Vijftiende zondag door het jaar (B)
2. Liefde voor het Priesterschap
-De identiteit en de zending van de priester. -De priester,
een beheerder van de mysteries van God. -Hoe priesters te helpen. Voor hen
bidden. Eerbied voor de priesterlijke staat.
2.1 Alle gedoopten kunnen de woorden van de heilige Paulus aan de
christenen van Efese uit de tweede lezing van vandaag, op zichzelf toepassen: In Hem heeft Hij ons uitverkoren
vóór de grondlegging der wereld, om heilig en vlekkeloos te zijn voor Zijn
aangezicht.1 Door het doopsel en het vormsel behoren alle christengelovigen tot een uitverkoren geslacht, een
koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk.2 Het Tweede
Vaticaanse Concilie zegt: «De gedoopten zijn door de wedergeboorte en de
zalving van de Heilige Geest tot een geestelijke woonstede en een heilig
priesterschap gewijd, om door alle werken van de christenmens geestelijke
offers op te dragen.»3 Door hun delen in
het priesterschap van Christus nemen de gelovigen actief deel aan het Offer van
het Altaar. Zij heiligen de wereld door hun wereldlijke taken, deelnemend in de
ene zending van de Kerk door middel van de verschillende roepingen die zij van
God hebben ontvangen. Huisvrouwen bijvoorbeeld heiligen de verscheidene kanten
van het moederschap en aanverwante verplichtingen; zieken zijn geroepen hun
lijden liefdevol op te dragen aan God; een ieder maakt een aangename offerande
aan God van zijn dagelijkse taak en omstandigheden.
Uit de rijen van de gelovigen, die allen dit algemeen
priesterschap bezitten, worden sommigen door God geroepen, via het sacrament
van de wijding, het ambtelijk priesterschap uit te oefenen. Dit tweede
priesterschap steunt op het eerste, maar zij zijn wezenlijk verschillend. Door
middel van de wijding wordt de priester een instrument van Jezus Christus, aan
Wie hij zijn hele wezen offert om de genade van de Verlossing aan de gehele
mensheid te brengen. Hij is een man genomen uit de mensen en aangesteld voor de mensen, om hen
te vertegenwoordigen bij God en om gaven en offers op te dragen voor de zonden.4 «Waarin bestaat de identiteit van de priester? In
die van Christus. Alle christenen moeten en kunnen niet alleen 'alter Christus'
worden, een andere Christus, maar ook 'ipse Christus', Christus zelf. En in de
priester gebeurt dat rechtstreeks, in sacramentele vorm.»5
De Heer, die onder ons op vele manieren aanwezig is, is dit
speciaal in de persoon van de priester. Elke priester is een grote gave van God
aan de wereld. Hij is Jezus die weldoende rondgaat; hij geneest zieken, hij
brengt vrede en vreugde in de geest van de mensen; hij is het «levend
instrument van Christus» in de wereld.6 Hij
offert aan de Heer «zijn stem, zijn handen, zijn hele wezen.»7 Tijdens de mis vernieuwt hij 'in persona
Christi' het verlossende Offer van Calvarië zelf. Hij stelt de Verlossing van
Christus tegenwoordig en maakt ze werkzaam in de geschiedenis. Paus Johannes
Paulus ii herinnerde de
geestelijkheid van Brazilië eraan dat «Jezus zich met ons op zo'n wijze
identificeert in het uitoefenen van de machten die Hij op ons overdroeg, dat
het is alsof ons eigen ik plaats maakt voor het Zijne, daar Hij het zelf is die
door ons handelt.»8 Het is Christus die in
de mis de substantie van brood en wijn in zijn Lichaam en Bloed verandert. En
«het is Christus zelf die in het sacrament van de boete de gezaghebbende en
vaderlijke woorden uitspreekt 'je zonden zijn je vergeven'. Hij is het die
spreekt wanneer de priester, zijn ambt uitoefenend in naam en in de geest van
de Kerk, het woord van God verkondigt. Het is Christus zelf die voor de zieken,
voor de kinderen en de zondaars zorgt wanneer Hij hen met de liefde en de
pastorale zorg van de heilige diensten omringt.»9
Een priester is meer waard voor de mensheid dan het heelal.
Wij moeten voortdurend bidden voor de heiligheid van de priesters, hen met ons
gebed en onze genegenheid helpen en ondersteunen. Wij moeten in hen Christus
zelf zien.
2.2 Jezus kiest de apostelen uit, niet alleen als boodschappers, profeten
en getuigen, maar ook als Zijn eigen vertegenwoordigers.
Deze nieuwe identiteit, handelen 'in persona Christi', moet
uitdrukking vinden in een eenvoudig en sober leven, een heiligheid die aanzet
tot een oprechte toewijding aan het welzijn van anderen. Het evangelie van de
mis van vandaag vertelt ons dat Jezus zijn apostelen uitzond en hun macht gaf over de onreine
geesten.10 Hij gebood hun een stok
mee te nemen op reis, maar niets anders: geen brood, geen reiszak en geen geld
in hun gordel.
God neemt bezit van de man die Hij roept tot het
priesterschap en wijdt hem tot de dienst aan zijn medemensen, en schenkt hem
een nieuwe persoonlijkheid. En, eenmaal gekozen en gewijd tot de dienst aan God
en de ander, is hij niet alleen maar priester voor bepaalde ogenblikken, bij
voorbeeld wanneer hij geheiligde functies uitoefent. «Hij is altijd priester,
op ieder ogenblik, of hij nu het hoogste en meest verheven dienstambt dan wel
het gewoonste en nederigste werk van zijn dagelijks leven vervult. Net zomin
als een christen kan ontkennen dat hij een nieuw mens is, dat het doopsel hem
een bijzondere aard heeft gegeven en hij ook niet kan handelen alsof hij zomaar
een mens is, zo kan ook de priester zijn priesterlijke aard niet terzijde
schuiven en zich gedragen alsof hij geen priester was. Wat hij ook doet, welke
houding hij ook aanneemt, of hij het wil of niet, het moet altijd de handeling
of de houding van een priester zijn, omdat hij altijd en op elk moment priester
is tot in het diepst van zijn wezen, wat hij ook doet of wat hij ook denkt.»11
De priester is een boodschapper van God aan de wereld,
gezonden om aan de mensheid zijn redding te verkondigen en aangesteld als
beheerder van de mysteries van God.12 Deze
geheimen omvatten het Lichaam en Bloed van Christus die hij de gelovigen
aanbiedt in de mis en de heilige communie, de genade van God in de sacramenten
en het goddelijk woord dat hij in de preek, catechese en biecht uitspreekt. Aan
de priester is het meest goddelijke van de goddelijke werken toevertrouwd: de
redding van de zielen. Hij is ambassadeur en bemiddelaar tussen God en de
mensen gemaakt.
«Ik denk met welgevallen aan de menselijke en bovennatuurlijke
waardigheid van mijn broeders die over de wereld verspreid zijn. En het is
terecht hen nu te omringen met de vriendschap, hulp en genegenheid van veel
gelovigen. En als het moment gekomen is voor God te verschijnen, zal Christus
hun tegemoet gaan om voor eeuwig hen te verheerlijken die in het tijdelijke in
Zijn naam en Persoon gehandeld hebben door ruimhartig de genade uit te delen
waarvan zij de rentmeesters waren.»13
Laat ons nu in tegenwoordigheid van God overwegen hoe wij
voor de priesters bidden, hoe wij hen behandelen, hoe dankbaar wij hun behoren
te zijn dat zij de oproep van de Heer bevestigend hebben beantwoord, hoe hen te
helpen vol te houden en heilig te zijn. «Ik vraag God onze Vader ons, alle
priesters, de genade te willen verlenen heilige dingen op heilige wijze te
doen, om de wonderen van de grootheid van God te weerspiegelen in ons leven.»14
2.3 Zo
vertrokken zij om te prediken dat men zich moest bekeren. En zij dreven veel
duivels uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen. Priesters zijn als het ware een aanvulling van de heilige Mensheid
van Jezus, omdat zij in de zielen nog steeds dezelfde wonderen verrichten die
Hij deed terwijl Hij op aarde was: de blinden zien, mensen die nauwelijks
kunnen gaan, hervinden hun krachten en zij die gestorven zijn door de
doodzonde, herwinnen het leven in de genade door het sacrament van de biecht.
De priester zoekt geen wereldse vergoeding of de verhoging
van zijn reputatie, ook meet hij zijn taak niet af aan de waardeschaal van deze
wereld. Zijn taak is niet die van scheidsrechter15
en ook niet om te zorgen voor het materiële welzijn van mensen: dat is een taak
van elke christen en voor alle mensen van goede wil. Maar de rol van de
priester is, mensen het eeuwige leven te brengen. Dat is wat hij heeft te
bieden. Het is ook wat de wereld het meest nodig heeft. Daarom moeten wij God
bidden dat de Kerk altijd genoeg priesters zal hebben, priesters die werkelijk
trachten heilig te zijn. Wij moeten vragen om priesterroepingen, en ze
aanmoedigen, zo mogelijk onder de leden van onze eigen gezinnen, kinderen,
broers en neven. Het is inderdaad een grote vreugde voor een gezin indien God
hen zegent met de gave van een priesterroeping.
De leken hebben de zeer plezierige plicht de priesters te
helpen, in het bijzonder met hun gebed, opdat zij waardig de mis opdragen en
vele uren gebruiken om biecht te horen, geestdriftig de sacramenten toedienen
aan de zieken en de ouderen en heel graag de catechismus onderwijzen. Wij
bidden dat priesters altijd zeer bezorgd zullen zijn voor het onderhoud van het
Huis van God, en opgewekte, geduldige, edelmoedige, vriendelijke en onvermoeibare
werkers in het verbreiden van het koninkrijk van Christus zullen zijn. Wij
moeten edelmoedig zijn in financiële bijdragen en hun werk helpen hoe wij ook
kunnen. En wij mogen nooit slecht over hen spreken. «Over priesters van
Christus moet men alleen maar spreken om ze te prijzen!»16
Als wij soms fouten en gebreken in onze priesters zien,
behoren we verontschuldigingen voor hen te maken en moeten wij ons gedragen als
de goede zonen van Noach en hun tekorten met de mantel der liefde bedekken.17 Dat kan nog een andere reden zijn hen te helpen met
ons goede voorbeeld en ons gebed, en met een vermaning die broederlijk is en
tegelijkertijd als die van een kind.
Om ons te helpen in liefde en eerbied voor priesters te
groeien, kunnen wij overwegen wat de heilige Catharina van Siëna de Heer in de
mond legde: «Ik wil niet dat men afbreuk doet aan de eerbied die men de
priesters moet betuigen, want eerbied en respect, aan hen betoond, zijn niet
tot hen gericht, maar tot Mij, krachtens mijn Bloed dat Ik hun heb gegeven om
uit te delen. Als het niet daarom was, zoudt gij hun dezelfde eerbied moeten
betuigen als aan de leken, en niet meer... Men mag hen niet beledigen: wie hen
beledigt, beledigt Mij en niet hen. Om die reden heb Ik het verboden en heb Ik
beschikt dat men mijn Christussen niet zal aanraken.»18
-1. Ef 1,3-14. -2. 1 Pe 2,9. -3. Vaticanum
ii, Dogm. const. Lumen Gentium, 10. -4. Vgl. Heb 5,1. -5. H.
Jozefmaria Escrivá, De liefde tot de Kerk,
38. -6. Vgl. Vaticanum ii, Decr.
Presbyterorum ordinis, 12.
-7. H. Jozefmaria Escrivá, o 39. -8. Johannes Paulus ii, Homilie, 2 juli 1980. -9. Ibidem. -10. Mc 6,7-13. -11. F. Suárez, El sacerdote y su ministerio, bl. 8. -12. Vgl.
1 Kor 4,1. -13.
H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 50. -14. Ibidem, 39. -15. Vgl. Lc 12,13. -16. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 904. -17. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 75. -18. H. Catharina van Siena, Dialoog, 116. Vgl.
H. Jozefmaria Escrivá, De liefde tot de Kerk,
38.
|