Twintigste week. Vrijdag
53. Met heel ons hart
-Het eerste gebod van de wet: God beminnen met heel ons
wezen. -We moeten God ook beminnen met genegenheid. -Uitdrukkingen van
vroomheid.
53.1 God beminnen is niet zomaar iets heel belangrijks voor de mens. Het is
het enige absoluut belangrijke, waarvoor de mens geschapen is. Dus is het zijn
fundamentele taak op aarde en zal het voor altijd zijn enige bezigheid zijn in
de hemel. Het is het middel waarmee hij geluk en volledige vervulling verkrijgt.
De afwezigheid ervan maakt het leven van de mens leeg. Iemand die veel van de
Heer gehouden heeft en die een leven leidde van veel lichamelijk lijden, liet
enkele zeer toepasselijke woorden na: «Niet pijn frustreert het leven, maar
gebrek aan liefde». De enige grote mislukking in een leven is geleefd te hebben
zonder te hebben liefgehad: misschien zijn vele andere dingen bereikt, maar wat
echt belangrijk is, namelijk God lief te hebben, is ongedaan gebleven.
In het evangelie van vandaag1
lezen we hoe een Farizeeër bij Jezus kwam en Hem een vraag stelde om Hem op de proef te stellen,
om zijn woorden te verdraaien: Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet?
Misschien verwachtte hij dat Jezus iets zou zeggen dat hem in staat zou stellen
Hem ervan te beschuldigen dat Hij de Schrift tegensprak. Maar Jezus antwoordde:
Gij zult de Heer uw God
beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het
voornaamste en eerste gebod. God vraagt niet om een beetje ruimte
in ons hart, in onze ziel of in ons verstand, om maar een beetje te delen in
onze liefde: Hij wil alles -niet maar een beetje liefde, een deel van ons
leven, maar alles wat we hebben. «God is Alles, de Enige, de Absolute, en moet
bemind worden ex toto
corde, absoluut»2, zonder grens of
maat.
Christus, door God gemaakte mens, die komt om ons te redden,
heeft ons lief met een zeer persoonlijke liefde; Hij is een jaloerse minnaar
die om al onze liefde vraagt. Hij verwacht van ons dat wij Hem geven wat we
hebben, om de roeping te volgen waartoe Hij ons eens geroepen heeft. En Hij
blijft ons volgen te midden van de werkzaamheden en omstandigheden -plezierige
of andere- van ons dagelijks leven. «Het is zo, mijn kind, dat God het recht
heeft ons te vragen: Denk jij aan Mij? Verblijf jij in mijn aanwezigheid? Zoek
jij Mij, als jouw steun? Zoek jij Mij als het Licht van je leven, als harnas...,
als alles? -Wel, hernieuw dit voornemen: roep in de uren die de mensen van de
aarde als goed aanmerken: Heer! In de uren die zij slecht noemen, moet jij
herhalen: Heer!»3 Iedere omstandigheid zou een
gelegenheid moeten zijn om Hem lief te hebben met geheel ons hart, met geheel
onze ziel en geheel ons verstand, met al onze kracht en ons hele leven. Niet
alleen als we Hem een bezoek brengen in een kerk of als we de heilige communie
ontvangen, maar ook in ons werk, in ons lijden en onze fouten, op momenten dat
we onverwacht goed nieuws ontvangen. We moeten Hem vaak in de diepte van ons
hart zeggen: 'Jezus, ik houd van U', ik aanvaard deze moeilijkheid rustig om U,
ik zal deze taak goed uitvoeren omdat ik weet dat dit U zal behagen, want ik
weet dat het U niet om het even is of ik het goed of slecht doe. Nu kunnen we
in ons gebed tot Hem zeggen: Jezus, ik houd van U..., maar leer me meer van U te
houden; moge ik leren met mijn hart en met mijn daden van U te houden.
53.2 Geef mij uw hart, mijn zoon, en
laat uw ogen welgevallen hebben in mijn wegen.4
De heilige Thomas van Aquino leert ons in een commentaar op
het gebod God lief te hebben met heel ons hart, dat de oorsprong van de liefde
tweevoudig is: evenzeer zijn daarbij betrokken onze gevoelens van genegenheid
of emoties als ons verstand. Liefde is emotioneel als de betrokken persoon in
zijn leven het voorwerp van zijn liefde niet missen kan. En ze wordt beheerst
door de rede als de persoon liefheeft wat hij met zijn verstand kan bevatten.
We moeten God op beide wijzen liefhebben, met onze wil en met een hart dat ook
menselijk is, met de genegenheid waarmee we andere menselijke wezens liefhebben5, met het enige hart dat we bezitten. Ons hart en
onze emoties zijn integrale delen van onze persoonlijkheid. In een geschrift
tegen het manicheïstische begrip dat menselijke gevoelens wezenlijk slecht
zijn, merkt de heilige Johannes Chrysostomus op: «Als menselijke wezens is het
voor ons onmogelijk volledig emotieloos te zijn; we kunnen onze emoties
controleren, maar we kunnen niet zonder ze leven. Daarnaast kan emotie
voordelig zijn als we haar kunnen gebruiken wanneer ze nodig is.»6 Als we het evangelie lezen, zien we dat Christus'
liefde tegelijkertijd menselijk en bovennatuurlijk is, vol warmte en tederheid,
zowel wanneer Hij zich tot zijn hemelse Vader richt als in het gezelschap van
mensen. Hij raakt ontroerd bij het zien van de weduwe die haar enige zoon
verloren heeft; Hij weent om een dierbare vriend; Hij is pijnlijk getroffen
door de ondankbaarheid van de melaatsen die van hun ziekte genezen zijn; Hij is
altijd hartelijk en open voor allen, zelfs tijdens de vreselijke en verheven
momenten van zijn lijden. Wij, die Christus zeer nabij willen volgen, echt zijn
leerlingen willen zijn, moeten eraan denken dat christelijk leven niet zozeer
bestaat «in veel denken als wel in veel liefhebben».7
Vanuit emotionele en gevoelige gezichtspunten beseffen we
hoeveel wijzelf hulp, bescherming, genegenheid en geluk nodig hebben. Soms
kunnen en moeten deze zeer diepe gevoelens een kanaal zijn om God te zoeken, om
Hem te vertellen dat we van Hem houden, dat Hij ons moet helpen om dicht bij
Hem te blijven. Als onze daden slechts het resultaat waren van koude en
rationele keuzen, of als we het affectieve deel van ons wezen zouden proberen
te ontkennen, zouden we ons menselijk leven niet zo in haar volheid leven als
God wenste, en op den duur zou het kunnen gebeuren dat we helemaal niet meer
van Hem houden. God heeft ons met lichaam en ziel gemaakt, en Jezus de Meester
vertelt ons dat we Hem volledig, met alle gaven van ons hart en verstand en met
al onze kracht moeten liefhebben.
Soms voelen we ons misschien koud en lusteloos, met een hart
dat niet antwoordt, met gevoelens die onvoorspelbaar op en neer gaan. We moeten
het dan niet erbij laten de Heer onwillig te volgen, als iemand die een zware
plicht vervult of een vies smakend medicijn inneemt. We moeten stappen
ondernemen om uit zo'n toestand te geraken. Tenzij het een geval van passieve
zuivering is, toegestaan door onze Heer, zou het alleen lauwheid zijn, een
gebrek aan ware liefde. We moeten God liefhebben met een onwankelbare wil, en
altijd, wanneer mogelijk, met de andere waardige gevoelens van ons hart.
Meestal zal het met Gods hulp mogelijk zijn onze gevoelens te doen ontwaken en
onze harten opnieuw in vlam te zetten, ook al is er op dat moment geen
innerlijke voldoening te verkrijgen.
Op andere momenten behandelt God ons als een toegenegen
moeder zou doen, die haar kind onverwachts met een snoepje beloont of het
gewoon aan hem geeft als een bijzonder teken van genegenheid. En het kind, dat
altijd van zijn moeder houdt, is geestdriftig van verrukking, en in zijn wens
zijn dankbare waardering te tonen biedt het vrijwillig aan alles te doen wat
zijn moeder wil. Het kind zou er nooit van dromen te denken dat zijn moeder
niet van hem houdt als zij hem geen snoepjes geeft, en als het enig gezond
verstand heeft, kan het de liefde van zijn moeder ook zien achter een berisping
of een bezoek aan de dokter. Zo is het ook met God onze Vader, die nog veel
meer van ons houdt. Op dit soort momenten moeten we goed gebruik maken van die
bevestigingen van genegenheid om dichter bij God te komen, om meer edelmoedig
te antwoorden in onze dagelijkse strijd, ook al weten we dat de uiteindelijke
kern van de liefde niet in onze gevoelens gevonden kan worden.
53.3 De Schrift zegt ons: mijn hart lijkt geworden tot was, het begint te begeven van
binnen.8
De liefde voor God moet, als elke ware liefde, verzorgd,
beschermd en gevoed worden. Zonder aanstellerij moeten wij enkele tekenen van
affectieve vroomheid tonen, zoals het innige kussen van een kruisbeeld of een
blik naar een schilderij van Onze Lieve Vrouw. We moeten niet proberen God
alleen te bereiken door 'wilskracht', die misschien slijt en onze relatie met
Christus verarmt. «Je verstand is traag en
loom. Je doet vergeefse moeite om in de tegenwoordigheid van de Heer je
gedachten te ordenen: een volledig onvermogen. -Forceer niets, en wees niet
bezorgd. Geloof me: het is het uur van het hart.»9
Misschien is dit het moment om een paar woorden te zeggen met de eenvoud van
onze kinderjaren, bewust een schietgebed zeggen met grote vroomheid en
genegenheid. Mensen die zich anngetrokken voelen God lief te hebben, beseffen
heel goed hoe belangrijk het is dag in dag uit dezelfde dingen te doen en te
zeggen: woorden, handelingen en gebaren die de liefde altijd nieuw maakt.10
Om God met heel ons hart te beminnen zullen we onze toevlucht
nemen tot de allerheiligste Mensheid van Jezus. Het zal ons er misschien toe
brengen van tijd tot tijd een boek over het leven van Christus te lezen en Hem
te beschouwen als volmaakte God en volmaakte mens, te zien hoe Hij omgaat met
hen die tot Hem komen, met genade vol medelijden en liefde voor allen. We
moeten bijzonder mediteren over zijn lijden en dood aan het kruis, over zijn
grenzeloze edelmoedigheid. Op andere momenten kunnen we ons zelfs tot God
richten met woorden van menselijke liefde door, bijvoorbeeld, voor oprecht en
verheven gebed gebruik te maken van liedjes die zingen van een pure en nobele
liefde.
Zoals elke echte liefde is de liefde voor God niet louter
gevoelsmatig. Ze bestaat niet uit loutere emoties, omdat ze ons hele leven moet
beïnvloeden. «Liefde
bestaat uit daden en niet uit mooie praatjes. Daden, daden! Voornemen:
ik zal doorgaan U heel vaak te zeggen dat ik van U houd -hoe vaak heb ik het
vandaag al gezegd? Door uw genade echter zal het vooral mijn gedrag zijn,
zullen het de kleine dingen van elke dag zijn die dat -met woordloze
welsprekendheid- tot U uitroepen, die U mijn liefde doen blijken.»11
-1. Mt 22,34-40. -2. F.
Ocáriz, Amor a Dios,
amor a los hombres, bl. 22. -3. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 506. -4. Spr 23,26. -5. Vgl. H. Thomas van Aquino, Commentaar op het evangelie van
Matteüs, 22,4. -6. H.
Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 16,7. -7. Vgl. Johannes Paulus ii, Homilie, Ávila, 1
oktober 1982; H. Theresia van Ávila, De
innerlijke burcht, IV, 1,7. -8. Ps 22,15. -8. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 102. -10. Vgl. J. Escartín, Meditatie over de rozenkrans, Madrid. -11. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 498.
|