Achttiende week. Dinsdag
32. Mensen van geloof
-Geloof in Christus. Met Hem kunnen wij alles; zonder Hem,
niets. -Als het geloof vermindert lijken de moeilijkheden groter. -Jezus komt
ons altijd te hulp.
32.1 Onmiddellijk na de broodvermenigvuldiging nam de Heer afscheid van de
menigte en beval zijn leerlingen in hun boten uit te varen.1 Het moet laat in de avond geweest zijn. Na een lange
werkdag zich ingezet te hebben voor wie Hem achterna waren gegaan, voelde Jezus
behoefte te bidden. Hij besteeg een dichtbijgelegen heuvel en bleef daar alleen
in gesprek met zijn Vader in de hemel bij h%t vallen van de avond.
Vanaf die heuveltop zag Jezus de apostelen ver uit de kust en
in gevaar, met hun boot geteisterd door de golven want zij hadden tegenwind.
Het joodse Paasfeest was nabij en het was volle maan, zodat Jezus de kleine
vlet in het midden van het meer kon onderscheiden. Maar in de vierde nachtwake,
rond drie uur in de morgen, ver voor zonsopgang, kwam Hij te voet over het meer
naar hen toe. Toen zij een vaag beeld zagen, dat over de oppervlakte van het
water naar de plek kwam waar zij tegen de elementen aan het vechten waren,
werden zij bang. 'Het is een spook!', zeiden ze. En zij begonnen van angst te
schreeuwen. Maar toen maakte de Heer zich bekend. Wees gerust, Ik ben het. Vreest niet.
Christus vertoont zichzelf altijd op deze manier in het leven van een christen,
aanmoedigend en sereen. Petrus vat moed; geleid door zijn liefde, bewogen door
zijn verlangen dichtbij zijn Meester te zijn, doet hij een onverwacht verzoek: Heer, als Gij het zijt, zeg mij
dan dat ik over het water naar U tot moet komen. Durf geboren uit
liefde kent geen grenzen, en de Heer geeft gewillig gehoor aan het verzoek. En
Hij zegt: Kom!
Petrus stapt uit de boot en begint over het water naar Jezus te wandelen. Dat
waren spannende momenten voor allen: Petrus gaf op het woord van Jezus de
zekerheid van de boot op. Hij bleef zich niet aan de zijkant van de boot
vasthouden, maar ging naar Jezus toe, die nu slechts een paar meter van zijn
leerlingen verwijderd was. Vol ontzag zien zij de apostel op de kolkende golven
voortgaan. Petrus wandelt over het water. Geloof en vertrouwen in zijn Meester
zijn alles wat hem ondersteunt; dat alleen.
De moeilijkheden die ons omringen doen er niet toe als wij
met geloof en vertrouwen naar Jezus, die op ons wacht, toegaan. Het doet er
niet toe dat de golven hoog zijn en de wind sterk, of dat het niet normaal is
voor de mens om op water te wandelen. Als wij naar Jezus kijken, kunnen we
alles; en naar Hem kijken is de deugd van vroomheid. Als wij door het gebed en
de sacramenten dichtbij Jezus zijn, zullen wij op het rechte pad blijven. Als
onze blik van Jezus afdwaalt, zullen we wegzinken; wij zullen niet tot één stap
in staat zijn, zelfs op vaste grond.
32.2 Petrus' geloof, groot in het begin, zou spoedig afnemen. Hij voelde de
kracht van de golven en de wind (de heilige Johannes geeft aan dat de wind
sterk was), en bedacht dat het onmogelijk is voor een mens om op het water te
lopen. Hij dacht aan de moeilijkheden en vergat het enige wat hem boven water
hield: het woord van de Heer. Hij had aandacht voor de hindernissen en zijn
geloof verminderde: het wonder was gekoppeld aan volledig vertrouwen in
Christus.
Soms vraagt God om dingen die op het eerste gezicht
onmogelijk lijken, maar die werkelijkheid worden als wij handelen met geloof,
met onze blik naar Christus. Eens zei de stichter van het Opus Dei, de H.
Jozefmaria Escrivá, tegen iemand die naar een ander land ging waar
moeilijkheden, onafscheidelijk verbonden met het begin van het apostolisch
werk, zouden zijn: «Als ik iets van je vraag, mijn dochter, zeg me niet dat het
onmogelijk is, want dat weet ik al. Sedert ik het Opus Dei begon, heeft onze
Heer mij vele onmogelijke dingen gevraagd... en het is gelukt!»2 Het is gelukt!: zo was het met hun apostolisch werk
in veel landen... en er kwamen roepingen, en met hen mensen die bereid waren
dat werk te helpen met grote edelmoedigheid en onthechting. Op vele manieren
zei hij hun: Die grote werken worden elke dag op aarde gedaan... Zoals het altijd in de geschiedenis van de Kerk is geweest.
Het is God die ons boven water houdt en ons doeltreffend doet
zijn te midden van de 'onmogelijkheden' van een omgeving die vaak tegen het
christelijke ideaal ingaat. Hij is het die ons op water doet lopen... op één
voorwaarde: wij moeten onze ogen op Christus gericht houden en ons niet door
hinderpalen en bekoringen van de wijs laten brengen.
In zijn commentaar op het evangelie wijst de heilige Johannes
Chrysostomus erop dat Jezus Petrus via persoonlijke ervaring onderrichtte dat
al zijn kracht van Hem kwam; aan zichzelf overgelaten kon Petrus alleen maar
zwakheid en ellende verwachten. En hij voegde eraan toe: «Als onze medewerking
ontbreekt, dan houdt God op ons te helpen.»3
Daarom, als Petrus begon te vrezen en te twijfelen, begon hij ook weg te
zinken.
Als het geloof afneemt lijken de moeilijkheden groter.
«Levend geloof hangt af van mijn vermogen gehoor te geven aan God die mij roept
en mijn Vriend wil zijn, de grote getuige van mijn leven. Dus als ik Hem gehoor
geef en Hem bemin en als ik vertrouwelijk met Hem omga, als ik dichtbij Hem
leef, stel ik mijn geloof veilig omdat mijn geloof gegrond is op God... Maar,
als ik mij op een afstand van God houd, als ik Hem vergeet, als ik Hem uit mijn
leven houd en ondergedompeld ben in puur menselijke en materiële zaken, als ik
me laat meeslepen door wat onmiddellijk voor mij staat en God uit mijn ziel
verdwijnt, hoe zal ik dan een levend geloof kunnen hebben? Als ik niet met
Christus spreek, wat is er dan van mijn geloof overgebleven? Daarom kan, in
laatste instantie, alles wat een obstakel vormt voor het geloofsleven, worden
teruggebracht tot een uiteindelijke terugtrekking, een afscheiding van God: We
houden op rechtstreeks met Hem van doen te hebben.»4
Het is dan dat bekoringen en obstakels in kracht toe nemen. Petrus zou
overtuigd op het water zijn gebleven en de Heer hebben bereikt indien hij, vol
vertrouwen, zijn blik niet van de Heer had afgewend. Alle stormen te zamen, die
in de ziel en die van buiten, kunnen ons niet aan het wankelen brengen zolang
we onze vaste toevlucht nemen tot gebed. Wanneer we het gebed laten varen, met
weinig diepe vriendschap of oprechtheid bidden, stellen we ons bloot aan
ontmoediging, pessimisme en bekoring.
Ons geloof moet nooit wankelen, zelfs wanneer de
moeilijkheden geweldig groot zijn, zelfs al ze ons onder hun gewicht schijnen
te verpletteren. «Wat doet het er toe, dat de heel de wereld met al haar macht
tegen je is? Ga gewoon door. Herhaal de woorden van de psalm: De Heer is mijn
licht en mijn heil, wie zou ik vrezen?... Si consistant adversum me castra, non timebit cor meum.
Zelfs al omsingelen mij de vijanden, mijn hart kent geen vrees.»5
32.3 Toen stapte Petrus uit de boot en wandelde over het water naar Jezus
toe. Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang; en toen hij
begon te zinken, schreeuwde hij: Heer, red mij! Terstond stak
Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl Hij tot hem zei: Kleingelovige, waarom heb je
getwijfeld? En nadat zij in de boot gestapt waren,
ging de wind liggen.
Te midden van gevaar, hindernissen en twijfels moeten wij
naar Christus kijken. Ziet
naar Jezus, de aanvoerder en voltooier van het geloof 6, lezen we in de brief aan de Hebreeën.
Christus moet een duidelijk, scherp afgetekende figuur voor ons zijn. Wij
hebben Hem zo vaak beschouwd dat wij Hem niet kunnen verwarren met een spook,
zoals de leerlingen die avond deden. Zijn trekken, zijn stem, zijn blik zijn
onmiskenbaar. Hij heeft zo vaak naar ons gekeken. Hij is het begin en het
toppunt van christelijk leven. «Als gij gered wilt worden» -schrijft de heilige
Thomas van Aquino- «kijk naar het gezicht van uw Christus.»7 Een ononderbroken omgang met Hem, in gebed en door
de sacramenten, is de enige waarborg om overeind te blijven, als kinderen van
God, te midden van de wilde zeeën waarop wij leven.
Meer nog, samen met Christus sterken de conflicten en de
inspanningen die wij bijna dagelijks tegenkomen ons geloof en hoop, en
verenigen zij ons meer met Hem. Hetzelfde gebeurt met «de bomen die in
beschutte, afgeschermde plaatsen groeien; terwijl ze uitwendig schijnen te
bloeien, zijn ze zwak en gemakkelijk beschadigd. Maar de bomen die groeien op
de toppen van de hoogste bergen, gebeukt door veel wind, voortdurend aan harde
omstandigheden blootgesteld, door woeste stormen geteisterd en bedekt door
sneeuw, die worden sterk als staal.»8
Petrus hield op naar Jezus te kijken en zakte weg. Maar hij
wist genoeg om zich onmiddellijk om te keren naar Hem, aan wie alles
onderworpen is. Heer, red
mij!, riep hij uit met al zijn krachten toen hij voelde dat alles
verloren was. En Jezus stak, met oneindige genegenheid, zijn hand uit en trok
hem omhoog. Als wij merken dat wij zinken, dat bekoringen en moeilijkheden ons
overstelpen, laten we dan naar Jezus gaan. Hij strekt altijd zijn hand naar ons
uit, om ons stevig aan vast te houden. Hij zal ons nooit laten wegzinken, als
wij het weinige dat van ons verwacht wordt doen. God heeft ook onze
engelbewaarder naast ons geplaatst om ons in alle tegenslagen te helpen en om
als machtige hulp te dienen op onze weg naar de hemel. Laten wij vol vertrouwen
met deze vriend omgaan; laten wij zijn hulp vragen in kleine en grote dingen,
en wij zullen de kracht vinden die we voor de overwinning nodig hebben.
-1. Mt
14,22-36. -2. P.
Berglar, Opus
Dei. -3. H.
Johannes Chrysostomus, Preken over het Matteüsevangelie, 50. -4. P. Rodríguez, Fe y vida de fe,
Pamplona, 1974. -5. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg,
482. -6. Heb 12,1-2.
-7. H. Thomas van Aquino, Commentaar op de brief aan de
Hebreeën, 12,1-2. -8. H.
Johannes Chrysostomus, Preek over de glorie van de beproeving.
|