Drieëntwintigste zondag door het jaar (B)
11. Luisteren naar God en over Hem spreken
-Het wonder van de genezing van een doofstomme. -We moeten
niet stom blijven, als het gaat om onwetendheid op het gebied van de
godsdienst. -Spreek duidelijk en eenvoudig; dit geldt ook in de geestelijke
leiding.
11.1 De
liturgie van de Mis van deze zondag is een oproep tot hoop en absoluut vertrouwen
in de Heer. Tijdens een moment van
duisternis verheft de profeet Jesaja zijn stem om het uitverkoren volk
te troosten dat in ballingschap leeft.1 Hij
kondigt de blijde terugkeer naar hun vaderland aan: Spreek tot allen die de moed verloren hebben: 'Vat moed en
vreest niet: Uw God komt om de wraak te voltrekken, God komt om te vergelden en
om u te redden.' En de profeet voorspelt wonderen die hun
volledige vervulling zullen krijgen met de komst van de Messias: 'Dan gaan de ogen van de blinden weer
open en zullen de oren van de doven geopend worden. De lamme zal springen als
een hert en jubelen zal de tong van de stomme. Ja, in de steppe zullen beken
ontspringen, rivieren in de woestijn. De dorre vlakte wordt een vijver, het
dorstige land één waterbron.' Met Christus wordt de hele mensheid
genezen, en de onuitputtelijke bronnen van genade veranderen de wereld in een
nieuwe schepping. De Heer heeft alles veranderd, en vooral de zielen van de
mensen.
Het evangelie van vandaag verhaalt van de genezing van een
doofstomme.2 De Heer nam hem terzijde, stak hem
de vingers in de oren en raakte zijn tong aan met speeksel. Daarna sloeg Hij
zijn ogen ten hemel en sprak tot
hem: 'Effeta', wat betekent: Ga open. Terstond gingen zijn oren open, en werd
de band van zijn tong losgemaakt zodat hij normaal sprak.
De vingers kunnen een krachtige goddelijke daad betekenen3, en van speeksel denkt men dat het soms wonden kan
genezen. Ofschoon het Christus' woorden zijn die de genezing bewerkten, wilde
Hij, zoals bij andere gelegenheden, zichtbare, stoffelijke voorwerpen gebruiken
die op bepaalde wijze bedoeld waren om de diepere werking uit te drukken die de
sacramenten later in de zielen zouden hebben.4
Reeds in de eerste eeuwen, en vele generaties lang5,
gebruikte de Kerk deze zelfde gebaren van de Heer op het moment van het
doopsel, terwijl ze over de dopeling bad: «Moge de Heer Jezus, die de doven
deed horen en de stommen spreken, geven dat u op de juiste tijd zijn Woord mag
horen en het Geloof verkondigen».6
In deze genezing die de Heer verricht, kunnen we een beeld
zien van hoe Hij in de ziel werkt: Hij bevrijdt de mens van zonden, Hij opent
zijn oren om het Woord van God te horen en maakt zijn tong los om de prachtige
werken van God te prijzen en te verkondigen. Op het moment van het doopsel
bevrijdde de Heilige Geest, «digitus paternae dexterae»7,
de vinger van de rechterhand van God de Vader, zoals de liturgie verkondigt,
ons gehoor om te luisteren naar het Woord van God, en maakte onze tong los om
het over de wereld te verkondigen; en dit is ons hele leven lang zo doorgegaan.
De heilige Augustinus zegt in een commentaar op deze passage uit het evangelie
dat de tong van iemand die met God verenigd is, «zal spreken van het Goede, zal
verenigen wie verdeeld zijn, zal troosten wie huilen. God zal men loven,
Christus zal men verkondigen.»8 Deze dingen
zullen we doen als we aandachtig luisteren naar de voortdurende influisteringen
van de Heilige Geest en als we onze tong gereed houden om over God te spreken,
niet geremd door menselijk opzicht.
11.2 Er
bestaat een doofheid van de ziel die erger is dan die van het lichaam, daar
niemand dover is dan degene die niet wil horen. Velen hebben hun oren gesloten
voor het Woord van God, en velen ook worden steeds ongevoeliger voor de talloze
uitnodigingen van de genade. Een geduldig, vasthoudend, begripvol apostolaat
dat vergezeld gaat van gebed, zal heel wat van onze vrienden de stem van God
doen horen en hen bekeren tot nieuwe apostelen, die overal over Hem zullen
spreken. Dit is een van de zendingen die we bij het doopsel ontvangen hebben.9
Wij, christenen, mogen niet stom blijven als we over God
moeten spreken en zijn boodschap openlijk moeten overbrengen: ouders aan hun
kinderen, door hun gebeden te leren en de beginselen van hun geloof bij te
brengen vanaf hun kinderjaren; een vriend aan zijn vriend, als het geschikte
moment zich voordoet, en dat moment zelfs een handje helpen indien nodig; een
werknemer aan zijn collega's, door hun door zijn woord en voorbeeld een blij
model aan te bieden dat ze kunnen navolgen; de student op de universiteit, te
midden van degenen met wie hij zoveel uren doorbrengt. We mogen niet zwijgen
bij de talloze gelegenheden die de Heer ons geeft om iedereen de weg van de
heiligheid midden in de wereld te laten zien. Er zijn zelfs momenten waarop het
onnatuurlijk zou zijn voor een goed christen om niet met een verwijzing naar de
bovennatuur te komen: de dood van een dierbare, een bezoek aan een ziek iemand
?welke wijde horizonten kunnen geopend worden voor wie lijden, als we hun
vragen hun ongemak te offeren voor een bepaalde intentie, voor de Kerk of voor
de paus!?, het gesprek dat volgt op een of ander lasterverhaal in het nieuws...
wat een gelegenheden om de goede leer te verkondigen! De mensen verwachten het
van ons en we mogen hen niet bedriegen door stil te blijven.
Er zijn veel redenen om te spreken over de schoonheid van ons
geloof, over de onvergelijkelijke vreugde Christus te hebben. Onder andere is
er de verantwoordelijkheid die ons in het doopsel gegeven is om niemand zijn
geloof te laten verliezen door de lawine van ideeën en leerstellige dwalingen
die velen weerloos maakt. «Gemanipuleerd door de niet aflatende haat van de
satan zijn de vijanden van God en van zijn Kerk zonder pauze in de weer met
actie voeren en met zich te organiseren. Met een 'voorbeeldige' volharding
bereiden zij hun kaders voor, houden zij hun scholen in stand en houden hun
leiders en oproerkraaiers op de been. Met een heimelijke, maar doeltreffende
actie verbreiden zij hun ideeën en besmetten zij de huiselijke haard en de
werkplek met het zaad dat elke godsdienstige ideologie verwoest.
»Wat zouden wij gelovigen niet moeten doen om onze God te
dienen, en altijd met waarheid!»10 Zijn we
misschien al tevreden als we passief blijven? De zending die we kregen op de
dag van ons doopsel moet heel ons leven, onder alle omstandigheden, in praktijk
worden gebracht.
11.3 Zoals
verkondigd in de eerste lezing door de profeet Jesaja, is het moment aangebroken
waarop de ogen van de blinden weer
open zullen gaan en de oren van de doven geopend zullen worden. De lamme zal
springen als een hert en jubelen zal de tong van de stomme... Deze
wonderen worden in onze tijd op een ongelofelijk veel diepere manier vervuld
dan voorzien was door de profeet; ze hebben plaats in de ziel die gehoorzaam is
aan de Heilige Geest, die gezonden is door de Heer. We vragen om het geloof en
om de durf om de magnalia Dei11, de schitterende werken van God die we om ons heen
zien, helder en openlijk te verkondigen, net zoals de apostelen deden na
Pinksteren. De heilige Augustinus spoort ons aan: «Als u God liefhebt, trek dan
allen die zich in jouw buurt bevinden of in je huis wonen naar je toe, zodat
allen Hem zullen beminnen. Als je het Lichaam van Christus bemint, dat de
eenheid van de Kerk is, zet dan eenieder ertoe aan zich in God te verheugen en
zeg hun, met David: looft zijn
hoogheilige naam (Ps 30,5); en wees hierin niet berekenend of
karig, maar win voor de Heer liever al wie je kunt, met elk mogelijk middel,
volgens je capaciteiten: door hen aan te sporen, hen te bemoedigen, hen te
smeken, met hen te argumenteren en hun de redelijkheid van het geloof voor te
houden, met grote vriendelijkheid en tact.»12
Laten wij niet stom blijven als God door onze woorden zoveel wil zeggen.
De heilige Marcus heeft het Aramese woord bewaard dat door de
Heer gebruikt werd: 'Effeta' -ga
open. De Heilige Geest heeft ons vaak op verschillende manieren
bewust gemaakt van dit gebiedende advies in de diepten van onze ziel. Onze mond
moest geopend worden en onze tong losgemaakt om te spreken over de staat van
onze ziel met helderheid, zeer oprecht, door met eenvoud uit te leggen wat er
in ons leven gebeurd is, onze verlangens naar heiligheid en de verleidingen van
de vijand, onze kleine overwinningen en onze tegenslagen. Ons gehoor moet
schoongemaakt worden opdat we aandachtig mogen zijn voor de rijkdom aan lessen
en adviezen die de Meester ons geeft in geestelijke leiding.13
De moeilijke strijd zal, als ze gestreden wordt door iemand
die bewapend is met oprechtheid en gehoorzaamheid, altijd gewonnen worden; als
ze in z'n eentje gevoerd wordt door iemand die uitgerust is met bedrog en met
trots, zal deze altijd verloren worden. De Heer geneest en kiest de middelen
die Hij zal gebruiken -middelen die altijd buiten proportie zullen zijn. De
heilige Vincentius Ferrer bevestigde dat God «nooit zijn genade geeft aan
iemand die, terwijl hij beschikt over iemand die in staat is hem te instrueren
en te leiden, ervoor kiest dit meest efficiënte middel tot heiliging af te
wijzen, omdat hij gelooft dat hij zichzelf genoeg is en dat hij door zijn eigen
inspanningen alleen kan zoeken en vinden wat nodig is voor de verlossing [...]
Een ander die, beschikkend over een leidsman, ervoor kiest hem zonder reserve
en in alles te gehoorzamen, zal er makkelijker komen dan wanneer hij het alleen
gedaan had, ofschoon hij best een scherpe intelligentie kan hebben en kundige
boeken over geestelijke zaken bij de hand had...»14
In de heilige Maagd vinden we het volmaakte voorbeeld van
iemand die met een aandachtig oor luistert naar wat God vraagt, om het vanuit
een standpunt van volledige beschikbaarheid in praktijk te brengen. «Inderdaad
vertrouwde Maria zich bij de Boodschap volledig toe aan God, met 'volledige
onderwerping van intellect en wil' (Dei Verbum, 5), blijk gevend van 'de
gehoorzaamheid van het geloof' aan Hem die tot haar sprak door de
boodschapper.»15 Bij het beëindigen van ons
gebed gaan we tot haar en vragen haar ons te leren hoe we aandachtig moeten
luisteren naar alles wat van God komt, en hoe we het in praktijk moeten
brengen.
-1. Jes 35,4-7. -2. Mc 7,31-37. -3. Vgl. Ex 8,19;
Hoogl 8,4; Lc 11,20. -4. Vgl. M.
Schmaus, Dogmatische
theologie, VI, De
sacramenten. -5. Vgl. A.G.
Martimort, De Kerk in gebed,
Barcelona 19863. -6. Vgl. Rite van het doopsel, Doopsel van kinderen.
-7. Vgl. Hymne Veni Creator.
-8. H. Augustinus, Preek 311, 11. -9. Vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 33. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 466. -11. Vgl. Hnd 2,1. -12. H. Augustinus,
Commentaar op de
psalmen, 33,6-7. -13. Vgl. R.
Garrigou-Lagrange o.p., Het
zieleleven van den christen, I. -14. H. Vincentius
Ferrer, Verhandeling
over het geestelijk leven,
ii, 1. -15. Johannes
Paulus ii, Enc. Redemptoris Mater, 25 maart 1987, 13.
|