Vijfde week. Woensdag
36.
MEDEVERLOSSERS met Christus
-De waarde van pijn geleden voor Christus. -Waarde van de
aardse goederen. -Medeverlossers met Christus.
36.1 Hij heeft ons gebracht
naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon, in wie onze bevrijding verzekerd is
en onze zonden vergeven zijn.1
Verlossen betekent bevrijden door koop of redding. Een
gevangene verlossen betekende een losgeld voor hem betalen om hem zo zijn
vrijheid terug te geven. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: al wie zonde doet, is
slaaf van de zonde. Dit zijn de woorden van Jezus in het evangelie die wij
in de Mis van vandaag lezen.2 Nadat de eerste zonde was begaan, was het alsof wij in een
gevangenis zaten; slaven van de zonde en de duivel en geheel onmachtig om de
hemel te bereiken. Jezus Christus, volmaakt God en volmaakt Mens, betaalde de
losprijs voor onze vrijheid met zijn eigen Bloed, vergoten op het Kruis. Hij
vergoedde meer dan de schuld, opgelopen door Adam toen hij de eerste zonde
beging, maar ook voor alle zonden die door mensen zouden worden begaan tot op
het einde van de tijd. Hij is onze Verlosser en zijn werk wordt onze Verlossing
en Bevrijding genoemd, daar het waarachtig de vrijheid van de kinderen van God
verkreeg.3
Jezus Christus redde ons van zonde en door zo te handelen
ging Hij naar de wortel van alle kwaad en genas het, zodoende de algehele
vrijheid van de mens mogelijk makend. De woorden van de Psalm verkrijgen nu hun
volle betekenis: 'Dominus illuminatio mea et salus mea, quem timebo?' De
Heer is mijn licht en mijn heil: Wie zou ik dan vrezen? Streken rond mij
belegeraars neer, mijn hart zou niet versagen, stond een slagorde
aanvalsgereed, ik zou nochtans gerust zijn.4 Als het kwaad, dat de zonde is,
niet met wortel en tak was uitgeroeid, zou de mens nooit in staat zijn geweest
werkelijk vrij te zijn en zichzelf sterk te voelen in het aangezicht van het
kwaad. Jezus wilde zelf pijn lijden en in armoede leven om ons te laten zien
dat lichamelijk lijden en het gebrek aan materiële zaken niet waarlijk lijden
zijn. Er bestaat slechts één werkelijk kwaad dat wij moeten vrezen en met
behulp van Gods genade verwerpen: de zonde.5 Dit is de ergste soort van slavernij, de
enige echte schande voor de mensheid in het algemeen en voor iedereen
afzonderlijk.
Het is alleen mogelijk om al die andere soorten kwaad die de
mens ondergaat te overwinnen -gedeeltelijk in dit leven en volledig in het
volgende- als men zich vrijmaakt van de zonde. Bovendien wordt lichamelijk
lijden -pijn, ziekte, vermoeidheid- indien gedragen voor Christus een ware
schat voor de mens. Dit is de grote revolutie veroorzaakt door Christus, en die
kan alleen begrepen worden door gebed en met het licht dat het geloof geeft.
«Opdat je ze niet zult laten ontglippen, zal ik je zeggen wat de schatten van
de mens op aarde zijn: honger, dorst, hitte, koude, pijn, smaad, armoede,
eenzaamheid, verraad, laster, gevangenis...»6
Daarom kunnen wij vandaag overwegen of wij wel of niet pijn,
zij het lichamelijk dan wel moreel, waarachtig zien als een schat die ons met
Christus verenigt. Hebben wij geleerd het te heiligen of, integendeel, klagen
wij erover? Weten we hoe de kleine verstervingen die waren voorzien, en ook die
zich plotseling voordoen in de loop van de dag, onmiddellijk en kalm aan God op
te dragen?
De liturgie van vandaag verkondigt: vultum tuum, Domine,
requiram - Uw aanschijn, Heer, wil ik zoeken.7 De beschouwing van God zal ons
verlangen naar geluk bevredigen en dit ideaal zal werkelijkheid worden wanneer
wij tot die werkelijkheid ontwaken, want ons leven hier is als een droom, zoals de heilige Paulus vaak opmerkte.8
36.2 Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld, heeft
de Heer gezegd. Daarom, toen Hij verklaarde: Ik ben gekomen opdat zij leven
zouden bezitten, en wel in overvloed9, verwees Hij niet naar een gemakkelijk
leventje op aarde zonder moeilijkheden, maar naar eeuwig leven dat begint in
deze wereld waarin wij nu zijn. Hij kwam om ons te verlossen van wat ons
verhindert het blijvend geluk te bereiken; van de zonde, het enige absolute
kwaad, en van de veroordeling waartoe het leidt. Als de Zoon je verlost, dan
zul je werkelijk vrij zijn, zegt de Heer ons in het evangelie van vandaag.10 Ook maakte Hij
het voor ons mogelijk om de gevolgen van de zonde te boven te komen -onderdrukking,
onrechtvaardigheid, overdreven economische ongelijkheid, afgunst, haat- of ze
opgewekt te verdragen indien zij niet kunnen worden vermeden.
Dusdanig is de waarde van
het leven dat Christus voor ons heeft verdiend dat alle aardse goederen moeten
worden beschouwd als heel erg ondergeschikt. Dit wil helemaal niet zeggen dat
wij christenen passief moeten blijven ten aanzien van pijn en
onrechtvaardigheid. Integendeel; ieder van ons moet zijn betrokkenheid
aanvaarden om, uit liefde en een verlangen naar gerechtigheid, een meer
menselijke en rechtvaardige wereld te vormen, te beginnen bij ons thuis en op
onze werkplek, en altijd boven alles het volmaakt goede voor de mens proberen
te zoeken.
De prijs die Christus betaalde voor onze vrijheid was zijn
eigen leven. Zo toonde Hij ons de ernst van de zonde, hoeveel onze eeuwige
redding waard is en de weg waarlangs wij die kunnen bereiken. Ook de heilige
Paulus herinnert ons eraan: Gij zijt gekocht en de prijs is betaald, dan
eraan toevoegend: Eer dan God met uw lichaam.11 Maar bovenal, de Heer wilde
zóver gaan juist om ons zijn liefde te tonen, want geen grotere liefde heeft
een mens dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden.12 Christus deed
dit voor ons. Hij stemde niet gewoon maar toe om een van ons te worden; Hij
wilde zijn leven geven als losprijs om ons te redden. Leidt een leven van
liefde naar het voorbeeld van Christus, die ons heeft bemind en zich voor ons
heeft overgeleverd als offergave en slachtoffer.13 God heeft ons overgebracht
naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon. In Hem is onze bevrijding verzekerd
door zijn bloed en zijn onze zonden vergeven.14 Daarom kan iedere mens zeggen: ik
leef in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf
heeft overgeleverd voor mij.15
Hoezeer stel ik het leven van genade op prijs dat Christus
voor mij verkreeg op Calvarië? Wij zouden ons vandaag die vraag kunnen stellen.
Span ik mij in dit leven van genade te doen toenemen door regelmatig de
sacramenten te ontvangen, door gebed en goede werken? Vermijd ik gelegenheden
tot zonde, vastbesloten volhardend in de strijd tegen zinnelijkheid, trots,
luiheid? Ik zeg u dat degene die een zonde bedrijft, een slaaf is van de
zonde.16
36.3 De schijnbare 'mislukking' van Christus op
het Kruis wordt een glorierijke verlossing voor alle mensen als zij besluiten
dat dit is wat zij willen. Wij ontvangen de vruchten van Jezus' liefde voor ons
op het Kruis in overvloed. «Ofschoon de ongerechtigheid massaal is, gaat het
werk van de verlossing in de menselijke geschiedenis (toneel van het kwaad)
voorop.»17 Het
gaat vooruit te midden van onze mislukkingen en onze verloocheningen, en
bewerkstelligt zijn einddoel door ons liefdevol antwoord aan het heldhaftig
offer van onze Heer.
De vasten is een goede tijd
voor ons om niet te vergeten dat de verlossing dagelijks ten uitvoer wordt
gebracht, en om stil te staan en de ogenblikken te overwegen wanneer de
overwinning van Christus het duidelijkst zichtbaar wordt: «Telkens wanneer wij
het kruisoffer, waardoor 'ons paaslam, Christus, is geslacht' op het altaar
vieren, wordt het werk van onze verlossing voltrokken.»18 Elke Mis is van oneindige waarde en waarvan de
vruchten voor elk van de gelovigen afhangen van hun persoonlijke gesteldheid.
Wij kunnen op de Mis en op onze deelneming daaraan toepassen wat de heilige
Augustinus zei: «Het is voor mij niet mogelijk om op een middelmatige manier
lief te hebben... daar ik in mijn hart ingeprent behoor te hebben dat het voor
mij was dat Hij stierf, genageld aan het Kruis.»19 De Verlossing werd éénmaal tot stand gebracht door
het Lijden, de dood en de verrijzenis van Jezus, en wordt in ieder van ons op
een bijzonder krachtige manier hernieuwd wanneer wij innig deelnemen aan het
heilige offer van de Mis.
De verlossing wordt ook uitgevoerd, al is het op een andere
wijze als die van onze werkelijke deelneming aan de Mis en in elk van onze inwendige gesprekken met onze Heer, wanneer wij
een goede biecht spreken, wanneer wij de sacramenten -die 'kanalen van genade'
zijn- met vroomheid ontvangen. Pijn, opgedragen aan onze Heer als eerherstel
voor onze zonden -die een veel grotere bestraffing verdienen- voor onze eeuwige
redding en voor die van de hele wereld, maakt ons medeverlossers met Christus.
Wat nutteloos en verwoestend was, wordt iets van onberekenbare waarde -de
ziekte van iemand in het ziekenhuis, de hachelijke toestand van de moeder van
een gezin die problemen voor de voeten krijgt die overweldigend schijnen,
slecht nieuws dat ons diep grieft, de problemen die wij elke dag tegenkomen, de
verstervingen die we ons opleggen of aanvaarden- dienen allemaal voor de
verlossing van de wereld als wij ze op de pateen leggen te zamen met het brood
dat de priester in de heilige Mis opdraagt. Het zou ons kunnen toeschijnen dat
dit zeer kleine dingen zijn, ieder voor zich genomen zijn ze dat, zoals de
druppels water die de priester toevoegt aan de wijn bij de offerande. Op
dezelfde manier echter als deze druppels water zich met de wijn verenigen om
Bloed van Christus te worden, zullen de daden die wij opdragen -zelfs de
kleine- een onmetelijke waarde verkrijgen in de ogen van God, omdat wij ze
hebben verbonden met het offer van Jezus.
«De zondaar die vergiffenis heeft verkregen, is in staat zijn
eigen lichamelijke en geestelijke versterving, die gewild of althans aanvaard
wordt, te verenigen met het Lijden van Jezus die voor hem vergeving heeft
verkregen.»20 Zó
is het dat wij medeverlossers met Christus worden.
Wij keren ons naar de heilige Maagd Maria zodat zij ons kan
laten zien hoe aan onze roeping te beantwoorden in ons gewone leven als
medeverlossers met Christus.
-1. Communio, Kol 1,13-14. -2. Joh
8,34. -3. Vgl. Gal 4,31. -4. Ps 26 (27). -5. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
386. -6. Ibidem, 194. -7. Ps 27(26),8. -8. Vgl. 1 Tes
4,14. -9. Joh 10,10. -10. Joh 8,36. -11. 1 Kor 6,20. -12. Joh
15,13. -13. Ef. 5,2. -14. Vgl. Communio, Kol 1,13-14. -15. Gal
2,20. -16. Joh 8,34. -17. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 186. -18. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium, 3. -19. H. Augustinus,
Over de heilige maagdelijkheid, 55. -20. Johannes Paulus ii, Apost. exhort., Reconciliatio et
Poenitentia, 31.
|