29 augustus. Gedachtenis
22. MARTELDOOD VAN DE HEILIGE JOHANNES DE DOPER
De heilige Johannes is de enige heilige, wiens geboorte
en dood door de Kerk gevierd worden. Door zijn krachtig voorbeeld leert de Voorloper
ons om ondanks alle hindernissen de opdracht te vervullen die wij van God
hebben ontvangen.
-Sterkte van Johannes. -Zijn marteldood. -Met vreugde de
tegenslagen dragen die ons kunnen treffen, wanneer wij Christus trouw volgen.
22.1 Heer, ik
heb voor koningen van uw voorschriften getuigd zonder mij beschaamd te voelen;
altijd had ik uw geboden voor ogen, want zij waren mij bovenmate dierbaar.1
Op 24 juni heeft de Kerk de geboorte van de heilige Johannes
de Doper gevierd; vandaag herdenkt zij zijn 'dies natalis' -de dag van zijn
geboorte tot het eeuwig leven- bij de viering van zijn marteldood, op last van
Herodes. Deze koning, zoals Marcus hem noemt, is een
van de meest droeve figuren uit het evangelie. Tijdens zijn bewind predikte
Christus en openbaarde Hij zich als de verwachte Messias. Herodes kreeg ook de
gelegenheid Johannes te leren kennen, die de opdracht had gekregen de Messias
aan te wijzen: Zie hier het Lam Gods, zo had hij
verschillenden van zijn leerlingen aangeduid. Herodes luisterde zelfs met
genoegen naar hem2, en via hem heeft hij
wellicht Christus leren kennen, want hij toonde verlangens om Hem te zien. Maar
hij heeft het geweldige onrecht begaan om degene die hem tot Christus had
kunnen brengen te laten onthoofden. Zijn zedeloos gedrag, zijn kwade
hartstochten maakten hem blind om de Waarheid te ontdekken; zij brachten hem
niet alleen tot deze grote misdaad, maar toen hij daadwerkelijk oog in oog kwam
te staan met de Heer van hemel en aarde3,
verlangde hij dat Deze hem en zijn vrienden vermaakte met een van zijn
wonderen.
De heilige Johannes verkondigde aan een ieder wat hij nodig
had: aan de volksmenigte, de tollenaars, de soldaten4;
aan de farizeeën en sadduceeën5, en aan Herodes
zelf. Met zijn nederig, onkreukbaar en strenge voorbeeld legde hij zijn
getuigenis af over de Messias, die reeds gekomen was.6 Johannes had tot Herodes gezegd: Het is u niet geoorloofd de
vrouw van uw broer te hebben.7 En hij was
niet bevreesd voor de groten en machtigen, en hij bekommerde zich evenmin over
de gevolgen van zijn woorden. In zijn ziel hield hij de waarschuwing van de
Heer aan de profeet Jeremia voor ogen, zoals de eerste lezing van de heilige
mis ons vandaag in herinnering brengt: Omgord uw lenden,
sta op en zeg hun alles wat Ik u opdraag. Laat u door hen geen angst aanjagen;
anders jaag Ik u angst aan voor hen. Ik maak heden van u een versterkte stad,
een ijzeren zuil, een koperen muur tegenover het hele land: de koningen en
edelen van Juda, de priesters en de burgers. Zij zullen u bestrijden, maar u
niets kunnen doen. Want Ik ben bij u om u te redden.8
De Heer vraagt ook van ons deze kracht en samenhang in het
alledaagse, opdat wij een nederig getuigenis kunnen afleggen, in de eerste
plaats door middel van een voorbeeldig leven, maar ook door onze woorden, door
onze liefde voor Christus en zijn Kerk te uiten, zonder vrees of ontzag voor de
mensen.
22.2 Sint Marcus vertelt ons hoe de viervorst Johannes had laten grijpen en in de gevangenis in
boeien had geslagen omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus,
want hij had haar tot vrouw genomen.9
Herodias haatte Johannes, omdat hij de onwettige verbintenis met Herodes en de
publieke ergernis voor het volk verweet; daarom zocht zij een gelegenheid om
hem te doden. Maar Herodes had ontzag voor Johannes. Hij
wist dat hij een rechtschapen en heilig man was, en nam hem in bescherming.
Telkens wanneer hij hem gehoord had, verkeerde hij in tweestrijd; maar toch
luisterde hij graag naar hem. Er kwam echter een gunstige dag, toen Herodes bij
zijn verjaardag een maaltijd aanrichtte voor zijn hoogwaardigheidsbekleders,
zijn hoofdofficieren en de vooraanstaanden van Galilea. De dochter van Herodias
trad op met een dans en zij beviel Herodes en zijn tafelgenoten. De koning zei tot het meisje: Vraag me wat ge wilt en ik zal het u
geven. En hij bevestigde haar met een eed: Wat ge me ook vraagt, ik zal het u
geven, al is het de helft van mijn koninkrijk. En opgehitst door haar
moeder, vroeg zij hem het hoofd van Johannes de Doper. Dit
deed de koning leed, maar om zijn eed gestand te doen en ook vanwege zijn
tafelgenoten wilde hij haar niet afwijzen. De leerlingen van de Doper
kwamen later zijn lijk halen en legden het in een graf. Velen van hen zullen
later ongetwijfeld trouwe volgelingen van Christus zijn geworden.
Johannes heeft alles voor de Heer gegeven: niet alleen wijdde
hij al zijn krachten aan de voorbereiding van diens komst en aan de eerste leerlingen
die de Meester zou krijgen, maar ook het leven zelf. «We hoeven niet te
betwijfelen -verklaart de heilige Beda- dat de heilige Johannes de gevangenis
en boeien doorstaan heeft en zijn leven heeft gegeven als getuigenis van onze
Verlosser, wiens voorloper hij was, want ook al heeft zijn vervolger hem niet
gedwongen Christus te loochenen, hij heeft hem wel trachten te verplichten de
waarheid te verzwijgen: dat was voldoende om te bevestigen, dat hij omwille van
Christus is gestorven [...]. En de dood -die hem in ieder geval volgens de wet
van de natuur zou treffen- was voor hem iets waarnaar hij verlangde, omdat hij
zich ervan bewust was dat hij die onderging vanwege het belijden van de naam
van Christus en dat hij daardoor de overwinningspalm van het eeuwige leven zou
verwerven. De apostel zegt het terecht: God heeft u de
genade gegeven niet alleen in Christus te geloven, maar ook voor Hem te lijden.
Dezelfde apostel verklaart elders waarom het een gave is voor Christus te
lijden: het lijden van deze tijd weegt niet op tegen de
heerlijkheid waarvan ons de openbaring te wachten staat.»10
Alle eeuwen door hebben degenen die Christus van nabij
volgden zich verheugd, wanneer zij omwille van hun geloof vervolging, rampspoed
of tegenslagen te verduren kregen. Velen hebben het voorbeeld van de apostelen
gevolgd: nadat zij gegeseld waren, verboden zij hun te
spreken in de naam van Jezus en stelden hen in vrijheid. Zij verlieten het
Sanhedrin, verheugd dat ze waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de
Naam.11 En verre van lafhartig en
vreesachtig, gingen zij door met dagelijks in de tempel en
in de huizen onderricht te geven en de Blijde Boodschap te verkondigen.12 Ongetwijfeld herinnerden zij zich de woorden van de
Heer, opgetekend door Matteüs: Zalig zijt gij, wanneer men
u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil:
Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel. Zo immers hebben ze de
profeten vervolgd die vóór u geleefd hebben.13
Zullen wij dan bedroefd worden of ons beklagen, als we ooit
eens iets moeten lijden omwille van ons geloof, of omdat we trouw zijn aan de
oproep die we van de Heer hebben ontvangen?
22.3 De geschiedenis van de Kerk
en de heiligen toont ons hoe al degenen die van nabij de voetstappen van de
Heer wilden volgen, op enigerlei wijze op het kruis gestoten zijn en tegenspoed
ondervonden hebben. Om Calvarië te bestijgen en medeverlosser met Christus te
zijn zal men geen gemakkelijke en begaanbare wegen aantreffen. Reeds in de
eerste tijden schrijft de heilige Petrus aan de christenen, die overal
verspreid waren, een Brief, waarin hij hen duidelijk troost om hetgeen zij te
lijden hadden. Het ging daarbij niet om de bloedige vervolging die pas later
zou komen, maar om de moeilijke situatie waarin velen zich bevonden omdat zij
hun geloof consequent wilden beleven: soms was dat in familiekring, waar de
slaven de onrechtvaardige behandeling door hun meesters moesten ondergaan14 en de vrouwen onverdraagzaamheid van de kant van
hun echtgenoten15; in andere gevallen betrof het
smaad en bespotting of vormen van discriminatie... De heilige Petrus herinnert
hen eraan, dat de tegenslagen die zij ondergaan niet nutteloos zijn: ze zullen
hen helpen zich te zuiveren, wetend dat God degene is die oordeelt en niet de
mensen. Vooral moeten zij voor ogen houden dat zij -in navolging van Jezus
Christus- vele weldaden, met inbegrip van het geloof, zullen verkrijgen zelfs
voor hun vervolgers, zoals ook geschied is. Hij noemt hen zalig en moedigt hen
aan het lijden met vreugde te dragen. Hij geeft hun ter overweging, dat de
christen met Christus verenigd is en in zijn paasmysterie deelt: door zijn
lijden deelt hij in het lijden, dood en verrijzenis van Christus. Hij geeft zin
en volheid aan het kruis van iedere dag.16
Sinds Johannes de Doper hebben velen hun leven gegeven voor
hun trouw aan Christus. Ook vandaag de dag. «De geestdrift die Jezus onder zijn
volgelingen wekte en het vertrouwen dat het rechtstreekse contact met Hem
inboezemde, bleven levend in de christengemeenschap en vormden de atmosfeer
waarin de eerste christenen leefden; het verleende aan hen geloof, moed en
kracht... Jezus Christus geeft te hunnen gunste het getuigenis van een geschiedenis
van bijna twee millennia. Het christendom heeft goede en prachtige vruchten
voortgebracht. Het is binnengedrongen in het binnenste van de harten, ondanks
alle tegenstand van buitenaf en alle verborgen verzet. Het christendom heeft de
wereld veranderd en is de beschermer geworden van alle edele en heilige waarden.
Het christendom heeft met het grootste succes het bewijs geleverd van zijn
voortbestaan waarvan ooit Gamaliël gesproken heeft (Hnd 5,39). Het is derhalve
geen mensenwerk, want als het dat wel was, zou het al lange tijd verbrokkeld en
uitgedoofd zijn.»17 Wij zien integendeel de
kracht die het geloof en de liefde tot Christus bezitten in onze zielen en in
miljoenen harten die Hem belijden en Hem trouw zijn, ondanks moeilijkheden en
tegenslagen, die soms ernstig en moeilijk te dragen zijn.
Het is zeer wel mogelijk, dat de Heer van ons geen geloofsbelijdenis
zal verlangen die ons naar de dood omwille van Hem leidt. Als Hij dat van ons
zou vragen, zouden we die met vreugde geven. Het normale zal wellicht zijn, dat
Hij van ieder de vrede en de vreugde wenst te midden van de weerstand die een
vaak heidense omgeving het geloof biedt: laster, spot, terzijde geschoven worden...
Onze vreugde zal groot zijn hier op aarde, en nog veel groter in de hemel. Deze
hindernissen zien wij ook in positieve zin. «Groei tegen de verdrukking in. -De
genade van de Heer zal je niet ontbreken: 'inter medium montium pertransibunt
aquae!' -Je zult je door het gebergte een weg banen!»18
Maar daarvoor is geloof nodig, «een leven en doordringend geloof. Zoals het
geloof van Petrus. -Als je dat hebt, zo heeft Hij gezegd, zul je bergen
verzetten en alle hindernissen opruimen, die menselijk gezien onoverwinnelijk
lijken en je apostolisch werk in de weg staan.»19
Bovendien zal Gods troost ons nooit ontbreken. En als onze weg in Christus'
nabijheid ons ooit toch te zwaar wordt, dan zullen we onze toevlucht nemen tot
Onze Lieve Vrouw, de Hulp der christenen, en zij zal
ons bescherming en troost schenken.
-1. Introïtus. Ps 118,46-47.
-2. Mc 6,17-20. -3. Lc
23,6-9. -4. Lc 3,10-14. -5. Mt
3,7-12. -6. Joh 1,29;36-37. -7. Mc
6,18. -8. Jer 1,17-19. -9. Mc
6,17 vv. -10. H. Beda, Homilie 23.
-11. Hnd 5,40-41. -12. Hnd
5,42. -13. Mt 5,11-12. -14. Vgl. 1 Pe 2,18-25. -15. Vgl. 1 Pe
3,1-3. -16. Vgl. The Navarre Bible, in loc. -17. A. Lang, Teología fundamental,
Rialp, Madrid 1966, vol. I, bl. 319-320. -18. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 12.
-19. Ibidem, 489.