Tiende zondag door het jaar (C)
21. Lijden en behoeftigheid
-De wederopstanding van de zoon van de weduwe van Naïm.
Jezus leeft altijd mee met verdriet en lijden. -De Heer navolgen. Liefde
vertaald in daden. De orde van de liefde. -Begrip is een vereiste om lief te
hebben. Liefde tot de meest behoeftigen.
21.1 In het evangelie van vandaag1 beschouwen wij de aankomst van Jezus in een kleine
stad, Naïm geheten. Hij werd vergezeld door zijn leerlingen en een talrijke
groep mensen die Hem volgde. Deze stad lag zo'n tien kilometer ten zuidoosten
van Nazaret, en zeven of acht kilometer van Kafarnaüm.
Bij de poort van de stad trof de stoet die Jezus begeleidde,
een andere die op weg was om de enige zoon van een weduwe te begraven. Naar
joods gebruik voerden zij het in linnen gewikkelde lichaam mee op een baar. De
rouwstoet werd gevormd door de moeder en een groot aantal
mensen uit de stad.
De karavaan op weg naar de stad hield stil voor de begrafenis.
Jezus ging naar de moeder toe die om haar zoon weende, en betoonde haar zijn
medelijden. «Jezus zag de droefheid van die mensen, die Hij toevallig
tegenkwam. Hij zou er met een grote boog omheen hebben kunnen gaan, of hebben
kunnen afwachten tot men Hem riep, tot men een verzoek tot Hem richtte. Hij
ging echter niet verder en wachtte ook niet af. Geroerd door het verdriet van
een weduwe die het enige wat haar nog restte, haar zoon, verloren had, nam Hij
het initiatief.
»De evangelist maakt duidelijk, dat Jezus meeleefde. Misschien
was Hij ook, net als bij de dood van Lazarus, zichtbaar ontroerd. Jezus
Christus wás, en ís, niet ongevoelig tegenover het lijden [...].
»Christus is zich bewust, dat er een menigte om Hem heen is,
die verbaasd zal zijn over het wonder en dit voorval in de wijde omgeving
bekend zal maken. De Heer gaat echter niet gekunsteld te werk, om een gebaar te
maken. Hij voelt zich eenvoudigweg aangedaan door het leed van die vrouw, en
kan niet anders dan haar troosten. Hij gaat dan ook naar haar toe en zegt haar:
schrei maar niet (Lc 7,13). Alsof Hij haar daarmee
wilde laten begrijpen: Ik wil je niet in tranen zien; Ik ben immers gekomen om
op aarde vreugde en vrede te brengen. Dan vindt het wonder plaats, uiting van
de macht van Christus als God. Tevoren echter werd zijn ziel geroerd,
onmiskenbare uiting van de tederheid van het hart van de mens Christus.»2 Hij legde zijn hand op het lichaam van de jongeling
en gaf hem het bevel op te staan; en Jezus gaf hem aan zijn
moeder terug.
Het wonder is, tegelijkertijd, een groot voorbeeld hoe wij dienen
te reageren op het ongeluk van anderen. Wij moeten leren van Jezus. Om een hart
te hebben, dat op het zijne lijkt, dienen wij op de eerste plaats onze toevlucht
te nemen tot het gebed. «Wij moeten de Heer vragen ons een goed hart te geven,
dat in staat is mee te leven met de droefenis van de schepselen, in staat is in
te zien, dat het beste medicijn om genezing te brengen voor de kwellingen die
ons vergezellen en vaak de zielen in deze wereld benauwen, de liefde is, de
naastenliefde: elke andere troost is nauwelijks in staat een ogenblik afleiding
te brengen, waarna er niets dan bitterheid en wanhoop rest.»3
Wij kunnen ons in ons gebed van vandaag afvragen, of wij allen
die wij op onze levensweg ontmoeten, weten lief te hebben, of wij daadwerkelijk
bij hun ongeluk stilstaan, en zodoende, of wij bij ons dagelijks
gewetensonderzoek veel daden van liefde en medeleven aantreffen, om de Heer aan
te bieden.
21.2 Jezus Christus komt om te redden wat verloren was4,
om onze ellende op zich te nemen en deze voor ons te verlichten. Hij toont
medelijden met hen die lijden en behoeftig zijn. Hij loopt er niet zomaar aan
voorbij; Hij blijft staan -zoals we zien in het evangelie van de mis van
vandaag-, Hij geeft troost en Hij redt. «Jezus maakt van de barmhartigheid een
van de belangrijkste thema's van zijn prediking [...]. Er zijn vele passages in
het onderricht van Christus die de liefde-barmhartigheid telkens in een nieuw
perspectief plaatsen. Wij hoeven ons slechts de goede herder voor ogen te
houden, op zoek naar het verloren schaap, of de vrouw die haar huis veegt op
zoek naar de verloren drachme.»5 Hijzelf leert
ons voortdurend door zijn eigen voorbeeld hoe wij ons moeten gedragen tegenover
onze naaste, en in het bijzonder tegenover de naaste die lijdt.
En zoals de liefde tot God niet teruggebracht kan worden tot
een gevoel, maar ons juist brengt tot daden die deze liefde tonen, zo moet ook
onze liefde tot de naaste een werkzame liefde zijn. De heilige Johannes zegt
ons: wij moeten niet liefhebben met woorden en leuzen, maar
met concrete daden.6 En «deze daden van
liefde -dienstbaarheid- hebben een bepaalde orde. Zoals de liefde ons ertoe
brengt het goede te verlangen voor diegene die wij liefhebben, en ons ertoe
brengt dit goede te schenken, zo moet de orde van de naastenliefde ons ertoe
brengen om boven alles de vereniging van de andere mensen met God te verlangen
en te bewerkstelligen, want daarin ligt het grootste goed, het uiteindelijke
goed, waarbuiten geen enkel ander gedeeltelijk goed zin heeft.»7 Het tegenovergestelde -op de eerste plaats, voor zichzelf
of voor anderen, materiële goederen nastreven- is iets van heidenen en van die
christenen die hun geloof hebben laten verflauwen, zodat het weinig invloed
meer heeft op hun dagelijkse handelwijze.
Bij deze voorrang van geestelijke boven materiële goederen
moeten we niet vergeten, dat iedere christen met een goedgevormd geweten een
verplichting heeft om een rechtvaardiger maatschappelijke orde te bevorderen,
want de naastenliefde heeft ook betrekking, hoewel in de tweede plaats, op het
materiële welzijn van alle mensen.
Het belang van de naastenliefde in onze aandacht voor de materiële
noden van onze naaste -wat rechtvaardigheid veronderstelt- is zo groot, dat
Jezus Christus zelf, toen Hij sprak over het laatste oordeel, verklaarde: komt, gezegenden van mijn Vader want Ik had honger en gij hebt
Mij te eten gegeven; Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven...8 En meteen daarna kondigt de Heer de veroordeling aan
van degenen die deze daden nagelaten hebben.9
Laten we aan de Heer een waakzame naastenliefde vragen, want om de verlossing
te verwerven en het einddoel te bereiken, moeten we «Christus herkennen, die
naar ons toe komt in onze broeders en zusters, de mensen».10 Elke dag komt Hij ons tegemoet: in het gezin, op
het werk, op straat...
21.3 Bij de ontmoeting met die
vrouw van Naïm wordt duidelijk, dat Jezus zich onmiddellijk haar verdriet indenkt
en de gevoelens begrijpt van die moeder, die haar enige zoon heeft verloren.
Jezus deelt in het lijden van die vrouw. Om lief te hebben is het noodzakelijk
begrip te hebben en gevoelens te delen.
Wij vragen de Heer vandaag om ons een groot hart te geven,
vol begrip, om te lijden met degene die lijdt, om blij te zijn met allen die
blij zijn... Een groot hart, om er ons best voor te doen dit lijden te voorkomen,
als we dat kunnen, en de vreugde vast te houden en te bevorderen, daar waar ons
leven zich afspeelt. Begrip is ook nodig om in te zien, dat het werkelijke en
allereerste goed van de andere mensen, dat met niets te vergelijken is, gelegen
is in de vereniging met God, die hen naar de volle gelukzaligheid van de hemel
zal leiden. Dat is geen 'goedkope troost' voor de onterfden van deze wereld, of
voor hen die lijden of falen, maar de diepgaande hoop van de mens, die weet dat
hij kind van God is en met Christus mede-erfgenaam van het eeuwig leven, wat
zijn omstandigheden hier ook zijn. De mensen te beroven van deze hoop, en haar
te vervangen door het vooruitzicht op een ander, puur menselijk, geluk, is een
bedrog dat deze mensen, wegens de onbestendigheid of uiteindelijke
onmogelijkheid ervan, vroeger of later leidt naar de diepste wanhoop.11
Onze houding van medelijden en barmhartigheid -uitgedrukt in
daden- moet op de eerste plaats gericht zijn op degenen met wie we dagelijks
omgaan, die God aan onze zijde geplaatst heeft, en met degenen die het meest
behoeftig zijn. Medelijden met mensen die ver van ons af staan kan God moeilijk
aangenaam zijn, als we de vele gelegenheden verwaarlozen die zich dagelijks aan
ons voordoen, om de rechtvaardigheid en de naastenliefde te beoefenen jegens
hen die deel uitmaken van ons gezin of in onze nabijheid werken.
De Kerk weet goed, dat zij de waarheid over God die ons verlost,
niet kan scheiden van de uitingen van zijn voorkeursliefde voor de armen en de
behoeftigen.12 «De werken van barmhartigheid
dienen ertoe, buiten de verlichting die ze de behoeftigen brengen, om ons eigen
hart te vergroten, en het hart van hen die ons vergezellen in deze bezigheden.
Wij hebben allen ervaren dat de omgang met de zieken, met de armen, met
kinderen en volwassenen die hongeren naar de waarheid, altijd een ontmoeting
betekent met Christus in zijn zwakste of meest hulpeloze ledematen, en juist
daarom een geestelijke verrijking: de Heer treedt met meer intensiteit binnen
in de ziel van degene die naar zijn kleine broers en zussen toegaat, niet enkel
bewogen door een gevoel van onbaatzuchtigheid -edel, maar ontoereikend gezien
vanuit bovennatuurlijk oogpunt-, maar juist bewogen door de gevoelens van Jezus
Christus, de goede herder en de genezer van de zielen.»13
Laten we aan het allerheiligste Hart van Jezus en aan het
hart van zijn moeder, de heilige Maria, vragen, dat wij nooit passief blijven
tegenover de eisen van de naastenliefde. Zo kunnen wij met vertrouwen de hulp
van Maria inroepen, met de woorden van de liturgie: Recordare,
Virgo Mater... Gedenk, Maagd en Moeder Gods, nu gij in zijn
tegenwoordigheid zijt, ut loquaris pro nobis bona,
om goede dingen te onzer gunste te zeggen, en hulp te vragen voor onze noden.14
-1. Lc 7,11-17. -2. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
166. -3. Ibidem, 167. -4. Lc
19,10. -5. Johannes Paulus ii, Enc. Dives in misericordia, 3. -6. 1 Joh
3,18. -7. Vgl. F. Ocáriz, Amor a
Dios, amor a los hombres, bl. 103. -8. Vgl. Mt
25,31-40. -9. Vgl. Mt 25,41-46. -10. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 111. -11. Vgl. F. Ocáriz, o.c., -12. Vgl. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptoris
Mater, 25 maart 1987,37. -13. A. del Portillo,
Brief, 31 mei 1987, 30. -14. Vgl. Graduale romanum, Solesmes, Desclée, Doornik 1979. Antifoon van het gemeenschappelijke van de mis van de heilige
Maagd Maria.
|