Vierentwintigste zondag door het jaar (B)
20. MET JEZUS
-Ons leven is innig verbonden met Christus. -Christus
navolgen, zijn leven leiden. Het kindschap Gods. -Het kruis opnemen en Hem
volgen.
20.1 Het
was het derde jaar van het openbare leven van Jezus en het Pinksterfeest was op
handen. Bij de twee vorige vieringen hoorden wij dat de Heer naar Jeruzalem was
gegaan om het goede nieuws te prediken. Maar bij deze gelegenheid leek hij te
aarzelen om naar de heilige stad te gaan. Misschien wilde hij zijn volgelingen
beschermen tegen de vijandigheid van zijn tegenstanders. In plaats daarvan
leidde hij hen naar de rustige dorpen rond Caesarea van Filippus.1 De heilige Lucas verhaalt uitdrukkelijk2, dat de Heer, na enige tijd gebeden te hebben, zijn
beroemde vraag stelt aan de apostelen: Wie zeggen de mensen dat Ik ben? Met
opmerkelijke eenvoud antwoorden zij: Johannes de Doper; anderen zeggen: Elias, en weer anderen:
een van de oude profeten is opgestaan. Toen vroeg Jezus met meer
aandrang: Maar gij, wie zegt gij
dat Ik ben?
Er zijn vele vragen in dit leven die we veilig kunnen
negeren, zonder dat het gevolgen heeft. Er zijn andere vragen die een belangrijke
betekenis hebben voor onszelf en voor onze samenleving. Men denkt aan de
waardigheid van de menselijke persoon, de uiteindelijke voorbijgaande aard van
de tijdelijke goederen, de vergankelijkheid van ons leven op aarde. Er is een
nog belangrijker vraag die de kern van ons bestaan raakt. Het is de vraag die
Christus aan de apostelen stelde te Caesarea van Filippus bijna twintig eeuwen
geleden: Maar gij, wie zegt gij
dat Ik ben? Er is slechts één juist antwoord. Gij zijt de Christus, de
Gezalfde, de Messias, de enige Zoon van God. Hij is de Persoon van Wie alles
afhangt en met Wie alles in mijn leven te maken heeft.
Ons geluk ligt niet in onze gezondheid, onze successen in
deze wereld of in ons vermogen om te krijgen wat wij willen hebben. Ons leven
zal waarde hebben indien en wanneer we Christus liefhebben. Al onze problemen
kunnen opgelost worden als we dicht bij Hem zijn. Er is geen bevredigende
oplossing voor welk probleem dan ook zonder rekening te houden met de Heer.
Door het getuigenis van Petrus geven de apostelen hun
samenvatting van wat twee jaar van samen met Hem optrekken hebben betekend.
«Ook in ons geval moeten wij, om een meer bewust getuigenis af te leggen van
ons geloof in Jezus Christus, zoals Petrus, aandachtig en zorgvuldig luisteren.
Wij moeten de eerste leerlingen navolgen, die zijn getuigen werden en onze leraren.
Tegelijkertijd moeten we de ervaring en het getuigenis aanvaarden van niet
minder dan twintig eeuwen geschiedenis die getekend zijn door de vraag van de
Meester en verrijkt door het onmetelijke koor van antwoorden van gelovigen van
alle tijden en plaatsen.»3 We moeten ons ernstig
afvragen of Christus een belangrijke plaats in ons hart heeft. Laten we bidden
met de heilige Paulus: Maar wat
voor mij winst was, ben ik om Christus'wil gaan zien als verlies. Ja nog
sterker, ik beschouw alles als verlies, vergeleken bij de alles overtreffende
kennis van Christus Jezus mijn Heer. Om zijnentwil heb ik dat alles
prijsgegeven. Ik beschouw het als vuilnis, als ik Christus maar mag winnen...4
20.2 Na
de belijdenis van Petrus onthulde Jezus voor de eerste maal aan zijn leerlingen
dat de Mensenzoon veel zou moeten
lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen
moest worden, maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn, drie dagen later zou
verrijzen. Hij sprak deze woorden zonder terughoudendheid.5 Het waren heel vreemde woorden voor hen, die zoveel
wonderen hadden zien gebeuren. Toen
nam Petrus Jezus terzijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden.
Daarop wendde de Heer zich zodanig tot Petrus, dat allen wel moesten opletten: Ga weg, satan, terug! Met
dezelfde woorden had Jezus de verleidingen van de duivel in de woestijn
verworpen.6 Jezus wil noch door vriend noch door
vijand gehinderd worden in zijn vastbeslotenheid de wil van de Vader te
volbrengen. In de eerste lezing van vandaag spreekt Jesaja zijn voorspelling
uit over het Lijden dat de Dienaar van de Heer te wachten staat: Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen,
en mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten en mijn gezicht heb ik niet
afgevend van wie smaadden en bespuwden.7
God gaf een bewijs van zijn liefde voor de mensheid door ons
zijn Eniggeboren Zoon te zenden
opdat wij door Hem zouden leven.8
Door zijn dood heeft Hij ons het leven gegeven. Christus is de enige weg naar
de Vader. Zoals Jezus zei bij het Laatste Avondmaal: Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.9 Want los van Hem kunnen wij niets.10 Het leven van Christus te leven behoort de eerste
zorg van iedere christen te zijn, met Hem een te worden, zoals de wijnstok een
is met zijn ranken. De rank is voor zijn leven geheel afhankelijk van de
wijnstok. Verwijder de rank van de wijnstok en hij is onbruikbaar, alleen
geschikt om in het vuur geworpen te worden.11
Doel van de gelovige is door genade kind van God te worden. Dit is het
wezenlijke doel van het christelijke leven: Christus navolgen, vooral in zijn
Goddelijk Kindschap. Christus zelf heeft ons dit met zoveel woorden gezegd: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader,
naar mijn God en uw God.12
Door de omstandigheden en gebeurtenissen in ons dagelijks
leven probeert Jezus ons op talloze wijzen te bemoedigen. Hij wil dat ons
welslagen en onze mislukkingen ons dichter bij Hem brengen. Heel dikwijls geven
wij geen gehoor aan zijn oproep. We kunnen Hem nu zeggen met de woorden van de
dichter: «Wat heb ik, dat maakt dat U mijn vriendschap zoekt? / Wat kan U ertoe
brengen, o Jezus dat U, door en door koud / aan mijn deur staat in donkere
winternachten? / O, wat was mijn hart ongevoelig door zijn deur niet voor U te
openen! / Wat een vreemde waanzin, dat het koude ijs van mijn ondankbaarheid /
de wonden moest drogen van uw arme voeten! / Hoe vaak heeft mijn engel mij niet
gezegd: / 'Ziel, kijk nu uit het raam en je zult zien / hoe liefdevol Hij
blijft aankloppen!' / En hoe dikwijls, mijn engel, antwoordde ik: / 'Morgen
zullen wij de deur voor Hem openen' / om de volgende dag precies hetzelfde te
zeggen!»13
20.3 «We
zien in, dat wij in de tegenwoordigheid van Jezus geen genoegen kunnen nemen
met een puur menselijke sympathie, hoe terecht en waardevol die ook is. Het is
ook niet voldoende Hem alleen maar te zien als een persoon die historisch,
theologisch, spiritueel en sociaal belangrijk is of als een bron van
kunstzinnige inspiratie.»14 Jezus Christus raakt
verweven met ons leven op een wijze, zoals dat met geen andere persoon kan. Hij
vraagt ons Hem te volgen door onze wil volledig met die van Hem te
vereenzelvigen. Daarom zei Hij tot zijn apostelen, na de terechtwijzing aan
Petrus: Wie mijn volgeling wil
zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest
omwille van Mij en het evangelie, zal het redden.15
De Heer sprak openlijk over zijn lijden. Hij gebruikte het
beeld zijn kruis opnemen
en Hem te volgen. Pijn en lijden verkrijgen bij Christus een nieuwe,
liefdevolle inhoud en krijgen een bevrijdende strekking. Pijn staat ons toe bij
Christus te zijn aan het kruis. Lijden en tegenslag zuiveren ons. Ziekte,
mislukking, ondergang... in het gezelschap van Christus worden dit 'goddelijke
liefkozingen' waarvoor wij dankbaar moeten zijn. Laten wij de Heer danken
wanneer het ons slecht gaat en het moeilijk is om verder te gaan. Hij zal het
pijnlijkste deel en de tegenspoed wegnemen. Laten wij het kruis niet prijsgeven
door te mopperen en te jammeren of toe te geven aan verdriet.
Tegenslagen, of zij nu groot zijn of klein, van materiële of
morele aard, kunnen dienen als herstel voor onze fouten in het verleden. Zij
kunnen worden omgezet in een echte bijdrage aan het apostolaat. Hieraan denkend
verliezen tegenslagen hun angel. Anders dan we verwachten, maken zij ons meer
geneigd tot gebed, tot gesprek met God door de dag heen. Een christen, die
regelmatig wegvlucht van het offer, zal Christus niet op zijn weg vinden. Hij
zal ook geen blijvende vorm van geluk vinden, daar dit zo innig verbonden is
met liefde en zelfverloochening. Hoeveel christenen eindigen hun werkdag met
een lang gezicht, moedeloos, niet door grote tegenslagen, maar door de kleine
speldeprikken, kleine tegenvallers die zij vergeten te heiligen!
Laten wij Jezus zeggen dat wij Hem willen volgen. Hij zal ons
helpen ons kruis met fierheid te dragen. Wij vragen Hem om ons tot zijn naaste
leerlingen te rekenen. «Heer, neem mij zoals ik ben, met mijn fouten, met mijn
tekortkomingen, maar maak mij zoals U wilt dat ik ben»16,
precies zoals U deed met de heilige Petrus!
-1. Vgl. Mc
8,27. -2. Lc 9,18.
-3. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie, 7
januari 1987. -4. Fil
3,7-8. -5. Mc
8,31-32. -6.Vgl. Mt
4,10. -7. Jes
50,5-10. -8. Vgl.1 Joh
4,9. -9. Joh 14,6.
-10. Vgl. Joh 15,5. -11. Vgl. Joh 15,1-6. -12. Joh 20,17. -13. Lope
de Vega, Soneto a Jesús crucificado.
-14. Johannes Paulus ii, o.c. -15. Mc 8,34-35. -16. Johannes Paulus i, Toespraak, 13 september 1978.
|