24 januari. Zevende dag van de Bidweek
10. MARIA, MOEDER VAN DE EENHEID
-Moeder van de eenheid op het moment van de
menswording. -Op Calvarië. -Bij de geboorte van de Kerk met Pinksteren.
10.1 Gij zult
juichend de kinderen van God tegemoet gaan, Maagd Maria, want allen zullen zich
vergaderen om de Heer van de wereld te zegenen.1
De Kerk, gedreven door een vurig verlangen om
alle christenen en alle mensen in eenheid samen te brengen, smeekt God, op voorspraak van de Maria, dat alle
volkeren zich verenigen in
één zelfde volk van het nieuwe verbond.2
De Kerk is ervan overtuigd, dat de eenheid der christenen nauw verbonden is met
het geestelijk moederschap van de heilige
Maagd Maria over alle mensen, heel bijzonder de christenen.3 Paus Paulus vi
heeft haar herhaaldelijk met de naam 'Moeder
van de eenheid' aangeroepen. Johannes Paulus ii richtte tot Onze Lieve Vrouw dit zo
liefde- en vertrouwensvolle gebed: «Gij, die de eerste dienares zijt van de eenheid van Christus' Lichaam, help
ons, help alle gelovigen, die zo smartelijk het drama van de scheuringen in het
verleden van de christenheid voelen; help ons onophoudelijk de weg naar de
volmaakte eenheid van het Lichaam van Christus te vinden door onvoorwaardelijke
trouw aan de Geest van waarheid en liefde...»5
De Kerk werd in zekere zin met Christus geboren
en groeide reeds in het huis van Nazaret, samen met Hem, want de Kerk is in
haar onzichtbare en mysterieuze werkelijkheid dezelfde Christus die op mystieke
wijze in ons ontplooid en levend is. En Maria is vanwege haar goddelijk
moederschap vanaf het begin de Moeder van de gehele Kerk.6 Wij allen vormen één lichaam en Maria is de Moeder
van dit mystieke Lichaam. En welke moeder zal toelaten, dat haar kinderen zich
van het vaderhuis afzonderen en verwijderen? Tot wie kunnen wij ons dan met
meer zekerheid om verhoord te worden wenden dan tot de heilige Maria, onze
Moeder?
De heilige Bernardus beschrijft ons in een
schitterende bladzijde hoe alle schepselen Maria aanroepen, opdat zij bij de boodschap
van de engel het 'fiat', het 'geschiede' uitspreekt, dat voor allen het heil
zou brengen. Hemel en aarde, zondaars en rechtvaardigen, heden, verleden en
toekomst komen in Nazaret rond Maria samen.7
Toen Onze Lieve Vrouw haar toestemming gaf, werd haar moederschap over Christus
en over de Kerk en in zekere zin over heel de schepping werkelijkheid. De zonde
had de eenheid van het menselijk geslacht uiteen doen vallen en heel de
wereldorde verstoord. Maria was het uitverkoren schepsel om de menswording van
Gods Zoon mogelijk te maken en door haar toestemming werd zij mede de oorzaak
van de hereniging van alle dingen, welke Christus door de verlossing zou
bewerkstelligen.
De Kerk, het
mystieke Lichaam van Christus, verkreeg in de menswording
-en bijgevolg in de schoot van Maria zelf- het allereerste beginsel van haar
eenheid. De heilige Maagd was de Moeder
van de eenheid van de Kerk in haar diepste werkelijkheid, want
zij schonk in haar allerreinste schoot het leven aan Christus. Christus,
«schepper van het ongeschonden geloof en minnaar van de eenheid, koos zich een
Moeder uit, rein van ziel en lichaam, en wenste als bruid de ene, onverdeelde
Kerk.»8
10.2 Christus voltooide de redding op Calvarië. Het Nieuwe Verbond,
bezegeld met het bloed dat aan het kruis werd vergoten, verbond de mensen
opnieuw met God en verenigde hen tegelijkertijd met elkaar. De Heer -zo leert
sint Paulus- haalde alle scheidsmuren neer en vormde één, enige Kerk, één enig
volk.9 De verscheidenheid van rassen, naties,
talen, maatschappelijke omstandigheden, zou geen hinderpaal vormen voor deze
eenheid die Christus ons door zijn dood aan het kruis heeft geschonken. Op het
ogenblik waarop de verlossing werd voltooid, stond het nieuwe volk van de
kinderen van God op, verenigd rond het kruis en door zijn bloed verlost.
«Verheven boven de aarde, in het bijzijn van de Moedermaagd, bracht Hij uw
verstrooide kinderen bijeen en verenigde hen met zich door de banden van de
liefde.»10
Maria koesterde in die uren van het lijden in
haar allerheiligst hart dezelfde gevoelens als haar Zoon, die de avond tevoren
afscheid had genomen van zijn leerlingen met
een boodschap van broederschap, toen Hij tot de Vader een gebed richtte,
dat zijn hoogtepunt vond in die bede om eenheid, die ook wij, in eenheid met
Hem, wellicht zo vaak hebben uitgesproken: ut omnes unum sint, sicut tu, Pater, in me et ego in te...,
opdat allen één zijn, zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U...11 Deze eenheid waarvoor Jezus bidt voor de zijnen is
een weerspiegeling van de eenheid tussen de drie goddelijke personen, waarin
Onze Lieve Vrouw in onvergelijkbare en buitengewone mate deelde.12
Aan de voet van het kruis was Onze Lieve Vrouw
ten nauwste verbonden met haar Zoon, en was zij aldus medeverlosseres met Hem.
Toen Jezus daar zijn moeder zag en de leerling die Hij liefhad, sprak Hij tot zijn moeder: Vrouwe, zie
daar uw zoon. Vervolgens zei Hij tot de leerling: Zie daar uw moeder. En van
dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis.13 Onze Moeder Maria was altijd met haar Zoon
verbonden, zoals nog nooit een schepsel dat was geweest en niemand ooit zal
zijn, en heel bijzonder in die laatste momenten waarin onze redding tot
voltooiing kwam. Op Calvarië «heeft zij standvastig volgehouden tot naast het
kruis. Daar stond zij (vgl.
Joh 19,25)
niet zonder Gods beschikking, daar heeft zij smartelijk met haar Eniggeborene
meegeleden en zich met haar moederhart bij zijn offer aangesloten, liefdevol
toestemmend in de slachting van het offerlam dat
uit haar was geboren. Ten slotte werd zij door dezelfde Christus Jezus,
stervend op het kruis, als Moeder aan de leerling gegeven»14; in die leerling zijn wij, alle mensen,
vertegenwoordigd. Zij is de Moeder van heel het menselijk geslacht en met name
van ons allen die door het doopsel in Christus zijn opgenomen. Hoe zouden wij
dan in deze dagen, waarin wij volhardend om eenheid bidden, de Moeder kunnen
vergeten die in het éne huis alle kinderen bijeenbrengt?
Het Tweede
Vaticaans Concilie herinnert ons eraan hoe noodzakelijk
het is, dat wij onze blik richten op onze gemeenschappelijke
Moeder: «Laten alle gelovigen de Moeder van God en de Moeder van de mensen dringend erom smeken, dat zij
[...] in de gemeenschap van alle heiligen bij haar Zoon ten beste zal spreken,
totdat alle volkerenfamilies, zowel zij die de erenaam van christenen dragen
als zij die hun Verlosser nog niet kennen, in vrede en eensgezindheid tot één
enkel volk van God gelukkig verenigd worden, tot glorie van de allerheiligste
en onverdeelde Drievuldigheid.»15 Tot haar nemen
wij onze toevlucht en smeken haar, dat deze liefde tot de eenheid ons ertoe aanzet
steeds meer te groeien in een ongekunsteld, volhardend en daadkrachtig
apostolaat: «Roep de heilige Maagd aan; bid haar onophoudelijk dat zij zich
steeds uw Moeder toont: monstra te
esse Matrem!, en dat zij met de genade van haar Zoon, voor u
helder begrip van de gezonde leer verkrijgt en liefde en zuiverheid van hart,
opdat u tot God kunt gaan en vele zielen tot Hem zult leiden.»16
10.3 Tot U
teruggekeerd en aan uw rechterhand gezeten, zond Hij over de maagd Maria, in
gebed met de apostelen, de Geest van eensgezindheid en eenheid, van vrede en
vergeving.17
Naar de wil van Jezus Christus heeft de Kerk
vanaf het begin een zichtbare eenheid gehad: in het geloof, in de éne hoop, in
de liefde, het gebed, de sacramenten, in de herders door wie zij geleid zou
worden en aan wier hoofd Petrus was gesteld. Deze zichtbare, uitwendige eenheid
moest als het ware een teken van haar goddelijk karakter vormen, want zij was
een uiting van Gods aanwezigheid in haar.
Aldus had Jezus daarvoor gebeden bij het Laatste Avondmaal.18 Zo leefden de eerste christenen: met elkaar
verenigd, onder leiding van de apostelen.
Toen de apostelen
samengekomen waren in de zaal van het Laatste Avondmaal om
de Heilige Geest te ontvangen, was
Onze Lieve Vrouw bij hen. Zij, met hoe weinigen ze ook waren, zijn de eerste
cel van de universele Kerk. «Maria is haar middelpunt, als het hart dat haar
leven schenkt tot in haar diepste innerlijk.»19
De apostelen volhardden in het gebed met Maria, de Moeder van Jezus.20 De mensen en de gebeurtenissen, zoals die
door Lucas worden beschreven, worden als het ware aangetrokken door de persoon
van Maria die het middelpunt inneemt van de plaats waar de vrienden van Jezus
waren samengekomen. «De traditie heeft deze
scène aanschouwd en overwogen en zij is tot de slotsom gekomen, dat
daarin het moederschap verschijnt, dat Maria over heel de Kerk uitoefent, zowel
in haar oorsprong als in haar ontwikkeling.»21
Rondom Maria zijn degenen verenigd die de Heilige Geest zullen ontvangen.
Petrus vormt de inwendige eenheid van de Kerk. «Maria schiep een atmosfeer van
liefde, saamhorigheid, van eenstemmige eensgezindheid. Zij was bijgevolg de
beste medewerkster van Petrus en de apostelen in de organisatie en het
bestuur.»22
Na haar hemelvaart is Maria onophoudelijk
blijven waken over de eenheid van de ledematen van haar Zoon, en wanneer dezen
de moederlijke bescherming die hen verenigd hield niet aannamen, is zij
onophoudelijk hun voorspreekster gebleven, opdat zij zouden terugkeren tot de
volle gemeenschap in de schoot van de Kerk. Ons laat zij gevoelens van
broederschap, begrip en vrede ervaren. «De ervaring van het Cenakel zou niet de
weerspiegeling zijn van het genade-uur van de uitstorting van de Geest, als zij
niet de genade en vreugde van Maria's aanwezigheid had. Met Maria, de Moeder van Jezus (Hnd 1,14), zo leest men op dat
grote ogenblik van Pinksteren [...]. Zij, Moeder van de liefde en de eenheid,
verenigt ons ten diepste opdat zij, zoals de eerste gemeenschap die in het
Cenakel werd geboren, één hart en
één ziel zijn. Zij, 'Moeder van de eenheid', in wier schoot Gods
Zoon zich aan de mensheid verbond door op mystieke wijze de vereniging, als
bruid en bruidegom, van de Heer met alle mensen te onthullen, helpt ons 'een'
te zijn en ons tot werktuigen van eenheid te maken [...].»23
-1. Altaarmissaal,
Mis van de H. Maria, Moeder en
Koningin van de eenheid, introïtus. -2. Ibidem, collectegebed. -3. Vgl. Leo xiii,
Enc. Auditricem populi, 5-IX-1895. -4. Vgl. Paulus vi, Insegnamenti, vol. II, bl. 69. -5. Johannes
Paulus ii, Radioboodschap ter herdenking van het Concilie van Efese,
7-VI-1981. -6. Paulus vi, Toespraak tot het Concilie, 21-IX-1964. -7. Vgl. H. Bernardus, Preken over
de Moedermaagd, 2. -8. Altaarmissaal,
loc. cit., Prefatie. -9. Vgl. Ef 2,14vv. -10. Altaarmissaal, loc. cit., Prefatie. -11. Joh 17,21.
-12. Vgl. Johannes
Paulus ii, Homilie 30-I-1979. -13. Joh 19,26-27. -14. Vaticanum ii, Dogm.
const. Lumen gentium, 58. -15.
Ibidem, 69. -16. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 986.
-17. Altaarmissaal, loc. cit.,
Prefatie. -18. Joh
17,23. -19. R.M. Spiazzi, Maria en el misterio cristiano,
Studium, Madrid 1958, bl. 69. -20. Hnd 1,14. -21. The Navarre Bible, in loc. -22. R.M. Spiazzi, o.c., bl. 70. -23. Johannes
Paulus ii, Homilie 24-III-1980.