Vierendertigste week. Dinsdag
48. Met voeten van klei
-Het standbeeld met voeten van klei. -Het
ervaren van de persoonlijke zwakheid. -Onze zwakheid, een gelegenheid voor God
om zijn macht en zijn medelijden te tonen.
48.1 Een van de lezingen die de liturgie
voor de heilige Mis van vandaag aanbiedt, is een passage uit het Boek Daniël.
De koning had een droom gehad die hem uitzonderlijk verontrust had, zonder dat
hij zich later de inhoud ervan kon herinneren. Met goddelijke hulp kent Daniël
de droom, vertelt hem aan de koning en legt hem die uit. De profeet sprak tot
Nebukadnessar: In het visioen dat u
hebt gehad, hebt u een zeer groot en helderglanzend beeld voor u zien staan met
een schrikwekkend uiterlijk. Het hoofd van dat beeld was van zuiver goud, zijn
borst en armen van zilver, zijn buik en lenden van brons, zijn benen van ijzer,
zijn voeten waren gedeeltelijk van ijzer en gedeeltelijk van klei. Toen werd er, zonder dat er
een mensenhand aan te pas kwam, een steen
losgekapt; die kwam terecht op de voeten van het beeld en verbrijzelde deze.
Alles kwam naar beneden: het goud, het zilver, het brons, het ijzer en de klei vergruizelden tegelijkertijd en werden door de wind
meegevoerd als het kaf bij het dorsen van het koren...
Er bleef niets meer van het beeld over.1
De verklaring van de droom heeft betrekking op
de vernietiging van opeenvolgende koninkrijken, te beginnen bij Nebukadnessar
zelf, en de komst van een koninkrijk, gesticht door de God des hemels en dat
in eeuwigheid niet te gronde zal gaan2, dat alle
andere zal overrompelen. Het is een voorspelling van de komst van de Messias en
zijn allen en alles omvattend koninkrijk. Het beeld kan echter ook de
afbeelding van iedere christen zijn: met een verstand van goud, dat ons in
staat stelt God te kennen; een hart van zilver, met een overweldigende
mogelijkheid tot liefhebben; en de kracht die hij van de deugden krijgt... Maar
onze voeten zijn altijd van klei3, we kunnen
makkelijk op de grond vallen als we vergeten hoe zwak we zijn... De kennis van
het breekbare materiaal dat ons overeind houdt, moet ons bedachtzaam en nederig
maken. Alleen wie zich bewust is van
deze zwakheid, zal niet op zichzelf vertrouwen, maar zijn sterkte zoeken bij de
Heer, in het dagelijkse gebed, in de geest van
versterving, in de kracht van de geestelijke leiding. Op die wijze zullen juist
de broosheden dienen om onze volharding te waarborgen, want zij maken ons
nederiger en vergroten ons vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid. Wij
weten heel goed hoe waarheidsgetrouw de woorden van de heilige Augustinus zijn:
«Er bestaat geen zonde of misdaad die door iemand anders is begaan, die ik ook
niet zou kunnen begaan vanwege mijn broosheid; en als ik die nog niet heb
begaan, komt dat omdat God het in zijn erbarming niet heeft toegestaan en mij
voor het kwaad heeft behoed.»4
De ervaring van de eigen dwalingen toont aan
hoe instabiel onze persoonlijke gesteldheid is en hoe werkelijk de menselijke
breekbaarheid: «Vele bekoringen, vele struikelblokken komen hen die als God
willen optreden, in de weg.»5 De genade, de
goede verlangens nemen niet volledig de restanten van de zonde weg, die ons tot
het kwade aanzetten. De zelfkennis zal veel gevolgen in ons leven hebben. In de
eerste plaats zullen we ertoe gebracht worden om de sterkte buiten onszelf te
zoeken, namelijk bij de Heer. «Toen jij op eigen krachten macht wilde hebben,
heeft God je zwak gemaakt, om jou zijn eigen macht te geven, want jij bent
slechts zwakheid.»6 Dat is de werkelijkheid.
«Het onontkoombaar gevolg is, dat we onophoudelijk met een krachtig en nederig
geloof moeten smeken: Heer, stel geen vertrouwen in mij. Laat mij op U
vertrouwen. Als we in onze ziel de liefde, de erbarming en de tederheid van de
blik gewaarworden waarmee Christus ons aanziet omdat Hij ons niet in de steek
laat, zullen we de woorden van de apostel volledig begrijpen: virtus in infirmitate perficitur (2 Kor 12,9), kracht wordt juist in zwakheid volkomen. Door het geloof
in onze Heer zullen wij, ondanks onze ellende, beter gezegd, dank zij onze
ellende, trouw zijn aan God, onze Vader. De macht van God zal schitteren en ons
in onze zwakte steunen.»7
48.2 De Kerk onderricht ons dat er, ofschoon
wij het doopsel hebben ontvangen, in de ziel de begeerte blijft, de fomes peccati, «die uit
de zonde voortkomt en tot de zonde neigt.»8 «Wat
de goddelijke openbaring ons heeft doen kennen -stelt het Tweede Vaticaans
Concilie- komt overeen met de ervaring zelf. Want wanneer de mens zijn hart
onderzoekt, bemerkt hij, dat hij ook geneigd is tot het kwade en dat hij op
velerlei gebied vaak ten onder gaat in het kwaad, dat toch niet van zijn goede
Schepper kan voortkomen [...]. Daarom vertoont zich het hele individuele en
collectieve leven van de mens als een echt dramatische worsteling tussen goed
en kwaad, tussen licht en duisternis. Ja, de mens ervaart dat hij niet in staat
is uit eigen kracht het offensief van het kwaad effectief te bestrijden; en zo
voelt iedereen zich als het ware geketend.»9
Wij hebben voeten van klei, zoals dat beeld
waarover de profeet Daniël spreekt. Bovendien is de ervaring van de zonde, van
de zwakheid, van de eigen onmacht zichtbaar in de geschiedenis van de wereld en
in het persoonlijk leven van alle mensen. «Niemand wordt geheel en al verlost
van zijn zwakheid, eenzaamheid of slavernij, maar allen hebben Christus nodig,
Toonbeeld, Leraar, Bevrijder, Verlosser en Levendmaker.»10 Ieder christen is als een aarden pot11 die schatten van onschatbare waarde bevat, maar die vanwege zijn eigen
natuurlijke gesteldheid heel makkelijk kan breken. De ervaring leert ons, dat
we iedere gelegenheid tot zonde moeten wegnemen. Dat is een bewijs van wijsheid
want «eenmaal erin verstrikt, kunnen we ons nergens meer op verlaten. Zoveel
vijanden bestrijden ons immers en we zijn zo zwak om ons te verdedigen.»12
In zijn oneindige
barmhartigheid heeft de Heer gewild, dat deze broosheid
zelf ons tot heil strekt. «God wil, dat jouw ellende de troon van zijn erbarming
is, en jouw onmacht de zetel van heel zijn macht.»13
In onze zwakheid schittert de goddelijke macht door, en zij is een wellicht
onvervangbaar middel om ons meer te verenigen met de Heer, die ons nooit alleen
laat. Zij leert ons begripvol om te zien naar onze broeders, die misschien
moeilijke tijden meemaken, want -zoals de
heilige Augustinus onderricht- er is geen fout of gebrek dat wij niet
kunnen begaan. En als we het nog niet hebben begaan, is dat te danken aan de
goddelijke barmhartigheid die ons voor dat kwaad heeft behoed.14
Laten wij vol vertrouwen tot Jezus gaan: «Heer,
laat onze stommiteiten die afgedaan en vergeven zijn, ons niet meer lastig
vallen noch de mogelijkheid van toekomstige missers; laten wij ons verlaten op
uw barmhartige handen; doe ons onze verlangens naar heiligheid en apostolaat
die zoals gloeiende kooltjes onder schijnbaar koude as verborgen zijn, voor u
neerleggen... Heer, ik weet, dat Gij ons hoort. Zeg jij Hem dat ook.»15
48.3 Ter bemoediging van wie wanhopig is
omdat hij een leven in zonde heeft geleid,
vertelde Johannes Paulus I, dat hij eens een keer aan een dame, die heel
pessimistisch was over haar leven tot dan toe, vroeg hoe oud zij was.
Vijfendertig jaar, antwoordde zij. «Vijfendertig! -riep de paus uit- maar dan
hebt u nog wel veertig of vijftig jaar te leven en daarin kunt u een hoop goede
dingen doen!» Hij gaf haar de raad aan de toekomst te denken en haar vertrouwen
op Gods hulp te vernieuwen. En de paus voegde eraan toe: «Ik heb toen de
heilige Franciscus van Sales geciteerd, die over 'onze dierbare
onvolmaaktheden' spreekt. En ik heb uitgelegd: God verfoeit fouten omdat het
fouten zijn. Maar van de andere kant heeft Hij in zekere zin de fouten lief, in
zoverre zij Hem de gelegenheid bieden zijn barmhartigheid te tonen en ons de
kans geven nederig te blijven en ook de fouten van de naaste te begrijpen en er
medelijden mee te hebben.»16
Als de kennis van onze zwakheid een keer erg
diep doordringt, als de bekoringen toenemen, zullen we horen hoe de Heer ook
tot ons zegt: Je hebt genoeg aan mijn
genade. Kracht wordt juist in zwakheid volkomen. En
met de heilige Paulus zullen we kunnen zeggen: Dus zal ik het liefst van alles roemen op mijn zwakheden. Dan zal de
kracht van Christus in mij wonen. Daarom lijd ik om Christus' wil gaarne
zwakheid, smaad, nood, vervolging en benauwdheid. Want als ik zwak ben, dan ben
ik sterk17, met de sterkte van God.
Ook al voelen we dat we voeten van klei hebben,
we zullen groot vertrouwen verkrijgen als we
de overvloedige bovennatuurlijke middelen beschouwen die de Heer ons
heeft nagelaten om te kunnen overwinnen. Hij verblijft in het tabernakel als
bijzondere kracht voor de strijd; Hij heeft ons de biecht gegeven om de
verloren genade terug te krijgen en de weerstand tegen het kwaad en de
mogelijkheid voor het goede te vermeerderen. Hij heeft beschikt, dat een engel
over ons waakt op al onze wegen; we mogen rekenen op de buitengewone hulp van
de gemeenschap der heiligen, van het voorbeeld van al die mensen die zich als
kinderen van God gedragen; we mogen rekenen op de hulp van de broederlijke
vermaning... En wij hebben, boven alles, de bescherming van Maria, de Moeder van
God en onze Moeder, Toevlucht van de
zondaars, onze toevlucht. Tot haar wenden wij ons
thans en we vragen haar, dat zij ons altijd aan de hand blijft houden.
-1. Dan 2,31-35 -2. Dan 2,44. -3. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 5; 181. -4. H. Augustinus, Belijdenissen, 2,7. -5.
Origenes, Homilieën over Exodus,
5,3. -6. H. Augustinus, Belijdenissen, 19,5. -7.
H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 194. -8. Conc.
van Trente, Sessie 5, cap. 5. -9. Vaticanum ii, Past.
const. Gaudium et spes, 13. -10. Idem, Decr. Ad gentes, 8. -11. 2 Kor 4,7. -12. H. Teresia van
Avila, Leven, 8,10. -13. H. Franciscus
van Sales, Brieven, 10. -14. Vgl. H. Augustinus, Belijdenissen, 2,7. -15. H. Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 426. -16. Johannes
Paulus i, Algemene
audiëntie 20 september 1978. -17. 2 Kor 12,9-10.
|