Zevende week. Zaterdag
60. MET DE OPRECHTHEID VAN KINDEREN
-Geestelijk kindschap en oprechtheid. -Blijken
van christelijke vroomheid en natuurlijkheid. -Oprecht zijn.
60.1 Bij verschillende gelegenheden verhaalt het evangelie hoe de kinderen
naar Jezus toegaan. Hij ontvangt hen, zegent hen en houdt hen als voorbeeld
voor aan zijn leerlingen. Vandaag leert Hij ons nog eens de noodzaak te worden
als een van die kleinen om in zijn Koninkrijk te kunnen binnentreden. Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk Gods niet
aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan. Daarop omarmde Hij ze en
zegende hen, terwijl Hij hun de handen oplegde.1
In deze kinderen die door Jezus omhelsd en gezegend
werden waren niet alleen alle kinderen van de wereld vertegenwoordigd, maar ook
alle mensen aan wie de Heer aangaf, dat zij het Koninkrijk Gods moesten
aannemen.
Jezus gaf op beeldende wijze de kern van de
leer van het goddelijk kindschap weer: God is onze Vader en wij zijn kinderen;
ons gedrag dient kort gezegd neer te komen op het verwerkelijken van deze band
die een goed kind heeft met een goede vader. Door deze geest van het goddelijk
kindschap begrijpen wij onze afhankelijkheid van de Hemelse Vader en de
vertrouwensvolle overgave aan zijn liefdevolle voorzienigheid, als een kind dat
vol vertrouwen naar zijn vader gaat. We krijgen de nederigheid te erkennen, dat
wij zelf niets kunnen, en de oprechtheid en eenvoud die ons ertoe brengen ons
te laten zien, zoals wij zijn.2
Volwassen zijn en innerlijk worden als
kinderen, dat kan een moeilijke opgave zijn. Dat vraagt een stevige en sterke
wil en een grote overgave aan God. «Het geestelijk kind-zijn is geen
geestelijke domheid of 'slapheid': het is een weg van gezond verstand en
kracht, die een ziel vanwege zijn 'moeilijke gemakkelijkheid' moet opgaan en
verder bewandelen aan de hand van God.»3 De christen die besloten heeft het
geestelijk kindschap te beleven, beoefent makkelijker de liefde, omdat «het kind
een schepsel is, dat geen wrok koestert, geen bedrog kent en zich niets wijs
laat maken. Als een klein kind zal de christen niet vertoornd raken, als hij
beledigd wordt, [...] zich niet wreken, als hij mishandeld wordt. Sterker nog: de
Heer eist van hem, dat hij bidt voor zijn vijanden, dat hij tuniek en zelfs
overkleed laat aan wie hem die ontnomen hebben (vgl. Mt 5,40), dat hij de andere wang
toekeert aan wie hem in het gezicht geslagen heeft».4 Het kind vergeet
makkelijk en houdt geen lijst van beledigingen bij. Een kind lijdt geen pijn.
Door het geestelijk kindschap behoudt men
altijd een jeugdige liefde, doordat de oprechtheid het onmogelijk maakt
negatieve ervaringen in het hart op te slaan. «Je bent jonger geworden!
Inderdaad merk je dat de omgang met God je in korte tijd de gelukkige
onbevangenheid van je jeugd heeft teruggegeven, met inbegrip van de zekerheid
en het geluk -zonder kinderachtigheden- van je geestelijke jeugd... Je kijkt om
je heen en constateert, dat het de anderen ook zo vergaat: sinds hun ontmoeting
met de Heer zijn er jaren voorbijgegaan, maar hoe ouder en rijper ze worden,
hoe onverwoestbaarder hun jeugdigheid en blijheid; het zijn geen jongeren meer
en toch zijn ze jong en blij!
»Deze realiteit van het innerlijk leven trekt
de zielen aan, sterkt ze en verovert ze. Bedank dagelijks daarvoor ad Deum qui laetificat juventutem - God Die je jeugd verblijdt.»5 De Heer verblijdt werkelijk onze eeuwige
jeugd: in het begin, en als wij volwassen zijn, en als wij
op gevorderde leeftijd zijn. God is altijd de grootste blijdschap van het
leven, als wij als kinderen voor zijn aanschijn leven, als kleine kinderen die
Hem altijd nodig hebben.
60.2 Het goddelijk kindschap zal eenvoudige devoties voortbrengen, kleine
feitelijke blijken van eerbied jegens God onze Vader, omdat een liefdevolle
ziel niet passief kan blijven.6 De christen die uit alle macht heeft getracht kind van God te worden,
kan aan kleine devoties de juiste betekenis hechten. Iedereen dient zich «de
vroomheid van het kind en de kennis van de theoloog» eigen te maken, placht de heilige
Jozefmaria Escrivá te zeggen. De solide vorming in de leer helpt ons zin te
geven aan een blik op een beeltenis van Onze Lieve Vrouw en deze blik om te
zetten in een akte van liefde, of om een kruisbeeld te kussen, het helpt ons
niet onverschillig te blijven voor een van de taferelen van de kruisweg. De
oprechte en eerlijke vroomheid, echte liefde, moeten op de een of andere manier
naar buiten treden. Dan kijkt God met welgevallen naar ons, zoals een vader
kijkt naar zijn kleine kind, van wie hij meer houdt dan van alle zaken van de
wereld.
Oprecht en diep geloof leidt tot concrete
blijken van vroomheid, gezamenlijke of persoonlijke, die een menselijk en
goddelijk recht van bestaan hebben. Vaak gaat het om vrome gewoonten van het
christenvolk die van ouder op kind doorgegeven zijn. Naast het verlangen meer
en meer onze persoonlijke leerstellige vorming te verbeteren -zo veel als in
onze persoonlijke omstandigheden maar mogelijk is- dienen wij de kleine
eenvoudige devoties in ons leven een plaats te geven, devoties die wij zelf
bedacht hebben, of die al generaties lang voor velen gediend hebben om God te
beminnen, devoties die God welgevallig waren, omdat zij ons deden zijn als
kinderen. Zo was het van meet af aan in de Kerk een gewoonte de altaren en de
heiligenbeelden te versieren met bloemen. Het werd gewoonte het kruisbeeld en
de rozenkrans te kussen, wijwater te nemen en daarmee een kruisteken te maken...
Op sommige plaatsen verwerpt men deze vrome en
eerlijke gebruiken van het christenvolk, omdat men deze niet weet te waarderen
als blijken van liefde. Men denkt ten onrechte dat deze horen bij een
'kinderachtige goedgelovige'. Men heeft deze woorden van de Heer vergeten: Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk Gods niet
aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan.7 Men wil zich niet
bewust zijn, dat wij voor God als kleine, behoeftige kinderen zijn, en dat in
het mensenleven de liefde haar uitdrukking vaak vindt in onopvallende
kleinigheden. Deze blijken van genegenheid lijken, als deze afstandelijk,
zonder liefde en zonder begrip, met kritische objectiviteit bekeken worden,
geen betekenis te hebben. De Heer, daarentegen, werd vaak geroerd door het
gebed van kinderen en van hen die uit liefde
als kinderen werden.
De Handelingen
van de apostelen laten telkens opnieuw zien hoe de
eerste christenen lampen in overvloed aanstaken in de ruimten waarin de heilige
eucharistie gevierd werd.8 En zij brandden op de graven van de martelaren graag olielampjes. De
heilige Hiëronymus zwaait een goede priester op deze wijze lof toe: «Hij sierde
de basilieken en martelaarskapellen met een verscheidenheid aan bloemen,
boomtakken en wijnranken, zodat alles wat in de kerk een aangename indruk
maakte, hetzij door ordening, hetzij door sierlijkheid, een getuige was van het
werk en de ijver van de priester».9 De kleine uitwendige blijken van vroomheid die de menselijke aard
eigen zijn, hebben tastbare dingen nodig om zich tot God te wenden, waardoor de
mens Hem op gepaste wijze zijn noden en verlangens kan uiten.
Soms neemt oprechtheid de vorm aan van
stoutmoedigheid. Wanneer wij in gebed verzonken zijn, of wanneer wij over
straat gaan, kunnen wij de Heer dingen vragen die wij anderen -uit schaamte-
niet zouden durven vragen, omdat deze behoren tot de intimiteit van onszelf.
Verder is het nodig, dat wij Hem kunnen -en durven- zeggen wat wij verlangen,
maar wat ons nog dwazer maakt van liefde tot Hem-; dat wij, als Hij het wil,
bereid zijn ons meer aan het kruis te nagelen-; dat wij Hem nogmaals ons leven
offeren- En deze stoutmoedigheid van het kinderbestaan moet uitmonden in
concrete voornemens.
60.3 Oprechtheid is een van de belangrijkste blijken van het geestelijk
kindschap. Oprechtheid is het gevolg van weerloosheid tegenover God, zoals die
van het kind tegenover zijn ouders van wie het afhankelijk is en op wie het vertrouwt. Tegenover God hebben schone
schijn of het verdoezelen van
gebreken of fouten die wij begaan hebben, geen zin. Zo
dienen wij ook oprecht te zijn bij het openleggen van onze ziel in de
persoonlijke geestelijke leiding, door uit te komen voor het goede, het
verkeerde, het twijfelachtige in ons leven.
Wij beleven de deugd van eenvoud, wanneer wij
een oprechte bedoeling hebben in onze liefde tot God. Dat brengt ons ertoe bij
alles wat we doen de eer van God en het welzijn van de zielen te zoeken, met
krachtige wil. Als iemand God echt zoekt,
zal hij niet verstrikt raken in ingewikkelde redeneringen; en hij zal
geen buitengewone daden willen verrichten. Hij doet gewoon wat hij moet doen en dat probeert hij goed te doen: voor God.
Hij spreekt helder, zonder halve waarheden, houdt niet steeds een slag
om zijn arm. Hij is niet naïef maar ook niet achterdochtig, hij is verstandig
maar niet wantrouwend. Uiteindelijk is zijn leven naar het onderricht van de
Heer: Weest dus omzichtig als slangen
en argeloos als duiven.10
«Als je deze weg gaat, mijn vriend, zul je een
grote intimiteit met de Heer bereiken: je zult leren Jezus bij zijn naam te noemen en de ingetogenheid ten zeerste te
beminnen. Dwaasheid, lichtzinnigheid, oppervlakkigheid en lauwheid
zullen uit je leven verdwijnen. Jij zult vriend van God worden. En in je
ingetogenheid, in je intimiteit, zul je vreugde beleven in het overwegen van
die woorden uit de Heilige Schrift: Loquebatur
Deus ad Moysem facie ad faciem, sicut solet loqui homo ad amicum suum - Jahwe
sprak dan tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn
vriend spreekt (Ex 33,11).»11 Een gebed dat in
de loop van de dag zijn uitdrukking vindt in akten van liefde en eerherstel, in
dankbetuigingen, schietgebeden tot de Maagd Maria, tot sint Jozef, tot de
engelbewaarder...
Onze Lieve Vrouw leert ons om te gaan met de
Zoon van God, en daarbij ingewikkelde formuleringen terzijde te laten. Het is
niet moeilijk ons voor te stellen hoe zij de maaltijden zou hebben
klaargemaakt, de vloer veegde of de kleding verzorgde... En te midden van al deze
werkzaamheden zal zij zich wel vol vertrouwen tot Jezus gewend hebben, met een
fijngevoelig ontzag -zij wist immers heel
goed, dat Hij de Zoon van de Allerhoogste was- en met onmetelijke
liefde. Zij maakte Hem duidelijk waar zij, of een ander, behoefte aan had -Zij hebben geen wijn
zou zij bijvoorbeeld op de bruiloft van vrienden of verwanten in Kana zeggen-,
zij zorgde voor Hem, zij deed voor Hem die kleine dingen die in het dagelijks leven voorkomen, zij keek naar Hem, zij dacht aan
Hem... en dat alles was een volmaakt gebed.
Wij moeten onze
liefde tot God laten blijken. Heel vaak kunnen wij die
uiten door de heilige mis, door de gebeden die de Kerk ons voorhoudt in de
liturgie of door een bezoekje van een paar
minuten aan het Allerheiligste, terwijl het dagelijks gejakker doorgaat,
of door een paar bloemen neer te leggen bij een beeltenis van Maria, Moeder van
God en onze Moeder. Laten wij haar nu vragen, dat
zij ons hart oprecht doet zijn en vol liefde om met haar Zoon om te
gaan. Laten wij dat ook leren van de kinderen, die zich met zoveel vertrouwen
tot hun ouders wenden en tot de mensen van wie zij houden.
-1. Mc 10,15-16. -2. Vgl. The Navarra Bible,
noot bij Mc 10,13-26. -3. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 855. -4. H. Maximus van Turijn, Sermo 58. -5. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 79. -6. Vgl. H. Theresia van Lisieux, Geschiedenis eener ziel,
10,41. -7. Mc 10,15. -8. Hnd 20,7-8. -9. H. Hiëronymus, Epistola 60,12. -10. Mt 10,16. -11. S. Canals, Ascética meditada,
Madrid 1981, bl. 145.
|