Vierendertigste
week. Donderdag
50. Looft de Heer
-Heel de natuur looft
God. Het gezang van de Drie
jongelingen. -Voorbereiding en dankzegging bij de
Mis. -Jezus komt ons bezoeken in de communie. Alle middelen aanwenden om Hem
goed te onthalen.
50.1 Dauw en sneeuwjacht, looft de
Heer. / IJs en koude, looft de Heer. / Licht en duister, looft de Heer...1
Een van de lezingen dezer dagen verhaalt ons
verschillende gedeelten uit het Boek Daniël, en de tussenzangen nemen het
wonderschone gezang op, het gezang van de drie jongelingen dat in de Kerk
vanouds wordt gebruikt als hymne van dankzegging en dat eerst in de heilige Mis
werd ingevoerd en daarna ook daarbuiten, om zo de godsvrucht van de gelovigen
te bevorderen.2
Toen de drie joodse jongelingen veroordeeld
waren tot de dood in een brandende oven, omdat zij geweigerd hadden het gouden,
door koning Nebukadnessar opgerichte beeld te aanbidden, aanbaden zij de God
van hun vaderen, de God van het Verbond, die zijn heiligheid en macht door
zovele wonderen onder het volk van Israël openbaarde; zij zongen die hymne die
«klinkt als een oproep, gericht tot de schepselen om de roem van God de
Schepper te verkondigen»3; deze roem ligt voor
alles in God zelf en door het scheppingswerk ontspruit zij uit de schoot van de
goddelijkheid zelf en «brengt zij zich in zekere zin naar buiten: naar de
schepselen van de zichtbare en onzichtbare wereld, al naar gelang hun graad van
volmaaktheid.»4
De hymne begint met een uitnodiging aan alle
schepselen om zich tot hun Schepper te richten: Looft de Heer, al zijn werken, prijst en roemt Hem zeer in eeuwigheid. De engelen in de hemel leiden de lofzang. Vervolgens de hemelen, waar
de regen zich bevindt5 en alle hemellichamen, de
zon en de maan, de sterren, de stortbuien en dauw, de winden, vuur en hitte,
kou en ijs, dauw en sneeuwjacht, ijs en sneeuw, dagen en nachten, licht en
duisternis, bliksems en wolken: zij worden allemaal uitgenodigd om de Heer te
loven. De aarde met haar bergen en heuvels, haar bronnen, haar zeeën en
rivieren, de zeemonsters, vissen en alwat in het water leeft; de vogels in de
lucht, alle wilde en tamme dieren worden aangespoord de Heer te zegenen.
De mens, koning van de schepping, verschijnt
als laatste, en wel in deze volgorde: alle mensen in het algemeen genomen, het volk van Israël, de priesters, de
dienaren van de Heer, het joodse volk, de rechtvaardigen, de heiligen en
nederigen van hart. Als laatsten worden de drie joodse jongelingen die de Heer
trouw bleven -Sadrak, Mesak en Abednego- opgeroepen de Schepper lof toe te
zingen.6
Als dankzegging na de heilige Mis werd er sinds
vanouds aan dit gezang psalm 150, de laatste van het Psalterium, aan toegevoegd;
ook hierin worden alle levende wezens uitgenodigd de Heer te zegenen. Laudate Dominum in sanctis eius... Looft God in zijn heilig
domein, looft Hem in zijn groots firmament. Looft Hem om zijn daden van macht,
looft Hem krachtens zijn mateloze grootheid. Looft Hem met de stoot op de
ramshoorn, looft Hem met harp en met cither, looft Hem met handtrom en reidans... Ieder levend wezen love de Heer!
Ons christelijk leven moet geheel en al een
trillend loflied zijn, vol van aanbidding, dankzegging en liefdevolle overgave.
In de dankzegging na de communie, wanneer wij de Heer van hemel en aarde in ons
hart dragen, verenigen wij ons daarom met heel het heelal in het dankgebed voor
de Schepper.
50.2 Het hele
leven, maar heel bijzonder de ogenblikken na het ontvangen
van de communie, is een tijd van blijmoedigheid en lofprijzing van God. Om de
Heer dank te brengen kunnen wij ons innerlijk verenigen met alle schepselen
die, ieder naar hun eigen aard, de Heer hun vreugde betuigen. De heilige
Augustinus tekent aan: «Men moet van nu af zingen, want de lofprijzing van God
zal ons geluk gedurende de eeuwigheid uitmaken en niemand zou voor dit
toekomstige beroep geschikt zijn, als hij zich niet oefende in het loven in de
omstandigheden van het huidige leven. Laten we het Alleluia zingen en tot elkaar zeggen: looft
de Heer; en zo bereiden wij de tijd van lofprijzing voor, die na de verrijzenis
zal volgen.»7 Looft de Heer...! Wij verenigen ons met alle
wezens op aarde en met de heiligen, de
engelen en aartsengelen en alle hemelse koren zingen wij onophoudelijk U dit
lied ter eer...8
U aanbid ik in overgave,
Godheid ongezien9, zeggen we tot Jezus in het binnenste van ons hart nadat we de
communie hebben ontvangen. In die ogenblikken moeten we ons ongeduld beteugelen
en ingetogen verblijven bij God, die ons bezoekt. Niets ter wereld is
belangrijker dan deze Gast de eer en aandacht te schenken die Hij waardig is. Als wij edelmoedig jegens de Heer zijn en die
minuten in zijn gezelschap goed verzorgen, dan zal er een tijd komen -misschien
is die al gekomen- waarin we met ongeduld
wachten op de heilige Mis en op het moment van de communie. De zielen
aller tijden, die dicht bij God hebben
verkeerd, hebben vol ongeduld dat onuitsprekelijke ogenblik afgewacht
waarin wij zo dicht bij God zijn. Zo geschiedde het ook met de H. Jozefmaria
Escrivá: 's ochtends dankte hij voor de Mis die hij had opgedragen, en
's middags bereidde hij de Mis van de volgende dag voor. Zo groot was zijn
liefde, dat als hij 's nachts wakker werd, zijn gedachte uitging naar de
Mis die hij daags erna zou opdragen en samen
met de gedachte ook het verlangen om God door dat enige, unieke offer te
verheerlijken. Op die wijze waren werk en verstervingen, schietgebeden en
geestelijke communies, kleine daden van liefdebetoon gericht als voorbereiding
of als hulde in dankzegging.10
Laten wij vandaag nagaan hoe groot de liefde is
waarmee wij naar de heilige Mis gaan, waar wij God de hoogste lof bewijzen, en
met welke aandacht en ijver we zorg dragen voor die minuten waarin we bij Hem
zijn. Het is een hoffelijkheid die we nooit mogen verwaarlozen.
50.3 Het evangelie van deze heilige Mis11 herinnert ons aan de glorievolle komst van Christus
aan het einde der tijden: De mensen
zullen het besterven van schrik, in spanning om wat de wereld gaat overkomen,
want de hemelse heerscharen zullen in verwarring geraken. Dan zullen zij de
Mensenzoon zien komen op een wolk, met macht en grote heerlijkheid. Nu, tijdens de communie, komt diezelfde Mensenzoon in ons hart om ons te sterken en
van vrede te vervullen. Hij komt als de lang verwachte Vriend. En we moeten Hem
ontvangen zoals zijn meest intieme vrienden gedaan hebben: met de aandacht van
Maria uit Betanië, met de vreugde waarmee Zacheüs Hem in zijn huis ontving...
«Dat lijkt het correcte te zijn: als men een vriend, een genodigde in huis ontvangt,
dan schenkt men hem aandacht, dat wil zeggen, men praat met hem, men houdt hem
gezelschap. Men laat hem niet in de bezoekerskamer of op een willekeurige
andere plek in huis met een krant in handen zitten om de tijd door te komen,
totdat het ons goed uitkomt hem te woord te staan. Dat zou wel getuigen van erg
slechte manieren! En als degene die ons komt bezoeken zo'n hooggeplaatst
persoon is, dat alleen al het feit dat hij naar ons toekomt een eerbewijs
veronderstelt dat onze staat en verdiensten ver te boven gaat, dan zou het
gebrek aan aandacht geven niet meer een zaak van slechte manieren zijn, maar
een onbeschrijfelijke grofheid.»12 We moeten
goed omgaan met Jezus, die er zo naar verlangt om ons in ons armzalige huis te
bezoeken. «En Zijne Majesteit pleegt zijn verblijf niet slecht te betalen, als
men Hem een goed onderdak verleent.»13 Het is
een goede gelegenheid om ons met heel de schepping te verenigen om lof en eer
te brengen aan de Schepper die, heel nederig, gedurende deze minuten op
sacramentele wijze in ons hart aanwezig is.
De Kerk, altijd een goede Moeder, heeft ons,
haar kinderen, die gebeden aanbevolen die de godsvrucht van zovele christenen
hebben gevoed om ons te helpen, met name wanneer we ons met de mond vol tanden
voelen staan, als we ons tot Jezus willen wenden: de hymne Adoro te devote, het
loflied van de Drie jongelingen, het Gebed tot de gekruisigde
Jezus, de Aanroepingen
tot de allerheiligste Verlosser.... Als wij bij het
communiceren proberen een of ander devotionarium -als dat mogelijk is- of een
missaal met gebeden voor de gelovigen bij de hand te hebben, dan beschikken we
over een goede hulp om die tijd te benutten die daarna zoveel invloed zal
hebben, de hele dag door. Heel vaak hangt de verdere dag af van die paar
minuten bij de sacramentele Jezus.
Laten wij steeds alle middelen die binnen ons
bereik liggen aanwenden om onze gesteldheid voor en na de communie te
verbeteren. Elke inspanning die we ons getroosten wordt altijd ruimschoots
beloond. «Dank de Heer, als je Hem ontvangt in de Eucharistie, met alle vuur
van je ziel voor zijn goedheid om met jou te zijn. -Heb je er nooit bij
stilgestaan, dat er eeuwen en eeuwen zijn voorbijgegaan, voordat de Messias
kwam? En de aartsvaders en de profeten maar bidden, samen met heel het volk van
Israël: de aarde heeft zo'n dorst, Heer, kom toch! -Was jouw liefdevol wachten
toch maar zo.»14
-1. Tussenzang (oneven jaren), Dan 3,68 vv. -2. Vgl. A.G. Martimort, La Iglesia en oración,
Herder, 3e ed., Barcelona 1987, bl. 168. -3. Johannes
Paulus ii, Algemene audiëntie 12 maart 1986. -4. Ibidem. -5. Vgl. Gn 1,7. -6. Vgl. B. Orchard e.a., Verbum Dei, II, noten
bij Dan
3,51-90. -7. H. Augustinus, gecit. door D. de las
Heras, Comentario ascético-teológico
sobre los Salmos, bl. 374. -8. Romeins Missaal,
Prefatie van de Mis. -9. Hymne Adoro
te devote. -10. Vgl. F. Suárez, El sacrificio del altar, bl. 280. -11. Lc 21,20-28. -12. F. Suárez, o.c., bl. 274. -13. H. Teresia van Avila, Weg der volmaaktheid,
39. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 991.
|