Zevende zondag door het jaar (B)
53. MET HET GOEDE MEEWERKEN
-Het geestelijk en materieel goed van de
anderen bevorderen. -In het maatschappelijk leven niet louter toeschouwer zijn.
Initiatieven. Niet meewerken met het kwaad: een paar voorbeelden. Oplossingen
bieden. -Al het goede beschermen en aanmoedigen. Geest van samenwerking. Het
positieve laten zien.
53.1 De hele mensheid is doordrenkt van het verlangen naar vrijheid, het
verlangen alle onderdrukking en elke vorm van slavernij ver van zich weg te
werpen. Vandaag verschijnt Jezus in het evangelie1 van de mis als de
enige echte bevrijder. Vier vrienden brengen een lamme in het vurig verlangen
hem te laten bevrijden van de ziekte die hem bedlegerig maakte. Na heel veel
moeite hadden zij hem vlak bij Jezus gebracht en nu horen zij Hem deze woorden
zeggen tot hun vriend: uw zonden zijn
u vergeven. Het is heel goed mogelijk, dat dit niet
direct de woorden waren die zij van de Meester verwachtten voor hun zieke
vriend, maar Christus duidt aan, dat de ergste van alle benardheden, de meest
tragische slavernij waaronder een mens gebukt kan gaan, deze is: de zonde, die
niet een kwaad is tussen andere kwaden die de schepselen te verduren hebben,
maar het kwaad van de ergste soort, het enige kwaad en wel in absolute zin.
De vrienden die de lamme droegen, begrepen, dat
Jezus hun invalide vriend begunstigd had met het grootste goed: de bevrijding
van zijn zonden. En wij mogen niet vergeten, dat wij meewerken aan het goede,
als wij alle middelen aanwenden om de zonde uit de wereld te bannen. In veel
gevallen is de grootste gunst, de grootste weldaad, die wij een vriend, broers,
zussen, ouders, echtgenoot, kinderen kunnen bewijzen erin gelegen, hen te
helpen vaak het sacrament van de vergeving te ontvangen. Het is een goed voor
de familie, voor de Kerk, voor de gehele mensheid, ook al dringt dat nauwelijks
tot iemand door.
Met zijn goddelijke macht bevrijdt Christus van
de zonde: Wie anders kan er zonden
vergeven dan God alleen? Daartoe kwam Hij op aarde:
Maar God, die rijk is aan erbarming,
heeft wegens de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons met Christus
ten leven gewekt, hoewel wij dood waren door onze zonden.2 Nadat Hij de lamme zijn zonden vergeven had, genas Hij hem ook van
zijn lichamelijke kwalen. Deze man moet op dit moment begrepen hebben, dat het
grootste geluk van die dag de eerste genezing was: voelen dat zijn ziel
doordrenkt is geworden van de goddelijke barmhartigheid, en naar Christus
kunnen kijken met een zuiver hart.
De lamme genas naar ziel en lichaam. En zijn
vrienden zijn nu voor ons een voorbeeld van hoe wij anderen moeten helpen -voornamelijk
door vriendschap, door medewerking aan initiatieven tot apostolaat-- en door de
samenleving te verbeteren met alle middelen die ons ter beschikking staan:
werken aan het algemeen welzijn, voor een goede moraal en voor de cultuur. We
doen dit door positieve oplossingen aan te dragen wanneer wij het kwaad
ontmoeten. Dat kan zijn op de plaats waar wij werken, maar ook in onze directe
omgeving (buren, huisgenoten, parochie, clubs enz.). Het is dáár, dat we kunnen
helpen het goede op te bouwen en dat we medewerking aan het kwaad kunnen
vermijden.
53.2 Het komt dikwijls voor, dat mensen totaal onverschillig blijven bij
ontwikkelingen in de samenleving, die ernstige gevolgen kunnen hebben voor
hunzelf, hun kinderen of hun sociale omgeving. Zij hebben ten onrechte het
idee, dat de 'anderen' initiatieven zouden moeten nemen om het kwaad af te
remmen en het goede te bevorderen en niet zij zelf. Zij volstaan met nutteloos
klagen. Een christen kan niet passief blijven, want hij weet dat hij werkzaam
moet zijn in de samenleving als gist in het deeg. Midden in de menselijke
werkelijkheid. «De christenen zijn in de wereld, wat de ziel is in het
lichaam.»3 Dat is «de plaats die God hun gewezen heeft en het is niet toegestaan
deze in de steek te laten».4
De positieve plicht mee te werken aan het
algemeen welzijn, zou iedere christen ertoe moeten aanzetten de boodschap van
Christus door te geven op alle terreinen waar hij werkzaam is.5 Daarom kan hij niet volstaan
met zelf niets kwaads te doen, zonder een concrete inzet om het goede te
verrichten. Voor de vrienden van de lamme uit het tafereel van het evangelie is
het niet voldoende geen kwaad te doen. Zij helpen die zieke bij Jezus te komen.
Zij helpen hun vriend door het wonder van de Heer mogelijk te maken.
Meewerken aan het goede sluit, logischerwijze,
ook niet meewerken aan het kwaad in. Niet alleen in belangrijke beslissingen,
maar ook in de kleine dingen die binnen handbereik liggen. Geen geld uitgeven,
al is het nog zo weinig, aan tijdschriften, weekbladen, boeken, voorstellingen,
videobanden- die door hun antichristelijke of immorele karakter schade
toebrengen aan de zielen. De krant niet in die ene maar wel in die andere
tijdschriftenwinkel kopen, ook al moet daar een omweg voor gemaakt worden, als
de eerste tijdschriften verspreidt die de Kerk of de christelijke moraal
aanvallen. Hetzelfde geldt voor een drogisterij of supermarkt die
voorbehoedsmiddelen verkoopt. Ook niet die produkten-misschien wel
kwaliteitsprodukten- kopen, die in immorele of antikatholieke programma's op
radio of televisie worden aangeprezen. Onze vrienden overhalen hetzelfde te
doen is nog beter. Als de christenen bepaalde kranten en tijdschriften niet
meer kopen, zouden er wellicht een heleboel niet kunnen voortbestaan. Het erge
is, dat dikwijls veel van de aangerichte schade wordt bekostigd door slappe
christenen die zich, op hun beurt, beklagen over de morele ineenstorting van de
samenleving.
De christen moet met het goede meewerken door
positieve oplossingen te zoeken en te bieden voor de problemen van altijd en
voor die waarvoor men zich nu gesteld ziet. Voor een goede christen is het niet
genoeg niet te stemmen op een partij en niet voor voorstellen, die gericht zijn
tegen het ideaal van het christelijk gezin, tegen de vrijheid van onderwijs,
tegen de bescherming van het leven vanaf de conceptie. Voortdurend, goed
onderbouwd apostolaat is nodig, zonder valse voorzichtigheid, zonder vrees
tegen de stroom in te gaan met betrekking tot onderwerpen die van vitaal belang
zijn voor de samenleving zelf en waarover men volledig misleid is, of in het
beste geval, maar een deel van de waarheid kent, wat vaak nog meer verwarring
oplevert.
Dit vriendschappelijke apostolaat van de leer,
dat genegenheid toont voor iedereen en dat de leer van Christus zo wijd
mogelijk verspreidt, zal er iedere gelegenheid voor benutten (vrienden,
klanten, uitstapjes enz.). Het is het zuurdesem dat op de maatschappij inwerkt.
53.3 De taak de huidige samenleving opnieuw te kerstenen lijkt op de taak
die de eerste broeders en zusters in het geloof op zich namen, en gebruikt
dezelfde middelen: voorbeeldigheid in hun privé- en openbaar leven, gebed,
vriendschap en edelmoedigheid, betrouwbaarheid, behulpzaamheid en het oprechte
verlangen de anderen gelukkig te maken, gepaard aan de overtuiging, dat er geen
vrede -noch persoonlijk, noch in het gezin, noch in de samenleving- bestaat
buiten God.
De eerste christenen troffen een sociale
omgeving die zeer ver afstond van de leer die hun dierbaar was. Hoewel zij niet
nalieten hun stem te verheffen tegen de gewoonten die de menselijke waardigheid
niet betaamden, verbruikten zij hun beste
energie niet in het klagen. Zij gaven er integendeel de voorkeur aan hun
energie te gebruiken om -met een blij en
broederlijk getuigenis- de innerlijke rijkdom
te verbreiden die zij bezaten. Door ontelbare culturele initiatieven, met
maatschappelijk dienstbetoon, onderwijs, vrijkopen van de gevangenen
enzovoort, leverden zij een bijdrage aan de samenleving. Zij zouden hun leven
hebben kunnen leiden met aanmerkingen over alles wat niet overeenstemde met een
rechtschapen levenswandel, zonder de wereld de echte oplossing te bieden. De
waarheid is als een mosterdzaadje, met in zich een buitengewone kracht.
Om het kwaad te onderscheiden is geen grote
scherpzinnigheid nodig; waar men een gelovige geest voor nodig heeft, is om de
aanwezigheid van God in alle omstandigheden van het leven te ontdekken. Laten
wij onze ogen open houden voor het goede, zoals die echt goede vrienden over
wie de heilige Marcus verhaalt, en -wat het advies is van de apostel Paulus-
het kwaad overwinnen door het goede.6
In veel gevallen zal de zending van de christen
erin bestaan op het positieve te wijzen,
want wat we goed doen, moedigt ons aan en brengt ons dichter bij God.
Laten wij oog hebben voor de deugden van de mensen in onze omgeving: de
edelmoedigheid van een vriend, de inspanningen van iemand bij ons op het werk,
de hulpvaardigheid van de buren, het geduld van onze leraar... En als er eens
geen aanleiding is iemand te prijzen, laten wij dan onze mond houden. Laten wij
hulp bieden door een vriendelijke terechtwijzing en gebed. Laten wij al het
goede, dat in onze omgeving ontstaat, vooruit helpen: soms met een bemoedigend woord, soms door daadwerkelijk mee te
werken met geld of tijd. Tegenover zoveel nutteloze en verderfelijke
lectuur kunnen wij nieuwe uitgaven van goede boeken bekend maken en
tijdschriften die wél in een christelijk huisgezin gelezen kunnen worden. We
kunnen een briefje sturen met lof en dank voor een goed programma, een goed
artikel. Dat kost niet veel moeite en heeft altijd een goede uitwerking.
God vraagt van zijn kinderen geen onnozelheid
tegenover de harde voorvallen in het leven; hij vraagt hun wel nooit wrok te
koesteren, niet cynisch te zijn, de ogen open te houden voor het goede in
mensen en in de samenleving. Hij wil niet dat wij het beste deel van ons leven
met gejammer en geklaag doorbrengen, maar dat wij anderen gul laten delen in de
rijkdom van ons geloof. Zo kunnen wij de mensen en de samenleving helpen
omvormen. Laten wij evenmin vergeten, dat het goede aantrekkelijk is en dat de
deugd altijd meer geluk voortbrengt dan de lauwheid. Een groot gezin,
bijvoorbeeld, geeft ondanks alle vereisten en opofferingen altijd meer geluk,
dan een gezin dat, uit louter egoïsme, het geluk zoekt in wat meer welvaart.
Die vreugde die voor iedereen merkbaar is, is ook een vorm van samenwerken met
het goede; vaak met het meeste effect.
De heilige Maagd die cum festinatione7, haastig, op weg ging om haar nicht te helpen, leert ons altijd mee te
werken aan het goede, opdat haar Zoon Jezus, met zijn genade, op aarde wonderen
blijft doen, ten behoeve van alle mensen.
-1. Mc 2,1-12. -2. Ef 2,4-5. -3. Brief aan Diognetus, 5. -4. Ibidem. -5. Vgl. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam actuositatem, 16. -6. Vgl. Rom 12,21. -7. Lc 1,39.
|