Tweede week. Vrijdag
13. MENSELIJKE MIDDELEN EN BOVENNATUURLIJKE MIDDELEN
-Doen wat wij kunnen, zelfs als het weinig is. Onze Heer
geeft de rest. -Bovennatuurlijk optimisme. -Wij zijn Gods instrumenten.
13.1 Wij lezen in het evangelie van de Mis: In
die dagen begaf Jezus zich naar de overkant van het meer van Galilea, bij
Tiberias. Een grote menigte volgde Hem....1 De heilige Lucas vertelt dat Jezus Zich
met de apostelen terugtrok om met hen alleen te zijn. Maar het volk kwam het
te weten en ging Hem achterna. Hij liet hen tot Zich komen en sprak hun over
het Rijk Gods; die genezing nodig hadden, genas Hij.2 Jezus is medelevend met de
lijdenden en met hen die geen besef hebben van het Rijk Gods.
Toen de dag ten einde begon te lopen...3 Onze Heer had
veel tijd genomen om de geheimen van het Rijk van de Hemelen te ontsluieren en
vrede en troost te schenken. De apostelen, bezorgd over het late uur en door
het feit dat de plaats zeer afgelegen was, voelden de noodzaak de aandacht van
de Meester te trekken: Stuur de mensen weg; dan kunnen ze naar de dorpen en
de gehuchten in de omtrek gaan om daar onderdak te vinden, want hier zijn we op
een eenzame plek.4
De Heer verrast hen met zijn vraag: Hoe moeten wij brood
kopen om deze mensen te laten eten? Hij laat hun het gemis aan financiële
middelen inzien. Filippus antwoordde Hem: Wil ieder ook maar een klein
stukje krijgen, dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig.5 Maar de apostelen
doen wat zij kunnen: zij vinden vijf broden en twee vissen. Iets anders hebben
zij niet, en er waren vijfduizend man: te veel mensen voor zó weinig voedsel.
Soms doet Jezus ook ons inzien, dat de problemen te groot
voor ons zijn, dat wij weinig of niets kunnen doen voor de situatie waarin we
terecht zijn gekomen. Hij vraagt ons niet te veel aandacht te schenken aan
materiële hulpmiddelen, want zij maken ons alleen maar pessimistisch, maar dat
we in plaats daarvan meer moeten vertrouwen op de bovennatuurlijke middelen.
Hij vraagt ons bovennatuurlijk realistisch te zijn; dat wil zeggen, op Hem en
zijn macht te rekenen.
Onze Heer wenst, dat wij niet denken dat de oplossing alleen
afhangt van menselijke inspanning. Maar ook wenst Hij dat wij niet
onverschillig zijn, waardoor, onder het voorwendsel van totale overgave in de
handen van God, de hoop ontaardt in verborgen geestelijke luiheid.
Jezus maakt gebruik van wat beschikbaar is: een paar broden
en wat vis; dat was alles wat de apostelen bijeen konden brengen. Hij voegde er
de rest aan toe. Maar Hij wilde dat niet doen zonder menselijke middelen, zelfs
als ze gering waren. Zo handelt onze Heer in ons leven: als de instrumenten,
die wij ter beschikking hebben, onvoldoende zijn of zelfs schaars, wil Hij niet
dat wij niets doen. Jezus vraagt ons om geloof, gehoorzaamheid, durf en om
altijd te doen wat we ook kunnen; om niet na te laten elk menselijk middel te
gebruiken dat ons ter beschikking staat, en tegelijkertijd
op Hem te rekenen, ons bewust zijnde, dat onze mogelijkheden altijd erg gering zullen zijn. «Ook de boer, als hij
met zijn ploeg voortgaat de voren op zijn land te trekken, of zaad uit te
strooien, lijdt kou, draagt het ongemak van de regen, kijkt naar de lucht en
ziet dat die betrokken is, en gaat niettemin door met zaaien. Het enige wat hij
vreest is, dat hij zal worden opgehouden door te piekeren over de zorgen van
zijn huidige leven en dat de tijd verder gaat en hem niets achterlaat om te
oogsten. Stel niet uit tot later; zaai nu.»6 En dit zelfs als het ernaar uitziet, dat
het land geen enkele vrucht zal opbrengen. Wacht niet totdat we alle menselijke
middelen hebben, wacht niet totdat alle moeilijkheden verdwijnen. Op het
bovennatuurlijke niveau is er altijd vrucht: onze Heer zorgt daarvoor; Hij
zegent onze inspanningen en vermenigvuldigt ze.
13.2 Als Jezus de apostelen op hun eerste
apostolische reis uitstuurt, zegt Hij hun: Tracht dus geen goud, zilver of
koper te verwerven om er uw gordels mee te vullen. Verschaft u ook geen reiszak
voor onderweg, geen tweede onderkleed, geen schoeisel of stok, want de arbeider
is zijn onderhoud waard.7 Hij spoort hen aan, zonder oponthoud te vertrekken om hun
werk te volbrengen. En opdat zij vanaf het begin mogen leren op
bovennatuurlijke middelen te vertrouwen, neemt Hij alle menselijke hulp van hen
af. De apostelen gaan zo op weg -met niets- zodat het duidelijk is dat de
genezingen, de bekeringen, de wonderen die zij doen, niet de hunne zijn, dat
hun menselijke hulpmiddelen en kwaliteiten niet voldoende zijn om te garanderen
dat de mensen bereid zullen zijn het Koninkrijk van God te aanvaarden. Zij
moeten niet bezorgd zijn over het gebrek aan materiële goederen, of aan
buitengewone menselijke gaven; God zal, voor zover het nodig is, voor het
ontbrekende zorgen.
Deze heilige durf herhaalt zich opnieuw in alle apostolaat.
Wat voor grote dingen zijn er tot stand gekomen, als zelfs de meest onmisbare
menselijke middelen ontbraken! Zo werkten de
heiligen! Zij wisten heel goed dat «Christus, door de Vader gezonden, de bron
en de oorsprong is van het gehele apostolaat van de Kerk.»8 Is een christen eenmaal overtuigd van wat
God wil, dan moet hij alleen maar geduldig wachten tot hij de beschikbare
middelen kan overzien. «Het is goed -en zelfs je plicht- dat je in je
apostolaat rekening houdt met je aardse mogelijkheden: 2 + 2 = 4. Maar vergeet
nooit, dat je tot je geluk bovendien nog met een andere factor rekening moet
houden: God + 2 + 2...»9
Wij kunnen dezelfde les trekken uit de eerste lezing van de
Mis van vandaag die de woorden van Gamaliël, die de leraar van de heilige Paulus was, aan het Sanhedrin bevatten, die hun raad
gaf over wat zij met de apostelen moesten doen. Na enige voorbeelden van
zuiver menselijke initiatieven in herinnering
te hebben gebracht -de opstanden van Theudas en Judas de Galileër- die
ineenstortten na de dood van hun leiders, voegt hij eraan toe: Wat ons geval
betreft, zeg ik u: Bemoeit u niet met
deze mensen, maar laat ze hun gang gaan. Gaat deze opzet van mensen uit,
dan zal het op niets uitlopen. Gaat het echter van God uit, dan zult gij hen niet uiteen kunnen slaan; anders zou misschien
blijken dat gij tegen God in verzet zijt!10 Onze zekerheid en optimisme als
wij voor God werken zijn gebouwd op het feit, dat Hij ons niet verlaat: Si
Deus pro nobis, quis contra nos -Indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons
zijn? 11
Een betrouwbaar teken van nederigheid is, om op de eerste
plaats altijd op God te rekenen. De apostelen leerden die les goed en pasten
hem toe in hun evangelisatiewerk na de verrijzenis. Wat zijn Apollos en
Paulus eigenlijk? Niet meer dan ondergeschikten, die behulpzaam waren bij uw
bekering, en wel ieder van ons op zijn eigen manier, zoals de Heer het ons
vergund heeft: ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei12, zal de
heilige Paulus zeggen.
Niettemin, onze Heer zal ons vragen alle menselijke middelen
die wij tot onze beschikking hebben, te gebruiken alsof het gehele succes van
de onderneming alleen daarvan afhangt.
13.3 Bij de eerste zending van de apostelen zei onze
Heer met nadruk: Neem geen beurs mee. Zij moesten uit die eerste
apostolische onderneming leren, dat het Jezus is die de doeltreffendheid geeft;
de genezingen, de bekeringen, de wonderen kwamen niet door hun eigen menselijke
kwaliteiten, maar door de goddelijke macht van hun Meester. Vóór de laatste
tocht naar Jeruzalem maakte Jezus de les van die eerste apostolische reis af.
Hij vroeg hun: Toen Ik u uitzond zonder beurs, reiszak of schoeisel, hebt ge
toen aan iets gebrek gehad? Ze antwoordden: Aan niets. Hij hernam: Maar nu moet
wie een beurs heeft, die meenemen, en eveneens een reiszak: en wie die niet
bezit, verkope zijn mantel en schaffe zich een zwaard aan.13 Alhoewel de
bovennatuurlijke middelen in alle apostolaat op de eerste plaats komen, wil
onze Heer nog steeds, dat wij alle menselijke mogelijkheden gebruiken die we
hebben. Genade vervangt de natuur niet en wij kunnen onze Heer niet om
buitengewone bijstand of hulp vragen, indien, langs de gewone wegen, God de
nodige instrumenten in onze handen heeft gelegd. «Iemand die niet zou proberen
alles te doen wat in zijn macht ligt, die voor alles goddelijke hulp
verwachtte, zou God bekoren»14 en de genade van God zou ophouden te werken.
Vandaar het belang om de menselijke deugden te ontwikkelen,
die de bovennatuurlijke ondersteunen, en een noodzakelijk middel zijn om onze
ambitie te vervullen anderen dichter bij God te brengen. Hoe kunnen wij de
christelijke levenswijze op een aantrekkelijke manier voorstellen als wij niet
opgewekt zijn, hardwerkend, oprecht, goede vrienden? «Er zijn mensen die, als
ze over God of over het apostolaat spreken, de behoefte schijnen te voelen om
zich te verdedigen. Mogelijk omdat ze de waarden van de natuurlijke deugden nog
niet hebben ontdekt; en daarom geestelijk gedeformeerd zijn en laf.»15
In het doen van apostolaat moeten wij ook materiële middelen gebruiken die in zichzelf goed zijn, omdat
God ze maakte voor de dienst aan de mens: Want alles is het uwe, zegt de apostel Paulus ons, de wereld, het leven,
de dood, het heden of de toekomst.16 Tegelijkertijd moeten we in
gedachten houden, dat we een doel najagen dat deze middelen mateloos overtreft, namelijk: mensen naar Christus
brengen, om bekeerd te worden en een nieuw leven te beginnen.
Daarom moeten we niet wachten, totdat we alle middelen hebben
(misschien zullen wij die nooit hebben), of nalaten bepaalde werken te doen of
andere te beginnen. «Begin door op de best mogelijke manier gebruik te maken
van wat je hebt.»17 De
Heer zal ons zegenen, in het bijzonder wanneer Hij ons geloof ziet, ons
vertrouwen in Hem en onze interesse en inspanning om te trachten al de nodige
middelen ter beschikking te hebben. God, indien Hij wilde, kon het zonder deze
middelen stellen, maar Hij rekent niettemin op onze wil om die te zijner
beschikking te stellen.
«Zie je wel? -Met Hem heb je het voor elkaar gekregen! Waar
verbaas je je over? Wees overtuigd: er is niets om verbaasd over te zijn. Als
je op God vertrouwt -echt vertrouwt!- gaat het gemakkelijk. En meer nog, kom je
altijd verder dan je je had voorgesteld.»18
-1. Joh 6,1-15. -2. Lc 9,11. -3. Lc
9,12. -4. Ibidem. -5. Joh 6,5-7. -6. H. Augustinus, Commentaar op Psalm 125, 5 (PL 36,164).
-7 Mt 10,9-10. -8. Vaticanum ii,
Decr. Apostolicam actuositatem, 4. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 471. -10. Hnd
5,38-39. -11. Rom 8,31. -12. 1 Kor 3,5-6. -13. Lc
22,35-36. -14. H. Thomas van Aquino, Summa
Theologiae, II-II, q53, a4, ad 1. -15. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 37. -16. 1 Kor 3,22.
-17. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, o.c.,
488. -18 H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor, 123.
|