25 maart. Hoogfeest
(2)
29. MARIA BOODSCHAP
-Het voorbeeld van Onze Lieve Vrouw. -Beantwoorden aan de eigen roeping.
-Het jawoord dat de Heer van ons vraagt.
29.1 Toen de
Heer in de wereld kwam, sprak Hij: Ik ben gekomen, o God, om uw wil te doen.1
De aankondiging en
menswording van Gods Zoon is het meest wonderbaarlijke en
uitzonderlijke feit, het meest innige geheim van Gods betrekkingen met de
mensen en het meest transcendente van de
geschiedenis van de mensheid: God is voor altijd mens geworden! En toch vond
dit gebeuren plaats in een klein volk in een
land, dat in die tijd nagenoeg onbekend was. In Nazaret «wordt Hij die waarlijk God
is, geboren als een ware mens, in de ongeschonden en volmaakte natuur
van de ware mens, volledig in het bezit van het zijne, volledig in het bezit
van het onze [...] om dit laatste te herstellen.»2
Sint Lucas vertelt ons deze verheven
gebeurtenis in de meest eenvoudige bewoordingen: In de zesde maand werd de engel Gabriël van Godswege
gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret, tot een maagd die verloofd was met
een man die Jozef heette, uit het huis van David; de naam van de maagd was
Maria.3 De volksvroomheid heeft
van oudsher de heilige Maria afgebeeld in gebed verzonken toen zij de
boodschap van de engel ontving: Verheug
u, Begenadigde, de Heer is met u.
Onze Moeder stond versteld van die woorden, maar met een ontsteltenis die haar
niet verlamde. Zij kende heel goed de Schrift vanwege het onderricht dat elke
Jood vanaf zijn eerste levensjaren ontving en vooral
vanwege de helderheid en het inzicht, die haar werden geschonken door
haar onvergelijkbare geloof, haar diepe liefde en de gaven van de Heilige
Geest. Daardoor verstond zij de boodschap van de afgezant van God. Haar ziel
staat geheel open voor hetgeen God van haar zal vragen. De engel haast zich om
haar gerust te stellen en onthult haar Gods plan met haar, haar roeping: gij hebt genade
gevonden bij God -zegt hij tot haar-. Zie, gij
zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet
geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste
genoemd worden. God de Heer zal hem de troon van zijn vader David
schenken en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan
zijn koningschap zal nooit een einde komen.
«De bode groet
Maria inderdaad als de Begenadigde;
hij noemt haar zo,
alsof dit haar echte naam is. Hij noemt haar niet bij de naam die zij onder de mensen heeft: Miriam (Maria),
maar bij deze nieuwe naam: Begenadigde.
Wat betekent deze naam? Waarom noemt de aartsengel de Maagd van Nazaret zo? In de bijbelse taal betekent genade een speciale gave, die volgens het Nieuwe Testament haar bron
heeft in het leven van de Drieëne God, van God die liefde is (vgl. 1 Joh 4,8).»4
Maria wordt Begenadigde genoemd, want deze naam duidt haar
ware wezen aan. Wanneer God iemands naam wijzigt of hem een bijnaam geeft,
bestemt Hij hem tot iets nieuws of onthult
hem zijn ware zending in de heilsgeschiedenis. Maria wordt Begenadigde genoemd, vol
van genade, vanwege haar goddelijk moederschap.
De boodschap van de engel onthult Maria haar
eigen optreden in de wereld, de sleutel van
heel haar bestaan. De boodschap was voor haar een volmaakte verheldering
die heel haar leven betrof en haar volkomen bewust maakte van haar uitzonderlijke rol in de geschiedenis van
de mensheid. «Maria wordt definitief binnengeleid in het mysterie van
Christus door middel van deze gebeurtenis.»5
Iedere dag herinneren
talloze christenen in de hele wereld in het gebed van de
'Engel des Heren' Maria aan dit voor haar en heel de mensheid onuitsprekelijke ogenblik; evenzo wanneer wij het eerste van de
blijde geheimen van de heilige rozenkrans overwegen. Laten we trachten
ons in deze scène te verplaatsen en de heilige Maria te aanschouwen, die in liefdevolle vroomheid Gods heilige wil
omarmt. «Wat is het tafereel van de blijde boodschap aan Maria ontroerend!
Maria -hoe vaak hebben we dit niet overwogen!-
is in gebed verzonken..., legt haar vijf zintuigen en al haar vermogens in het
gesprek met God. Tijdens het gebed leert zij de wil van God kennen; en
door het gebed maakt ze die tot haar eigen vlees en bloed: verlies het
voorbeeld van de heilige Maagd niet uit het oog!»6
29.2 Ik ben
hier om uw wil te doen.7
De Allerheiligste Drieëenheid had een plan voor
Onze Lieve Vrouw uitgezet, een unieke en
absoluut uitzonderlijke bestemming: Moeder te worden van de mensgeworden
God. Maar God vraagt Maria om haar vrije instemming.
Zij twijfelde niet aan de woorden van de engel, zoals Zacharias gedaan had;
zij brengt echter de onverenigbaarheid naar voren van haar beslissing om
altijd de maagdelijkheid te beleven, zoals God zelf die in haar hart had
gelegd, met de ontvangenis van een kind. Dan kondigt de engel haar in heldere
en verheven woorden aan, dat zij moeder zal worden zonder verlies van haar
maagdelijkheid: De Heilige Geest
zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom
ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God.
Maria aanhoort deze woorden en overweegt ze in
haar hart. Er is geen enkel verzet in haar
geest: alles staat open voor de wil
van God, zonder enige begrenzing of beperking. Deze overgave aan God maakt
Maria tot de goede aarde,
die in staat is het goddelijk zaad te
ontvangen.8 Ecce ancilla Domini..., zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord. Onze Lieve Vrouw aanvaardt met oneindige
vreugde, dat zij geen andere wil, geen ander verlangen koestert dan die van
haar Meester en Heer, die vanaf dat ogenblik
ook haar Zoon is, mens geworden in haar allerreinste schoot. Zij geeft
zich zonder enige beperking over, zonder voorwaarden te stellen, met vreugde en
in vrije wil. «Zo is Maria, dochter van Adam, door haar instemming met het woord van God, de Moeder van Jezus geworden.
Met geheel haar hart en door geen enkele zonde weerhouden, heeft zij de
goddelijke heilswil aanvaard. Als dienstmaagd van de Heer heeft zij zich geheel
en al aan de persoon en het werk van haar
Zoon gewijd, om afhankelijk van Hem en met Hem, door de genade van de almachtige
God, in dienst te staan van het verlossingsmysterie. Terecht zijn de heilige
vaders dus van mening, dat God Maria geenszins als een louter passief werktuig
heeft gebruikt, maar dat zij in vrijwillig geloof en gehoorzaamheid aan het
verlossingswerk meewerkt.»9
De roeping van de heilige Maria is het
volmaakte voorbeeld van iedere roeping. Wij begrijpen ons leven en de
gebeurtenissen die daarin plaatsvinden, in het licht van de eigen roeping. In
de ijver om dit goddelijk plan ten uitvoer te brengen, vinden wij de weg naar
de hemel en de eigen menselijke en bovennatuurlijke volheid.
De roeping is niet
zozeer de uitverkiezing die wij maken, als wel die welke God voor ons maakt
door middel van talrijke
omstandigheden die men in geloof en in een zuiver en rechtschapen hart moet
weten te begrijpen. Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u.10 «Iedere roeping, ieder bestaan
is op zichzelf een genade die vele andere genaden insluit. Een genade, d.w.z.
een gave, iets dat ons gegeven wordt, dat ons geschonken wordt zonder dat er
van onze kant recht op bestaat, zonder eigen verdienste die eraan ten grondslag zou liggen of -nog minder- die het zou
rechtvaardigen. Het is niet nodig, dat de roeping, de oproep om Gods plan uit te voeren, de zending die men
verkregen heeft te vervullen, iets
groots of schitterends is: het is voldoende, dat God ons heeft willen
gebruiken, zich van ons heeft willen
bedienen; voldoende is, dat Hij op onze medewerking vertrouwt. Dit is op zich
reeds zo ongehoord, zo groots, dat
een leven dat geheel gewijd is aan dankzegging, niet toereikend zou zijn
om hieraan te beantwoorden.»11
Vandaag zal het
God zeer welgevallig zijn, dat wij Hem dankzeggen voor de ontelbare lichtjes die de route
van onze roeping aangeven, en dat wij
dit doen door middel van zijn allerheiligste Moeder, die zo allertrouwst
beantwoord heeft aan hetgeen de Heer van haar wilde.
29. 3. Vrees niet...
«Vrees
niet. Daar ligt het hoofdbestanddeel van de roeping. De mens is inderdaad bevreesd. Hij
vreest niet alleen, dat hij tot het priesterschap wordt geroepen, maar
ook dat hij tot het leven wordt geroepen, tot zijn plichten, tot een beroep,
tot het huwelijk. Deze vrees toont een ongerijpt verantwoordelijkheidsgevoel.
Men moet de vrees overwinnen om tot een gerijpt verantwoordelijkheidsgevoel te
komen: men moet de oproep aanvaarden, haar beluisteren, haar aannemen, haar
naar ons bevattingsvermogen overwegen en dan
antwoorden: ja, ja. Vrees niet,
vrees niet, want je hebt genade gevonden, vrees het leven niet, vrees je moederschap
niet, vrees je huwelijk niet, vrees je priesterschap niet, want je hebt genade
gevonden. Deze zekerheid, dit besef helpt ons zoals het Maria geholpen heeft. Inderdaad,
«de aarde en het paradijs wachten op uw
'ja', o allerreinste Maagd' -zijn de beroemde mooie woorden van de
heilige Bernardus-. Hij verwacht uw 'ja', Maria. Hij verwacht uw 'ja', moeder
die een kind gaat krijgen; Hij verwacht uw 'ja', man die verantwoordelijkheid
op u gaat nemen, in de persoonlijke sfeer, in uw gezin en in de maatschappij...
»Dit is het antwoord van Maria, het antwoord
van een moeder, het antwoord van een jongere: een 'ja' tegen heel het leven»12, dat ons met vreugde verplicht.
Het antwoord van Maria -fiat- is nog definitiever dan een eenvoudig
'ja'. Het is de totale wilsovergave aan hetgeen de Heer van haar verlangde op
dat ogenblik en gedurende heel haar leven. Dit fiat zal zijn hoogtepunt bereiken op Calvarië
wanneer zij zich, onder het kruis, samen met haar Zoon aanbiedt.
Het jawoord dat de Heer van ons vraagt, van
ieder van ons op zijn eigen weg, zet zich
voort in de loop van heel het leven,
in kleine, soms grotere gebeurtenissen, in de opeenvolgende roepingen,
waarvan sommige de voorbereiding zijn op de
volgende. Het 'ja' tot Jezus brengt ons ertoe niet te zeer aan onszelf
te denken, maar met waakzaam hart erop bedacht te zijn, waar de stem van de
Heer vandaan komt, die ons de weg wijst die Hij voor de zijnen uitzet. In deze
liefdevolle beantwoording verweven zich in volmaakte harmonie de eigen
vrijheid en de goddelijke wil.
Bidden wij vandaag tot Onze Lieve Vrouw om het
oprechte en grote verlangen onze eigen roeping steeds dieper te leren kennen en om licht om te beantwoorden aan de opeenvolgende oproepen die we van de Heer
ontvangen. Laten we haar bidden, dat wij in elke omstandigheid een
bereidwillig en krachtig antwoord weten te geven, want alleen de roeping is hetgeen een leven vervult en zin geeft.
-1. Heb 10,5-7. -2. Getijdenboek, tweede lezing, H. Leo de Grote, Brief 28
aan Flavianus, 3. -3. Lc 1,26-37. -4. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptoris
Mater, 25 maart 1987, 8. -5. Ibidem. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 481. -7. Tussenzang, Ps 39,7. -8. Vgl. M.D. Philippe, Mystère de Marie. -9. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium, 56. -10. Joh 15,16. -11. F. Suárez, Maria van Nazaret. -12. Johannes Paulus ii, Toespraak 25 maart 1982.