Vierde week. Donderdag
31. liefde voor De zieken
-Christus navolgen in zijn liefde en aandacht
voor de zieken. -De ziekenzalving. -De medeverlossende waarde van lijden en
ziekte. Ziekte leren heiligen.
31.1 Het evangelie van de mis van vandaag1 verhaalt hoe de twaalf uitgezonden werden
naar de dorpen en steden in Palestina. Ze predikten de noodzaak boete te doen
om het Koninkrijk van God te kunnen binnengaan en ze dreven vele duivels uit, zalfden veel zieken met olie, en genazen
hen.
Olie werd vaak gebruikt om wonden te genezen2 en de Heer
bepaalde, dat olie gebruikt zou worden voor het sacrament van de ziekenzalving.
In de beknopte woorden van het evangelie van Marcus ziet de Kerk de eerste
aanduiding van dit sacrament3, dat door de Heer werd ingesteld en later, door de apostel Jakobus,
werd verbreid en aan de gelovigen aanbevolen.4 Het is andermaal een bewijs van de zorg
van Christus en zijn Kerk voor de christenen in grootste nood.
De Heer heeft altijd zijn oneindig medelijden
met de zieken getoond. Hij openbaarde zichzelf aan de leerlingen die door
Johannes de Doper naar Hem waren gestuurd, door hun aandacht te vragen voor wat
ze zagen en hoorden: blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven
horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd.5 In de parabel van
het bruiloftsmaal krijgen de bedienden het bevel: Haast je naar de straten [...] en breng de armen, gebrekkigen, blinden en
kreupelen hier binnen...6 In ontelbare passages zien we hoe Jezus tot medelijden bewogen wordt
bij het zien van lijden en ziekte. En Hij genas velen als een uiterlijk teken
van de geestelijke genezing die Hij in de zielen bewerkte.
De Heer wil dat wij, zijn leerlingen, Hem
navolgen door daadwerkelijk medelijden te betonen aan hen die ziek zijn of op
een andere manier lijden. «De Kerk omringt met liefde al degenen die door
menselijke zwakheid getroffen zijn; meer nog, in de armen en lijdenden erkent
zij het evenbeeld van haar arme en lijdende Stichter; zij spant zich in om hun
ellende te lenigen en Christus zelf is het die zij in hen wil dienen.»7 In de zieken zien
we de Heer zelf die tot ons zegt: Wat
gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij
gedaan.8 «Degene die zijn naaste bemint -schrijft de heilige Augustinus- moet
even goed voor zijn lichaam als voor zijn ziel zorgen: door niet alleen de
dokter te waarschuwen, maar ook door te zorgen voor eten, drinken, kleding,
onderdak en door zijn lichaam te beschermen tegen alles wat hem zou kunnen
bedreigen [...] Barmhartig zijn zij, die teder en liefdevol voor alles zorgen wat
nodig is om kwaad en lijden te weerstaan.»9
Tot onze zorg voor de zieken behoort: hen
gezelschap houden, hen geregeld bezoeken; ervoor zorgen dat de ziekte hen niet
beangstigt, zorg dragen voor rust en het opvolgen van de voorschriften van de
artsen; de tijd die we met hen doorbrengen aangenaam maken, zodat ze zich nooit
eenzaam voelen; hen helpen hun pijn te heiligen en op te dragen aan God; zorgen
dat ze de sacramenten ontvangen. We mogen niet vergeten dat zij «de schat van
de Kerk» zijn, dat ze veel van God kunnen verkrijgen en dat God hen met
bijzondere liefde beziet.
31.2 We moeten niet alleen bezorgd zijn over de lichamelijke gezondheid van
de zieken, maar ook over hun zieleheil. We zullen hen proberen te helpen met
alle menselijke middelen die ons ter beschikking staan, en vooral door hen te
laten zien dat hun lijden, als ze het verenigen met het Lijden van Christus,
een niet te schatten waarde krijgt: een daadkrachtige steun voor de hele Kerk,
de zuivering van hun zonden uit het verleden, en een mogelijkheid die God hun
biedt om grote vooruitgang te maken in hun persoonlijke heiliging, omdat
Christus soms zegent met het Kruis.
Het sacrament van de ziekenzalving is een van
de middelen waarmee de Kerk voor haar zieke kinderen wil zorgen. Dit sacrament
werd ingesteld om de mens te helpen de hemel te bereiken. Het kan niet
toegediend worden aan degenen die gezond zijn of aan iemand die niet ernstig
ziek is, zelfs als zijn leven in gevaar is, omdat het ingesteld werd als een
vorm van geestelijk medicijn, en medicijnen worden niet gegeven aan wie gezond
is, maar aan de zieken.10 De Kerk wenst evenmin, dat men wacht tot het laatste moment om het te
ontvangen. Men moet dit sacrament toedienen bij de eerste tekenen van
levensgevaar bij ziekte of ouderdom.11 Het kan echter opnieuw toegediend worden
als de zieke na de ziekenzalving, herstelt of als tijdens dezelfde ziekte het
gevaar of de ernst toenemen.12 Evenzo kan het worden toegediend aan iemand die een zware operatie
moet ondergaan, mits de reden voor die ingreep een ernstige ziekte is.13
Dit sacrament is een grote gave van Jezus
Christus. Een gave, die overvloedig heil met zich meebrengt. Daarom moeten we ernaar verlangen
en erom vragen
als we ernstig ziek worden. Omdat het zo'n groot goed is, zullen we door ons
geloof ook anderen ertoe brengen het te ontvangen: degenen met wie wij door
verwantschap of vriendschap zijn verbonden, evenals allen die we met ons
apostolaat kunnen bereiken. Het is een plicht van naastenliefde en zeer vaak
ook van rechtvaardigheid.
De grootste zegen van dit sacrament is, dat het
de christen bevrijdt van lusteloosheid en zwakheid, die hem door zijn zonden
ten deel zijn gevallen.14 Op deze manier
wordt hij gesterkt en krijgt zijn ziel het jeugdig elan en de vitaliteit terug
die zij door zijn fouten en zwakten verloren had.
Paus Paulus vi, het Concilie van
Trente citerend, geeft een uitleg en
samenvatting van dit sacrament: het geeft «de genade van de Heilige
Geest, wiens zalving de zonden uitwist -als er nog een uitgewist moet worden-
evenals de sporen van zonde. Het geeft
eveneens verlichting en kracht aan de ziel van de zieke, door een groot
vertrouwen in de goddelijke barmhartigheid op te wekken. Op deze manier
ondersteund, kan de zieke gemakkelijk de beproevingen en het lijden van de
ziekte verdragen, weerstand bieden aan de bekoringen van de duivel, die steeds op de loer ligt (Gen 3,15), en soms wordt hij lichamelijk weer gezond, als dat goed is voor de
gezondheid van de ziel.»15 Dit sacrament geeft diepe rust en vreugde aan de ziel van de zieke bij
bewustzijn, brengt hem ertoe zich met Christus te verenigen op het kruis. Zo
werkt het mee aan de verlossing, en «het zet de belangstelling van onze Heer
voort voor het lichamelijke en geestelijke heil van de zieke, zoals de
evangelies getuigen. En Hij wilde dat zijn leerlingen op dezelfde manier hun
zorg lieten blijken.»16
Laten we vandaag in ons gebed onderzoeken of
wij in elke zieke de lijdende Christus zien,
of we hem met liefde en respect behandelen, of we tedere zorg voor hem
koesteren en die kleine vormen van hulp verlenen die zozeer gewaardeerd
worden. Laten we vooral bij de Heer overwegen of we hem de gepaste hulp bieden
om zich hechter met Christus te verenigen en medeverlosser met Hem te worden.
31.3 Als de Heer ons door lijden en ziekte zijn kruis laat ervaren, moeten
we ons beschouwen als uitverkoren kinderen. Hij kan ons fysieke pijn sturen of
andere vormen van lijden:
vernederingen, falen, beledigingen, tegenslagen in het
eigen gezin. We mogen op zo'n moment niet vergeten dat Christus'
verlossingswerk zich door ons voortzet. Hoe gering we ook mogen zijn, we worden
medeverlosser met Hem en het lijden, dat nutteloos en schadelijk was, verandert
in vreugde en wordt tot een bron van rijkdom. We zullen dan met de heilige
Paulus kunnen zeggen: Op het ogenblik
verheug ik mij dat ik voor u mag lijden, en in mijn lijdend lichaam aanvullen
wat nog ontbreekt aan de beproevingen van de Christus, ten bate van zijn
lichaam, dat de Kerk is.17 De apostel herinnert ons aan de les van de Meester: daarom treedt hij in zijn
voetsporen18, neemt zijn kruis op zich19 en gaat door met zijn taak de leer van Christus bekend te maken aan
alle mensen.
Paus Johannes Paulus ii bevestigt dat
het lijden «niet alleen anderen ten goede komt, maar ook een onvervangbare
opdracht vervult. In het Lichaam van Christus [...] speelt het lijden, dat
volkomen doordrongen is van de kracht van Christus' offer, een absoluut noodzakelijke
en eigen rol om al het goede tot stand te brengen dat in zich een absolute
voorwaarde is voor het heil van de wereld. Dit lijden maakt meer dan wat ook de
weg vrij voor de genade, die het hart van de mensen verandert. Het zorgt er
vooral voor dat de krachten van de Verlossing in de menselijke geschiedenis
levend en werkzaam blijven.»20
Om gebruik te
maken van deze rijkdom van genade die op de een of andere
manier tot ons komt, is er «een lange weg
van voorbereiding te gaan, waarop we elke dag vorderen door een heilige
zelfonthechting, om ons in staat te stellen -als de Heer het toelaat- ziekte en
ongeluk edelmoedig te dragen. Neem nu al elke voorkomende gelegenheid te baat, ontzeg uzelf iets, verdraag
het kleine verdriet van alledag,
versterf u en beoefen de christelijke deugden.»21
Het lijden, dat veel mensen van God gescheiden
heeft omdat ze het niet hebben gezien in het licht van het geloof, moet ons
meer met Hem verenigen. We moeten aan zieken de verlossende waarde ervan leren
inzien. Dan zullen ze in vrede de ziekte en de tegenslagen die de Heer toelaat,
dragen. Ze zullen die liefhebben, omdat ze geleerd hebben dat ook het lijden
van een Vader komt die alleen het goede voor zijn kinderen wil.
Laten we ons tot Maria, onze Moeder, wenden.
Zij «die dapper bij het kruis van haar Zoon op Calvarië stond, (vgl. Joh 19,25) deelde in zijn
lijden en weet steeds nieuwe zielen te overtuigen om hun eigen lijden te
verenigen met het offer van Christus, in een offerande die de hele mensheid
omvat en redt».22 Laten we haar bidden, dat lijden en pijn -onvermijdelijk in dit leven-
ons mogen helpen ons méér te verenigen met haar Zoon, en dat we ze weten te
verstaan, wanneer ze tot ons komen, als zegen voor onszelf en voor de hele
Kerk.
-1. Mc 6,7-13. -2. Jes 1,6, Lc 10,34. -3. Concilie van Trente,
Sessio XIV, Doctrina de sacramento
extremae unctionis. -4. Joh 5,14 e.v. -5. Mt 11,5. -6. Lc 14,21. -7. Vaticanum ii, Dogm.
const. Lumen Gentium, 8. -8. Mt 25,40. -9. H. Augustinus, Over de gebruiken van de
Katholieke Kerk, I, 28,56. -10. Vgl. Romeinse catechismus,
II, 6,9. -11. Vgl. Vaticanum ii, Const. Sacrosanctum Concilium, 73. -12. Orde van dienst van
de ziekenzalving, Praenotanda, 8. -13. Ibidem. -14. Vgl. Romeinse catechismus,
II, 6,14. -15. Paulus vi, Sacram unctionem infirmorum, 30 november 1972. -16. Orde
van dienst van de ziekenzalving, Praenotanda, 5. -17.
Kol 1,24. -18.
Cfr.1 Pe2,21. -19. Vgl. Mt 10,38. -20. Johannes
Paulus ii, Apost. brief, Salvifici doloris, 27. -21. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 124. -22. Johannes
Paulus ii, Homilie, 11 november 1980.
|