Zestiende week. Woensdag
15. Menselijke deugden
-Menselijke deugden dienen als fundament voor de bovennatuurlijke
deugden. -Jezus Christus bezat alle deugden op een volmaakte manier. -De
noodzaak van menselijke deugden in het apostolaat.
15.1 In het evangelie van vandaag vernemen wij hoe het zaad van de
goddelijke genade op verschillende soorten grond valt -tussen distels, op de
weg platgetrapt door de vele reizigers, op rotsgrond en op goede grond.1 God wil dat wij zijn als goede grond die het zaad
opneemt, dat te zijner tijd veel vruchten voortbrengt. De menselijke deugden in
elke man en vrouw kunnen worden gezien als de grond. Als het land goed wordt
bewerkt, als iemand een goede instelling heeft, dan kan de werking van de
goddelijke genade de ontwikkeling van de bovennatuurlijke deugden voeden. Veel
rechtschapen mensen, die misschien door onwetendheid van God gescheiden hebben
geleefd, hebben het vermogen de genade van het geloof te ontvangen. Nobel
menselijk gedrag is het fundament voor het bovennatuurlijk bouwwerk. Genade
bouwt op het natuurlijke.
Het leven van genade in elke christen is niet toegevoegd aan
de menselijke werkelijkheid. Integendeel, de genade dringt erin door, verrijkt
en vervolmaakt de menselijke natuur. «Daarom eist de Kerk dat zijn heiligen
niet alleen de theologische deugden maar ook de morele of menselijke deugden
heldhaftig beleven. En daarom vervolmaken mensen die waarachtig met God zijn
verenigd door de theologische deugden van geloof, hoop en liefde zich ook op
menselijk vlak; zij zijn fijngevoelig in de omgang met anderen; zij zijn
loyaal, innemend, goed gemanierd, edelmoedig, eerlijk, juist omdat zij al hun
liefde in God hebben geplaatst.»2
De bovennatuurlijke orde overweldigt of vernietigt de
natuurlijke orde niet. «De bovennatuurlijke orde tilt de natuurlijke orde
omhoog en vervolmaakt haar, op een wijze die passend is voor haar eigen
waardigheid en natuur. Dit is zo omdat beiden van God komen, die het niet met
zichzelf oneens kan zijn.»3
Ofschoon genade door en uit zichzelf mensen kan veranderen,
geeft God er gewoonlijk de voorkeur aan dat de genade werkt in samenhang met
menselijke deugden. Hoe kan de kardinale deugd van de sterkte in het hart van
een christen worden gezaaid die niet wil strijden tegen kleingeestige
hebbelijkheden als luiheid of gemakzucht, die te veel belang hecht aan het
weer, die gewoonlijk toegeeft aan zijn stemmingen, die geheel door zijn eigen
plannen en persoonlijke bezittingen in beslag wordt genomen? Hoe kan iemand de
moeilijkheden van het leven met optimisme onder ogen zien, met ogen van geloof,
als hij of zij zich in het dagelijks leven als een humeurige pessimist
gedraagt? «Geen van de essentiële zaken, geen enkele van de goede kwaliteiten
in de menselijke natuur moet worden veranderd. Het onderdrukken van welke dan
ook van de goede eigenschappen van iemand -en er zijn er vele- is het ergste
wat een christen kan doen. Ontwikkel je karakter, je menselijke mogelijkheden:
ontwikkel ze tot het uiterste. Alles wat je groei kortwiekt, wat je
ontwikkeling beperkt, wat je bekrompen maakt, wat je doet handelen uit angst,
is op geen enkele manier christelijk. De volledige zuivering van zonde en kwade
neigingen die, met de hulp van God, de mens tot stand moet brengen, is een zeer
verschillend gebeuren van het onderdrukken van enig deel van zijn ware persoonlijkheid.»4 De Heer wil dat ieder van ons een unieke en goed
ontwikkelde persoonlijkheid heeft. Ons bestaan als persoon zal het resultaat
zijn van ons begrip en waardering voor de talenten die God ons heeft gegeven,
zowel als van onze inspanning om die talenten vruchtbaar te doen zijn.
Dit is de goede grond die het goddelijke zaad toestaat wortel
te schieten, te groeien en zich ongehinderd te ontwikkelen. Het werk van de
genade zelf bewerkt de verbetering van de grond. De praktijk van het
christelijk leven vervolmaakt de menselijke omstandigheden omdat het er een
grotere doelmatigheid aan geeft. De mens is meer mens naarmate hij meer
christen is.
15.2 De Heer wil dat wij alle menselijke deugden beoefenen: optimisme,
oprechtheid, edelmoedigheid, sterkte, opgewektheid, hartelijkheid, eerlijkheid,
orde... Christus wil dat wij Hem -volmaakt God, volmaakt Mens- navolgen. De
menselijke deugden vinden hun volkomenheid in zijn persoon. Toen God Mens werd,
deed Hij dat op de meest volmaakte wijze. «Hij kleedde zich volgens de mode van
zijn tijd, Hij at zoals iedereen dat deed, Hij gedroeg zich naar de gewoonten
van tijd en plaats en van de nationaliteit waartoe Hij behoorde. Hij legde
handen op, Hij stelde aan, werd boos, lachte, huilde, sprak, werd moe, was
slaperig en uitgeput, voelde honger en dorst, verdriet en vreugde. En de
eenheid, de fusie, van het goddelijke en menselijke was zo volledig en zo
volmaakt dat elke handeling van Hem zowel goddelijk als menselijk was. Hij was
God, toch hield Hij ervan zich Mensenzoon te noemen.»5
Christus onderrichtte zijn volgelingen om te streven naar menselijke
volmaaktheid volgens de natuurwet.6 Hij vormde
zijn volgelingen niet alleen in de bovennatuurlijke deugden maar ook in
maatschappelijke omgang, in oprechtheid, in menselijke bevalligheid.7 Hij spoorde hen aan mensen te zijn met een gezond
oordeel.8 Het gebrek aan dankbaarheid van die
melaatsen die Hij had genezen vond Christus spijtig.9
Hij reageerde op slechte manieren en gemis aan gastvrijheid van de kant van
ontwikkelde mensen.10 Jezus hechtte zoveel
belang aan de menselijke deugden dat Hij zover ging zijn volgelingen te
vertellen: Wanneer
gij zelfs niet gelooft als Ik u spreek over aardse dingen, hoe zult gij dan
geloven, als Ik u spreek over hemelse dingen?11
Wanneer ook wij een inspanning doen om oprecht te zijn,
loyaal, hardwerkend, meelevend, evenwichtig, dan volgen wij Christus na, het
volmaakte model voor ons gedrag. Daarmee worden wijzelf die goede grond waarin
de bovennatuurlijke deugden wortel in kunnen schieten. Wij moeten vaak de
Meester beschouwen en in Hem de volheid opmerken van al wat menselijk is. In
Jezus hebben we ons menselijk en goddelijk ideaal.
15.3 De christen middenin de wereld is als een lamp die vanaf de lamphouder
licht geeft, als een stad gelegen op de top van een heuvel. Het eerste wat
iemand opmerkt is de menselijkheid van de christen: het goede voorbeeld van
rechtschapenheid, trouw, fatsoen, moed... Dat is wat de aandacht van de mensen
trekt. De menselijke deugden dienen zo als instrumenten in het apostolaat om
anderen dichter bij God te brengen. Iemands beroepsprestige, vriendelijkheid,
oprechtheid, kan anderen gereedmaken om naar de boodschap van Christus te
luisteren. De menselijke deugden zijn noodzakelijk in het apostolaat. Als onze
vrienden onze deugden niet echt kunnen zien, zullen zij nog minder in staat
zijn bovennatuurlijke waarheden te onderscheiden. Als een christen niet eerlijk
was, waarom zouden zijn vrienden hem vertrouwen? Hoe kunnen wij anderen het allerbeminnelijkst
gezicht van Jezus presenteren, als wij zijn grondbeginselen niet volgen? Over
de menselijke deugden kan worden gedacht als de lamphouder, als de heuvel
waarop de stad is gebouwd. Veel mensen zullen bovennatuurlijk leven pas dan
naar waarde schatten, wanneer zij het toegepast zien in normaal menselijk
gedrag.
We moeten anderen laten weten dat Christus leeft door onze
zin voor vrede en vreugde te midden van moeilijke en zelfs pijnlijke
omstandigheden, door goed uitgevoerd werk, door soberheid en matigheid, door
onze aan iedereen aangeboden menselijke warmte. Als het ten volle wordt
beleefd, hoort de christelijke roeping elk aspect van ons bestaan te beroeren.
Al de mensen die met ons te maken hebben of ons op een of andere manier kennen,
moeten de vreugde in ons hart kunnen bemerken. «Wij moeten ons zodanig gedragen
dat allen kunnen zeggen als ze ons zien: Dit is een christen, want hij haat
niet, hij heeft begrip, hij is niet fanatiek, hij kan zich beheersen en offers
brengen, hij koestert gedachten van vrede en hij bemint»12, een christen omdat hij edelmoedig is met zijn
tijd, omdat hij niet klaagt, omdat hij over het hoofd weet te zien wat
overbodig is...
De wereld heeft dringend getuigenis nodig van uitmuntende
mannen en vrouwen die Christus in hun hart dragen. Er is waarschijnlijk geen
tijd geweest waarin zoveel gesproken werd over rechten van de mens en
menselijke prestaties. De mensheid is zich zelden zo bewust geweest van zijn
eigen verworvenheden. Toch, tegelijkertijd, zijn de rechten van het individu
nooit wreder terzijde geschoven dan tegenwoordig. Die rechten ontleent de mens
aan het feit dat hij gemaakt is naar het beeld van God.
De mensheid wacht op christenen die weer opnieuw dat zo
fundamentele onderricht verkondigen: dat wij allemaal zijn geroepen om kinderen
van God te zijn. Om dat doel te bereiken moeten wij eerst onze door God gegeven
menselijke natuur ontwikkelen. Wij moeten zeer menselijk worden om zo zeer
gelijk aan Christus te worden. De genade zal nooit ontbreken voor die mannen en
vrouwen die met hun leven bewijzen dat zij kinderen van God willen zijn.
-1. Mt 13,1-9. -2. A.
del Portillo, Escritos
sobre el sacerdocio. -3. Pius
xi, Enc. Divini
illius Magistri, 31 december 1929. -4. J.
Urteaga, El valor
divino de lo humano. -5. F.
Suárez, El sacerdote
y su ministerio. -6. Mt
5,21 e.v. -7. Mt
5,37. -8. Joh
9,1‑3. -9. Lc
17,17-18. -10. Lc
7,44-46. -11. Joh
3,12. -12. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 122.
|