15 augustus. Hoogfeest
16. MARIA TENHEMELOPNEMING
Vanaf de eerste eeuwen (v-vi) heeft de Kerk vreedzaam het
geloof in de tenhemelopneming met ziel en lichaam van de allerheiligste Maria
beleden, zoals af te leiden valt uit de liturgie, godsdienstige documenten, de
geschriften van kerkvaders en kerkleraren. Dit eeuwenoude en algemene geloof is
door geheel het episcopaat bevestigd in de Apostolische Brief van 1 mei 1946,
die ter illustratie dient van de redenen van haar dogmatische bepaling, die
door paus Pius xii op 1 november 1950 ten uitvoer werd gebracht.
-Maria, met ziel en lichaam ten hemel opgenomen. Beschouwing
van het vierde glorievolle geheim van de heilige rozenkrans. -Vanuit de hemel
spreekt de Maagd Maria ten beste en zorgt zij voor haar kinderen. -De
hemelvaart van Onze Lieve Vrouw, hoop op onze glorievolle verrijzenis.
16.1 Vijandschap
sticht Ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare.1 Zó verschijnt de heilige Maagd Maria, verbonden met
Christus, de Verlosser, in de strijd tegen en de overwinning op de satan. Het
is Gods plan, dat de Voorzienigheid vanaf de eeuwigheid had bereid om ons te
redden. Dit is de aankondiging in het eerste boek van de Heilige Schrift, en in
het laatste komen we weer deze wonderbaarlijke bevestiging tegen: Er verscheen een groot teken aan de hemel: een vrouw, bekleed met
de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf
sterren.2 Dat is de allerheiligste Maagd,
die met ziel en lichaam de hemel binnentreedt, toen haar leven hier onder ons
geëindigd was. En zij komt daar om gekroond te worden tot koningin van het
heelal, omdat zij de Moeder van God is. Zo begeert de
koning uw schoonheid3, zo luidt de tussenzang.
De apostel Johannes, die ongetwijfeld getuige van Maria's
hemelvaart is geweest -de Heer had haar aan hem toevertrouwd, en hij zal op die
momenten niet afwezig zijn geweest-, vertelt ons in zijn evangelie niets over
de laatste ogenblikken van onze Moeder hier op aarde. Hij die ons zo helder en
krachtig gesproken heeft over Jezus' dood op Golgota, zwijgt wanneer het gaat
om haar, voor wie hij gezorgd heeft als voor zijn eigen moeder en als de Moeder
van Jezus en alle mensen.4 Uiterlijk gezien moet
het als een zoete slaap geweest zijn: «zij vertrok uit deze wereld in wakende
toestand»5, zegt een oude schrijver, in de
volheid van liefde. «Toen de loop van haar aardse leven eindigde, werd zij met
ziel en lichaam in de hemelse heerlijkheid opgenomen.»6
Daar wachtte haar Zoon op haar, Jezus, in zijn verheerlijkt lichaam, zoals zij
dat had aanschouwd na zijn verrijzenis. Met zijn goddelijke macht bewaarde God
de onaantastbaarheid van Maria's lichaam en stond Hij niet de geringste
verandering daarvan toe: de volmaakte eenheid en volledige harmonie van haar
lichaam bleef ongeschonden. Onze Lieve Vrouw verkreeg «als hoogste bekroning
van haar voorrechten, dat zij gevrijwaard bleef tegen het bederf van het graf
en dat zij door de dood te overwinnen -zoals eerder haar Zoon deze had
overwonnen- met ziel en lichaam tot de hemelse heerlijkheid werd verheven.»7 Dat wil zeggen, de harmonie van de voorrechten van
Maria vereiste haar opneming in de hemel.
Wij hebben dit voorrecht van Onze Lieve Vrouw dikwijls
overwogen in het vierde glorievolle geheim van de rozenkrans: «De Moeder van
God is ingeslapen [...]. Maar Jezus wil zijn Moeder, met ziel en lichaam, in de
heerlijkheid hebben. -En het hemelse hof ontvouwt heel zijn luister, om de
Vrouwe te onthalen. -Jij en ik -kinderen, uiteindelijk- nemen de sleep van de
schitterende blauwe mantel van de Maagd, en zó kunnen wij dat wonder
aanschouwen.
»De Allerheiligste Drieëenheid ontvangt haar Dochter, Moeder
en Bruid van God en overlaadt haar met eerbewijzen... -En zó groot is de majesteit
van de Vrouwe, dat de engelen vragen: Wie is dat?»8
Wij verheugen ons met de engelen, eveneens vervuld van verwondering, en
feliciteren haar op haar feestdag. En wij voelen ons trots, dat wij kinderen
van zulk een grote Vrouwe zijn.
De volksvroomheid en de kunst hebben, met betrekking tot dit
mysterie, de Maagd vaak afgebeeld als gedragen door de engelen en door een
krans van wolken omgeven. De heilige Thomas ziet in deze tussenkomst van de
engelen jegens hen die de aarde hebben verlaten en reeds op weg zijn naar de
hemel, de uitdrukking van de eerbied die de engelen en alle schepselen bewijzen
aan de verheerlijkte lichamen.9 In het geval van
Onze Lieve Vrouw is alles wat wij ons kunnen voorstellen maar uiterst gering.
Niets in vergelijking met hoe het in werkelijkheid zal zijn geschied. De
heilige Theresia vertelt, dat zij een keer de verheerlijkte hand, alleen maar
de hand, van onze lieve Heer heeft gezien; en daarna zei de heilige, dat bij
die hand vijfhonderdduizend maal de zon, helder schijnend en weerkaatsend in
het zuiverste kristal, als een droeve en pikdonkere nacht was. Hoe zou dan het
gelaat van Christus geweest zijn, zijn oogopslag...? Ooit zullen we, als we trouw
zijn, Jezus en de heilige Maria aanschouwen, Hen die wij in dit leven zo vaak
hebben aangeroepen.
16.2 Op deze
dag is de Maagd, de Moeder van God ten hemel opgenomen. Zij is het begin, het
beeld van de Kerk der voleinding. Zij houdt in ons de hoop levend en is een
troost voor uw volk onderweg.10
Laten wij Onze Lieve Vrouw aanschouwen, reeds in de hemel
opgenomen. «En zoals de reiziger, die met zijn hand een scherm maakt om een of
ander weids panorama te beschouwen, om zich heen een menselijke gedaante zoekt
waardoor hij zich een idee kan vormen van die omgeving, zo identificeren en verwelkomen
wij, die met verblinde ogen naar God kijken, een zuiver menselijke gedaante,
die naast zijn troon staat. Een schip heeft zijn omvaring beëindigd, een
bestemming is vervuld, een menselijke volmaaktheid heeft bestaan. En als wij
naar haar kijken, zien we God duidelijker, groter, door dit meesterwerk van
zijn betrekkingen met de mensheid.»11
Alle voorrechten van Maria houden verband met haar moederschap
en derhalve met onze verlossing. Maria, ten hemel opgenomen, is het beeld en de
voorproef van de Kerk die zich nog op weg naar het Vaderland bevindt. Vanuit de
hemel «is zij hier op aarde, totdat de dag des Heren komt, het lichtend teken
van de vaste hoop van het pelgrimerende volk van God.»12
«Met het mysterie van de tenhemelopneming is in Maria heel de uitwerking van
het enige middelaarschap van Christus, de Verlosser van de wereld en de
verrezen Heer werkelijkheid geworden [...]. In het mysterie van de
tenhemelopneming drukt zich het geloof van de Kerk uit volgens hetwelk Maria
'door een innige en onbreekbare band verenigd' is met Christus.»13 Zij is de zekerheid en het bewijs, dat wij, haar
kinderen, ooit met ons verheerlijkt lichaam bij de verheerlijkte Christus
zullen zijn. Ons verlangen naar het eeuwige leven krijgt vleugels, als we
overwegen dat onze hemelse Moeder daarboven is, ons ziet en ons met haar tedere
blik aanschouwt.14 Met des te meer liefde,
naarmate zij ziet dat wij daaraan behoefte hebben. «Zij heeft die taak van
middelares van goedertierenheid die eigen is aan de moeder bij de definitieve
komst.»15
Zij is onze grote beschermster bij de Allerhoogste. Het is
waar, dat het leven op aarde voor ons vaak een dal van
tranen is, omdat offers en ontberingen niet ontbreken: met name
ontbreekt ons de hemel. Maar tegelijkertijd schenkt de Heer ons veel vreugde en
bezitten we de hoop op de heerlijkheid om vol optimisme voort te gaan. Een van
deze redenen tot blijdschap is de heilige Maria. Zij is ons
leven, onze zoetheid en onze hoop: de liefde van de Moeder is voelbaar
in het leven van de christen. Sla op ons uw barmhartige
ogen, zeggen we tot haar. De ogen van de heilige Maria zijn, zoals die
van haar Zoon, ogen van barmhartigheid, van medeleven. Zij zal iemand die bij
haar bescherming zoekt altijd de hand reiken: Nooit heeft
men horen zeggen, dat iemand van hen die hun toevlucht tot uw bescherming
hebben gezocht, verloren gaat...16 We
moeten steeds meer de voorspraak trachten te zoeken van de Maagd, van de
Koningin van hemel en aarde. Laat ons tot de toevlucht van
de zondaars gaan; en we zullen haar zeggen: toon ons
Jezus, want die hebben wij het meest nodig.
Welk een zekerheid, welk een vreugde bezit de ziel die zich
in alle omstandigheden tot de allerheiligste Maagd richt met de eenvoud en het
vertrouwen van een kind tot zijn moeder! «Als een gedwee werktuig in handen van
de verheven God -zo schrijft een kerkvader- zo zou ik onderworpen willen zijn
aan de Moedermaagd, helemaal aan haar dienst gewijd. Verleen mij dit, Jezus,
God en Zoon van de mens, Heer van alle dingen en Zoon van uw Dienstmaagd [...].
Maak dat ik uw Moeder dien zodat Gij mij als dienaar herkent; moge zij mijn
vorstin op aarde zijn, zodat Gij mijn Heer zijt in alle eeuwigheid.»17 Maar we moeten onderzoeken hoe wij dagelijks met
haar omgaan. «Als je er trots op bent een kind van Maria te zijn, vraag je dan
af: hoe dikwijls uit ik mijn devotie tot de Maagd gedurende de dag, van 's
morgens tot 's avonds?»18: de Engel des Heren,
de heilige rozenkrans, de drie weesgegroetjes 's avonds...
16.3 Gelukkig
de schoot van Maria, de Maagd, die de Zoon van de eeuwige Vader gedragen heeft.19
De hemelvaart van Maria is een kostbare voorproef op onze
verrijzenis en is gebaseerd op de verrijzenis van Christus, die ons armzalig lichaam zal herscheppen en het gelijkvormig zal
maken aan zijn verheerlijkt lichaam.20
Daarom roept de heilige Paulus ons in de tweede lezing van de heilige mis ook
in herinnering21: als door een mens de dood is
gekomen (door de zonde van Adam), komt door een mens ook de opstanding der
doden. Door Hem zullen allen herleven, maar ieder in zijn
eigen rangorde: als eerste en voornaamste Christus, vervolgens bij zijn
komst, zij die Christus toebehoren; daarna komt het einde, wanneer Hij het
koningschap aan God de Vader zal overdragen... Die komst van Christus, waarvan
de apostel spreekt, «zou die, in dit enige geval (van de Maagd) op
uitzonderlijke wijze, bij wijze van spreken misschien niet 'onmiddellijk' in
vervulling gaan, dat wil zeggen, op het ogenblik waarop het aardse leven
eindigt? [...] Vandaar dat dit levenseinde dat voor alle mensen de dood is, in
het geval van Maria door de traditie liever 'het inslapen' wordt genoemd.
»Assumpta est Maria in caelum, gaudent
Angeli! Et gaudet Ecclesia! Voor ons is het hoogfeest van vandaag als
het ware een voortzetting van Pasen, van de verrijzenis en de hemelvaart van de
Heer. En het is tegelijkertijd het teken en de bron van de hoop op het eeuwige
leven en de toekomstige verrijzenis.»22
Het hoogfeest van vandaag vervult ons van vertrouwen in onze
smeekbeden. «Onze voorspreekster is ten hemel opgevaren, om als Moeder van de
Rechter en Moeder van barmhartigheid de zaken van onze redding te behartigen.»23 Zij voedt voortdurend onze hoop. «Wij zijn nog
pelgrims, maar onze Moeder is ons voorgegaan en toont ons reeds het einde van
de weg. Zij zegt ons opnieuw dat het mogelijk is er te komen, en dat wij er
komen als we trouw zijn. Want de heilige Maagd is niet alleen een voorbeeld
voor ons: zij is ook de hulp der christenen. En als we smeken: Monstra te esse Matrem (liturgische hymne Ave maris stella), toon U een Moeder, dan kan noch wil zij
weigeren haar kinderen met moederlijke zorg te omringen [...].
»Cor Mariae dulcissimum, iter para tutum;
Allerzoetst Hart van Maria, geef ons kracht en bescherming op onze aardse weg.
Wees zelf onze weg, want gij kent het pad en de zekere kortste verbinding die,
door uw liefde, naar de liefde van Jezus Christus leiden.»24
-1. Gn 3,15. -2. Introïtus. Apok 12,1. -3. Tussenzang,
Ps 44,12. -4. M.D. Philippe, Mystère
de Marie. -5. H. Germanus van Constantinopel, Homilieën over de Maagd Maria, I. -6. Pius xii, Const. Munificentissimus
Deus, 1-XI-1950. -7. Ibidem. -8. H. Jozefmaria Escrivá, De heilige Rozenkrans. Vierde glorievolle geheim. -9. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae,
Suppl. q84, a1, ad 1. -10. Altaarmissaal, Prefatie
van Maria Tenhemelopneming. -11. R.A. Knox, Preek op het feest van de hemelvaart van Onze Lieve Vrouw,
15-VIII-1954. -12. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 68. -13. Johannes
Paulus ii, Enc. Redemptoris Mater,
25-III-1987, 41. -14. Vgl. Paulus vi, Toespraak 15-VIII-1963. -15. Johannes
Paulus ii, o -16. Gebed
van de heilige Bernardus. -17. H. Ildefonsus
van Toledo, Libro sobre la virginidad
perpetua de Santa María, 12. -18. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 433. -19. Communio van de vigiliemis. Vgl. Lc
11,27. -20. Fil 3,21. -21. Tweede
lezing. 1 Kor 15,20-26. -22. Johannes Paulus ii, Homilie
15-VIII-1980. -23. H. Bernardus, Homilie
bij de Hemelvaart van de heilige Maagd Maria, 1. -24. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 177-178.