkheid en de waarheden van het Koninkrijk
onthult. Hij verborg zijn leer nooit. Sinds de komst van de Heilige Geest
moeten degenen die Hem volgen de waarheid verkondigen, in het volle daglicht,
van de daken, zonder angst dat de leer die zij prediken kan botsen met de
leerstellingen die heden in de mode zijn of het meest voorkomen. Hoe anders
kunnen wij de wereld bekeren waarin wijzelf zo diep zijn ingebed?
Sommige mensen denken, ofwel uit tactisch oogpunt ofwel uit
gebrek aan zelfvertrouwen, dat de christelijke opvattingen over wereld, mens en
maatschappij, niet overmatig of opvallend moeten worden beklemtoond als de
omstandigheden tegen hen zijn of wanneer hun reputatie in gevaar zou kunnen
worden gebracht. Als zij dit zouden doen, zouden de christenen als het ware 'in
de val gelopen zijn' van een maatschappij die zijn doeleinden in een radicaal
verschillende richting gelegen schijnt te zien; dan zou het feit mannen en
vrouwen te zijn die Christus beschouwen als hun opperste ideaal, geen
uitwendige weerklank hebben. Dat is niet wat de Heer onderwees. «'Ego palam
locutus sum mundo': Ik heb in het openbaar voor alle mensen gepredikt,
antwoordt Jezus aan Kájafas, als het ogenblik naderbij komt dat Hij zijn leven
voor ons gaat geven. -En toch zijn er christenen die bang zijn om 'palam'
-openlijk- hun eerbied voor de Heer te tonen.»2
In de maatschappij waarin wij leven, zullen we vrijuit moeten
spreken met de zekerheid en de standvastigheid die de waarheid onfeilbaar
verschaft. Wij zullen over vele onderwerpen moeten spreken die van buitengewoon
belang zijn voor het gezin, voor de maatschappij en voor de waardigheid van de
menselijke persoon. Neem de onverbrekelijkheid van het huwelijk, de vrijheid
van onderwijs, de leer van de Kerk over het doorgeven van het menselijk leven,
de waardigheid en schoonheid van de zuiverheid, de voortreffelijkheid van de
maagdelijkheid en het celibaat uit liefde voor Christus, de gevolgen van de
sociale rechtvaardigheid met betrekking tot het onnadenkend uitgeven van geld
of onrechtvaardige lonen... Er kunnen gelegenheden zijn dat wij uit voorzichtigheid
of naastenliefde moeten blijven zwijgen. Maar voorzichtigheid en naastenliefde
zijn niet het resultaat van lafheid en eigen gemak. Het zal nooit verstandig
zijn te blijven zwijgen als dit zwijgen schandaal of verwarring kan
veroorzaken, of wanneer zo'n gedrag een ongunstig gevolg voor het geloof van
anderen kan hebben.
Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat
uit in het licht... De Heer spreekt tot ons, want
vandaag aan de dag zijn er vele vijanden van God en van de waarheid die niet
willen dat christenen het zout en het licht zijn binnen wereldlijke
ondernemingen. Zulke mensen gebruiken alle mogelijke middelen om hun doelen te
bereiken.
63.2 Er is een voorval in het
evangelie3 dat ons het gedrag laat zien van
sommige Farizeeën, die niet bekend stonden dat ze van de waarheid hielden.
Terwijl de Heer op het tempelplein rondwandelde, kwamen de hogepriesters, de
schriftgeleerden en de oudsten naar Hem toe en vroegen Hem: Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen? En wie heeft U
die bevoegdheid dan daartoe gegeven? De Heer is bereid hun vraag te
beantwoorden indien zij laten zien oprecht van hart te zijn. Hij vraagt ze om
hun mening over het doopsel van Johannes: Of het kwam van de hemel, en genoot
dus goddelijke goedkeuring, óf het kwam slechts van de mensen, en verdiende als
zodanig geen enkele verdere overweging. Maar zij vertelden Hem niet hun echte
mening, hun mening in gemoede. Zij gaan niet in op de kern van de zaak, zij
proberen niet het oprechte oordeel te vormen dat de vraag verdient. In plaats
daarvan gaan zij de gevolgen na van hun mogelijke antwoorden, en kiezen het
antwoord dat hun in deze gegeven situatie het beste past: wij
zeggen: van de hemel, dan zal Hij antwoorden: waarom hebt gij hem dan geen
geloof geschonken? Maar als zij zeggen dat het doopsel van de Voorloper
van de mensen was, zouden de mensen hen gevangen kunnen nemen, want iedereen hield Johannes voor een profeet.
Niettegenstaande dat zij godsdienstige leiders zijn, hebben
zij niet de sterke uitgangspunten die aan hun woorden en hun daden betekenis
zouden kunnen geven. «Zij zijn 'praktische' mensen,
die zichzelf aan ' politiek' toewijden. In alles wat hun eigen belang en gemak
betreft is hun redenering verstandig. Maar zij zijn niet bereid verder te gaan
in hun redenering. Zij zijn mensen voor wie het gemak de plaats van het geweten
heeft ingenomen.»4 De maatstaf voor hun handelen
is het bij elke gelegenheid volgen van welke gedragslijn dan ook die het meest
geschikt is of het beste uitkomt. Zij handelen niet in overeenstemming met de
waarheid. Daarom zeggen zij: Wij weten het niet. Het
was niet in hun belang het te weten, en nog minder het te zeggen. De reactie
van Christus is zeer veelzeggend: Dan zeg Ik u evenmin
krachtens welke bevoegdheid Ik zo handel. Het is alsof Hij tegen hen
zegt: als jullie niet bereid zijn oprecht te zijn, in je hart te kijken en de
waarheid onder ogen te zien, dan is elke dialoog tussen ons nutteloos. Ik kan
niet met jullie praten, en jullie kunnen niet met mij praten. Wij zouden elkaar
niet begrijpen. «De persoon wiens leven niet geleid wordt door oprechtheid,
door een gewoonte de waarheid of de eisen van zijn geweten onder ogen te zien
-hoe ongemakkelijk of hard ook- scheidt zichzelf volkomen af van enige
mogelijkheid om met God te communiceren. Een ieder die bang is om zijn eigen
geweten te onderzoeken, is bang om naar God te kijken. Alleen zij die God in de
ogen kunnen kijken, kunnen Hem werkelijk leren kennen.»5 Het is niet
mogelijk God te vinden zonder die radicale liefde voor de waarheid. Ook is het
dan niet mogelijk goed op te schieten met de mensen rondom ons.
Liefde voor de waarheid zal ons op de eerste plaats ertoe brengen
oprecht met onszelf te zijn, een helder geweten te hebben en onszelf niet te
bedriegen. Wij zullen niet toestaan dat ons geweten verdoofd wordt door fouten
of schuldige onwetendheid laat binnensluipen. Wij zullen niet bang zijn dieper
in te gaan op die persoonlijke eisen die de waarheid met zich meebrengt. Als wij,
met de hulp van de genade, oprecht zijn tegenover onszelf, zullen wij oprecht
zijn tegenover God. Ons leven zal dan gevuld zijn met licht, vrede en sterkte.
«In het woordenboek las je de synoniemen voor onoprecht: niet recht op de man
af, achterbaks, geveinsd, sluw, listig... Je deed het boek dicht en vroeg de Heer
dat die omschrijvingen nooit op jou zouden hoeven te slaan, en je nam je eens
temeer voor om vooruit te gaan in die bovennatuurlijke èn menselijke deugd van
oprechtheid.»6
63.3 In een wereld waar
gewoonlijk zoveel mensen weinig om een kleine leugen geven en zich te buiten
gaan aan voorwendsels, moeten wij, als christenen, mannen en vrouwen zijn van
de waarheid die altijd zelfs de kleinste leugen ontvluchten. Zo moeten de
mensen ons kennen: als mannen en vrouwen die nooit leugens vertellen zelfs van
dingen die van weinig belang schijnen; als mannen en vrouwen die alles wat naar
huichelarij, schijnheiligheid, en dubbelhartigheid zweemt, uit hun leven
sluiten, en die weten hoe de zaken recht te trekken als zij een fout maken. Dan
zal ons leven met grote apostolische vruchtbaarheid worden gevuld, want de
mensen vertrouwen altijd een oprecht iemand, iemand die weet hoe aan iedereen
de waarheid te zeggen met liefde en begrip, en zonder de mensen te kwetsen.
«Hoeveel zwakheid, hoeveel opportunisme, hoeveel inschikkelijkheid,
hoeveel gemeenheid!» zei paus Paulus vi verwijzend naar «die goede mensen die de schoonheid
en de ernst van de beloften die hen met de Kerk verbinden, vergeten.»7 Diezelfde toestand, die misschien in de jongste
jaren duidelijker is geworden, zal ons ertoe brengen elke leugen te haten, hoe
triviaal die ons ook kan toeschijnen, want «de leugen staat tegenover de
waarheid zoals licht tegenover duisternis, als godsvrucht tegenover goddeloosheid,
als rechtvaardigheid tegenover onrechtvaardigheid, zoals goedheid staat
tegenover zonde, gezondheid tegenover ziekte en leven tegenover dood. Als dat
zo is, dan is het ook zo, dat hoe meer wij de waarheid beminnen, wij des te
meer de leugen verafschuwen.»8
Het is geen kwestie van weten hoever wij precies kunnen gaan
met dingen te zeggen die onwaar zijn, voordat wij in een ernstige fout
vervallen. Het is zaak liegen te haten in al zijn vormen. Het is een kwestie
van de hele waarheid vertellen, en wanneer uit voorzichtigheid of naastenliefde
dit niet kan, dan houden wij onze mond en vinden geen kleine leugentjes uit die
ons geweten bedrieglijk geruststellen.9 Wij
moeten de waarheid in zichzelf en om zichzelf liefhebben; niet alleen in
verband met die dingen die op een persoonlijke wijze onszelf, of andere mensen,
schade kunnen berokkenen of bevoordelen. Wij moeten liegen verafschuwen als
iets stoms en afschuwelijks, om welke reden dan ook dat men er zijn toevlucht
toe neemt. We moeten het haten omdat het een belediging is van God, die de
Opperste Waarheid is.
Wij geloven gemakkelijk wat we willen geloven. Daarom, bijvoorbeeld,
zijn veel vijanden van de Kerk altijd geneigd elk schadelijk gerucht over de
Kerk als waar te beschouwen, en te oordelen zonder voldoende feiten te hebben.
Zij zullen zelfs proberen de publieke opinie op een dergelijke basis te beïnvloeden.
Dit is werkelijk hetzelfde als liegen. Direct tegengesteld aan het liegen,
waartoe men zo dikwijls in koelen bloede zijn toevlucht neemt, hebben wij de
waarheid, het licht en de oprechtheid die ondubbelzinnig zijn en niet verkeerd
kunnen zijn. Wij moeten vastberaden de trouw aan de waarheid beoefenen in onze
alledaagse betrekkingen met andere mensen, in onze zakelijke aangelegenheden,
in ons gezinsleven, in onze studie, en, wanneer toegankelijk voor ons, via de
organen van de publieke opinie. Wij moeten resoluut het tegen elkaar uitspelen
van de éne leugen tegen de andere, vermijden.
Het gebed van de liturgie van deze dag nodigt ons uit te roepen:
Heer, met hart en mond, met heel ons leven, willen wij u
prijzen...10 Mogen onze gesprekken altijd
waarheidsgetrouw zijn, eigen aan een kind van God.
-1. Mt 10,24-33. -2. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 50. -3. Mc 11,27-33. -4. C. Burke, Conscience and Freedom. -5. Ibidem.
-6. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 337. -7. Paulus vi, Toespraak, 17
februari 1965. -8. H. Augustinus, Tegen
het Liegen, 3,4. -9. Vgl. H. Franciscus
van Sales, Inleiding tot het devote Leven, III,
30. -10. Getijdenboek, Gebed voor de Lauden, 2e week.
|