Zestiende zondag door het jaar (C)
12. Marta's werk
-De Heer werd goed verzorgd in Betanië. Vriendschap met
Jezus. -Werken in de wetenschap dat de Heer bij ons is. Tegenwoordigheid van
God waar wij werken. -Werk en gebed.
12.1 Wees zo welwillend, heer, uw
dienaar niet voorbij te gaan. Ik zal water laten brengen; was uw voeten en rust
hier onder de boom. Ik zal brood voor u halen om u te sterken voor uw verdere
reis.1 Zo verwelkomde Abraham Hem, toen de Heer als een pelgrim aan Abraham
verscheen bij de eik van Mamre. God vergat nooit Abraham's gastvrijheid.
Het evangelie van vandaag verhaalt opnieuw de aankomst van
Jezus en zijn leerlingen bij het huis van zijn vrienden Marta, Maria en Lazarus
in Betanië.2 Bij een latere gelegenheid huilde
Jezus toen Hij vernam dat Lazarus gestorven was. Hij wekte hem toen weer tot
leven. Betanië ligt op ongeveer drie kilometer van Jeruzalem. Jezus placht daar
te verblijven om in het huis van zijn vrienden uit te rusten alvorens verder te
gaan naar de heilige stad. Hij voelde zich daar thuis, omringd als Hij was door
blijdschap en liefde. Zo behoren wij Jezus, die in het tabernakel verblijft, te
begroeten. Wij hebben geen trouwere vriend dan Hem. Meer dan wie ook verdient
Hij onze liefdevolle aandacht.
In deze hartelijke familiale omgeving gedroegen de zussen
zich met natuurlijkheid en met eenvoud, ook al hadden zij verschillende
opvattingen. Marta werd in
beslag genomen door de drukte van het bedienen. Zij schijnt de
oudste van de twee geweest te zijn, want de heilige Lucas zegt: een vrouw, die Marta heette,
ontving Hem in haar woning. Zij werd volkomen in beslag genomen
met het bedienen van de Heer en zijn leerlingen. Zeker, er zal meer dan genoeg
geweest zijn om haar bezig te houden. Zo'n talrijke groep te ontvangen was geen
gemakkelijke taak, temeer daar zij zo onverwacht waren gekomen. Begrijpelijk,
Marta wil de Heer op gepaste wijze verwelkomen. Wij weten dat zij op een
bepaald moment haar gemoedsrust verloor en gefrustreerd werd als gevolg van
haar verkeerde interpretatie van de situatie. Aan de andere kant, Maria, gezeten aan de voeten van de Heer,
luisterde naar zijn woorden. Marta werd afgeleid van haar taak om
het eten klaar te maken. «In haar verlangen het eten klaar te krijgen voor de
Heer, wordt Marta geheel in beslag genomen door duizenden details. Haar zus
daarentegen geeft er de voorkeur aan zich met haar gast bezig te houden. Zij
vergeet haar zus en zit tegenover Hem en doet niets anders als naar zijn
woorden luisteren.»3 Met de hulp van de
goddelijke genade moeten wij leren eenheid van leven te hebben, die bestaat in
de vereniging van de zienswijzen van Marta en Maria. Onze liefde voor God moet
onafscheidelijk zijn van onze apostolische ijver, en ons werk moet goed worden
gedaan voor de eer van God.
12.2 De oudste zus, die een echt besef van vertrouwen in haar gast laat
zien, klaagt bij Jezus: Heer, laat het U onverschillig, dat mijn zuster mij alleen
laat bedienen? Zeg haar dan dat zij mij moet helpen.
Gedurende vele eeuwen worden deze twee zussen beschouwd
concurrerende levensstijlen te vertegenwoordigen. Volgens deze traditionele
interpretatie is Maria een voorbeeld van de beschouwende levensstijl, het leven
van eenheid met God. Zo ook wordt Marta gezien als de verpersoonlijking van een
actief leven en van werken. «Maar het beschouwende leven bestaat er niet uit
eenvoudigweg aan de voeten van Jezus te zitten niets doen. Dat zou wanorde
betekenen, zo niet puur en simpel luiheid.»4
«Want wij moeten God ontdekken in onze dagelijkse bezigheden, zo dat we ons
beroepswerk omvormen tot de spil waaraan de oproep tot heiligheid die tot ons
gericht is, bevestigd is en ronddraait.»5 Wij
tonen onze liefde voor God door de beoefening van zowel de menselijke als de
bovennatuurlijke deugden. Het is erg moeilijk, misschien onmogelijk, een
diepgaand innerlijk leven te hebben en tegelijkertijd een vurig apostolaat in
stand te houden als we een ernstige betrokkenheid met ons dagelijks werk
missen.
Te lang is er een verkeerde nadruk gelegd op de veronderstelde
onverenigbaarheid tussen wereldlijk werk en het innerlijke leven. Niettemin,
het is dáár, te midden van het dagelijks werk en door middel ervan -niet desondanks-
dat God de meeste christenen wil roepen tot een leven van heiligheid. Wij
moeten de wereld heiligen en onszelf heiligen door een leven van gebed dat
goddelijke betekenis geeft aan wereldse taken.6
Dit was de voortdurende boodschap van de stichter van het Opus Dei, die
duizenden mensen leerde God te ontdekken in hun gewone leven. Bij een
gelegenheid, waarbij hij tot een groot aantal mensen sprak, zei hij: «Jullie
moeten je er nu opnieuw goed van bewust zijn, dat God jullie roept om Hem juist
in en vanuit de burgerlijke, materiële, wereldlijke taken van het menselijk
leven te dienen: in het laboratorium, in de operatiezaal, in de kazerne, op de
leerstoel van een universiteit, in de fabriek, in de werkplaats, op het land,
in de huishouding, in heel dit immense panorama van het dagelijks werk wacht
God elke dag weer op ons. Besef het goed: in elke situatie, hoe onopvallend
ook, is iets heiligs, iets goddelijks te vinden. Aan jullie de taak dat te
ontdekken. Een andere weg is er niet. Of we leren de Heer in ons dagelijks
leven ontdekken, of we zullen Hem nooit vinden. Onze tijd heeft het nodig dat
aan de materie en aan heel gewoon lijkende situaties hun edele en
oorspronkelijke zin teruggegeven wordt, dat ze in dienst van Gods rijk gesteld
worden en dat ze vergeestelijkt worden door er een middel en een gelegenheid
van te maken om Christus voortdurend te ontmoeten.»7
Zo gaat de liefde van Maria hand in hand met de 'werkdrift' van Marta.
Jezus antwoordt Marta met deze hartelijke raad: Marta, Marta, wat maak je je
bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het
beste deel gekozen, en het zal haar niet ontnomen worden. Het is
alsof Hij had gezegd: 'Marta, je bent bezorgd om wereldse dingen, maar je
vergeet Mij. Je bent erg begaan met belangrijke taken, maar je verwaarloost de
belangrijkste van allemaal: dat is eenheid met God, persoonlijke heiligheid.
Als je zorgen je ertoe leiden de tegenwoordigheid van God te verliezen terwijl
je werkt, dan zijn die bekommernissen niet goed voor jou, zelfs alhoewel je
werk op zichzelf goed en noodzakelijk is'.
Jezus past geen snelrecht op Marta of Maria toe. Hij
beantwoordt de vraag van Marta met wijsheid door te wijzen op wat het
belangrijkste is in het leven, de tegenwoordigheid van God in haar huis. Hoe
vaak zou de Heer ons niet datzelfde verwijt kunnen maken? Niets kan het
vergeten van Jezus in ons dagelijks werk rechtvaardigen, zelfs niet onze
zwaarste zorgen. Wij kunnen Hem, die 'de Heer is van alle dingen' niet opzij
zetten voor het belang van 'de dingen van de Heer'. Wij mogen ons gebed niet op
de tweede plaats stellen met de uitvlucht dat we het te druk hebben met
apostolaat, met vormingsaktiviteiten, met werken van naastenliefde etc.8
12.3 Wij moeten een eenheid van leven hebben die zo vurig en allesomvattend
is, dat wij de tegenwoordigheid van God in ons werk zelf vinden. Tegelijkertijd
zal de tijd die wij aan gebed wijden, ons helpen ons werk beter te doen. «We
kunnen niet een soort wapenstilstand bereiken tussen tijdelijke bezigheden en
het geestelijk leven, tussen gebed en werk. Het werk wordt gevoed door het
gebed en het gebed vindt zijn stof in het werk. Door die verstrengeling wordt
het werk, goed verricht en ten dienste van mens en maatschappij, een
aanvaardbaar offer voor God.»9
Om de tegenwoordigheid van God te bewaren terwijl wij aan het
werk zijn, moeten we onze toevlucht nemen tot eenvoudige hulpmiddelen, kleine
dingen die ons eraan helpen herinneren dat ons werk voor God is. Hij is bij ons
als onze metgezel, naar ons kijkend terwijl we werken. Het kan nuttig zijn
eraan te denken dat Hij fysiek heel dichtbij ons is in de dichtstbijzijnde kerk
of kapel. «Zorg, dat je hart hier, vanaf deze werkplek, zich een weg baant naar
God, dichtbij het tabernakel, om Hem, zonder tot vreemde dingen te vervallen,
te zeggen: mijn Jezus, ik houd van U. -Wees nooit bevreesd Hem aan te spreken
met 'mijn Jezus', en het vaak te zeggen.»10
Alle wereldlijke bezigheden geven, indien met de juiste
bedoeling gedaan, ons de kans tot in praktijk brengen van: naastenliefde,
onthechting, een mentaliteit van dienstbaarheid, vreugde en optimisme, begrip
en een apostolaat van vriendschap en vertrouwen. Wij heiligen onszelf door ons
werk. Dat is wat werkelijk van belang is: Jezus te ontdekken te midden van onze
dagelijkse zorgen, en niet te vergeten wie Hij is: 'de Heer van alle dingen'.
En indien onze dagelijkse taken op een bepaalde manier direct met Hem in
verband staan, behoren we een nog grotere inspanning te leveren om deze eenheid
van leven tot uitdrukking te brengen. Anders zullen wij uiteindelijk het werk
voor onszelf doen en daarbij de Meester verwaarlozen.
Aan het eind van dit gebed vragen we de heilige Maagd ons
zowel de ijver van Marta als de tegenwoordigheid van God te geven die Maria
vond, luisterend aan zijn voeten.
-1. Eerste
lezing, Gen 18,1-5.
-2. Lc
10,38-42. -3. H. Augustinus, Sermo 103, 3. -4. A. del Portillo,
20 juli 1986. -5. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 62. -6. Vgl. J.L. Illanes, La santificación del trabajo, bl. 106 e.v. -7.
Gesprekken met Mgr.
Escrivá, 114. -8. Vgl.
Johannes Paulus ii, Toespraak, 20 juni 1986. -9. A. del Portillo,
Trabajo y oración,
in Palabra, mei
1986. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 746.
|