Vijfde week. Dinsdag
31. MIJN VREDE GEEF IK U
-De Heer geeft zijn vrede aan zijn leerlingen. -De ware
vrede, een vrucht van de Heilige Geest. -Zaaiers van vrede en vreugde.
31.1 Het evangelie van de Mis van vandaag
vermeldt één van de beloften van onze Heer, die Hij zijn apostelen bij het
laatste avondmaal gegeven heeft. Een belofte die pas na de wederopstanding
werkelijkheid werd: Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de
wereld die geeft, geef Ik hem u.1 Later, tijdens hetzelfde maal, herhaalde Hij: Dit heb
Ik u gezegd, opdat gij vrede zoudt bezitten in Mij. Weliswaar leeft gij in de
wereld in verdrukking, maar hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.2 Nu, na de
wederopstanding, staat onze Heer te midden van de apostelen en zegt hun: Pax
vobis. Vrede zij u.3 Onze Heer zal deze woorden gesproken hebben met zijn
gloedvolle stem, die de apostelen zo goed kenden. Zijn vriendelijke groet
verdreef de angst en de schaamte, die de apostelen nog voelden na hun laffe
gedrag tijdens zijn lijden. De groet van de Heer in al haar hartelijkheid
herstelt die persoonlijke sfeer, waarin Hij zijn vrede met hen deelt.
Iemand vrede toewensen was de manier waarop de Joden elkaar
gewoonlijk begroetten. De apostelen zetten deze gewoonte voort, zoals wij kunnen lezen in hun brieven4; ook de vroege christenen deden dit, zoals
blijkt uit veel inscripties uit die tijd. De Kerk gebruikt dezelfde groet bij
sommige gelegenheden in de liturgie; vóór de communie bijvoorbeeld, wenst de
priester het volk vrede toe, want juist vrede is een vereiste om op waardige
wijze aan het heilig Offer deel te nemen.5 Pax Domini, de vrede van de Heer.
Door de eeuwen heen legden de christenen een diepere
betekenis in de woorden waarmee ze elkaar begroetten. Zij doordrongen het leven
van de mensen in positieve zin van generatie op generatie. Ze vormden een
uiterlijk teken van een maatschappij met een christelijk hart.
De wereld van vandaag lijkt de bovennatuurlijke zin van de
christelijke groet te hebben verloren. Maar het zou een grote steun zijn voor
ons innerlijk leven om te proberen ons welkom en afscheid weer een christelijke
ondertoon te geven; het zou weer een gevoel van Gods aanwezigheid aan ons leven
toevoegen.
Als we bijvoorbeeld de
gewoonte ontwikkelen om de beschermengel van de mensen die wij tegenkomen te
begroeten, zal het voor ons gemakkelijker worden om onze omgang met hen op een
hoger niveau te brengen. Dit zou een gevolg zijn van de aanwezigheid van God
die verblijft in onze ziel. Laat ons ernaar streven om de bovennatuurlijke
visie in de gewone alledaagse dingen niet te verliezen: Vrede zij u, zei
de Heer tot hen. De heilige Gregorius van Nazianze zegt het zo: We zouden
ons moeten schamen als we de vredesgroet, die de Heer ons naliet toen Hij
afscheid van deze wereld nam, niet zouden gebruiken.6 Maar hoe onze gebruikelijke manier van groeten ook
is, het kan altijd een gelegenheid zijn om onze verwantschap met anderen te
benadrukken, om voor hen te bidden en om vreugde en blijdschap te brengen,
zoals onze Heer deed bij zijn leerlingen.
«Zie, zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte,
sprong het kind van vreugde op in mijn schoot (Lc 1,44)... Elisabeths
vreugde herinnert ons eraan, welk een schat een groet is als hij komt uit een
van God vervuld hart. Hoe vaak kan de schaduw van de eenzaamheid die een ziel
overspoelt, niet verdreven worden door het licht en de warmte van een glimlach
of door een vriendelijk woord.»7
31.2 Uit de mond van onze Heer krijgt die gewone
Joodse groet haar diepste betekenis, omdat juist vrede de Messiaanse gave bij
uitstek is.8 Als
de Heer van iemand afscheid nam die iets goeds had verricht, zei Hij meestal: Ga
in vrede.9 Hij
vertrouwt de boodschap van vrede toe aan zijn leerlingen. Laat in welk huis
gij ook binnengaat uw eerste woord zijn: Vrede aan dit huis!10 Anderen vrede
toe te wensen en ze in onze eigen omgeving te laten toenemen, is een groot
menselijk goed, en wanneer het ingegeven wordt door christelijke liefde, is het
ook een groot bovennatuurlijk goed. Een ziel met vrede is een duidelijk teken
dat God ons nabij is; bovendien is het één van de vruchten van de Heilige
Geest.11 De
apostel Paulus spoort de eerste christenen aan om in vrede en blijdschap te
leven: weest eensgezind, bewaart de vrede, en de God van liefde en vrede zal
met u zijn.12
Ware vrede is het gevolg van
heiligheid, het resultaat van de strijd om onze liefde niet te laten uitdoven
door onze ongeordende neigingen en door onze zonden. Als wij God liefhebben,
dan is onze ziel te vergelijken met een goede boom, te kennen aan zijn
vruchten. Onze daden onthullen de aanwezigheid van de Trooster en, in zoverre
zij geestelijke vreugde veroorzaken, worden ze vruchten van de Heilige Geest
genoemd.13 Eén van deze
vruchten is de vrede van God, die alle begrip te boven gaat14, de ware vrede die Christus zijn apostelen, en alle
christenen uit welke tijd dan ook, heeft toegewenst. «Wanneer God bij je komt,
zul je de waarheid bemerken van de groet: Vrede laat Ik u na, mijn vrede
geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u (Joh. 14,27). En
dit zelfs te midden van tegenspoed.»15
De heilige Augustinus beschrijft ware vrede als «rust in de
orde»16, orde
tussen God en onszelf, orde in ons, en orde in onze verhoudingen met anderen.
Als we leven naar deze drievoudige orde, dan leven we in vrede en zullen wij
deze vrede overbrengen aan anderen. Orde naar God toe betekent, dat wij
vastbesloten zijn om elke zonde uit ons leven te verbannen, en alles te richten
op Christus. Orde naar anderen toe betekent op de eerste plaats, dat we zeer
zorgvuldig de gerechtigheid moeten beleven (rechtvaardig zijn in onze woorden,
in onze oordelen en in onze daden), want vrede is het resultaat van de
gerechtigheid.17 En
dan is er, boven de gerechtigheid, ook de barmhartigheid. Bij vele gelegenheden
beweegt de barmhartigheid ons tot hulp, tot troost, tot het ondersteunen van
degenen die dat behoeven. «Waar gerechtigheid wordt bemind, waar de waardigheid
voor de menselijke persoon wordt geëerbiedigd, waar men niet let op eigen
grillen of belang, maar eerder God en de naaste wil dienen, daar zult u vrede
vinden.»18
Onze Heer heeft ons de taak toevertrouwd om vrede te brengen
aan de wereld, te beginnen met de vrede in onze eigen ziel, en vervolgens in
ons gezin en op de plaats waar wij werken. Wij moeten ons inspannen om een
einde te maken aan vijandschap en conflicten, om een sfeer te scheppen van
samenwerking en wederzijds begrip. Vrede in een gezin of in wat voor
gemeenschap dan ook, is niet eenvoudigweg de afwezigheid van bekvechten of
ruzie: dat zou ook een teken kunnen zijn van wederzijdse onverschilligheid.
Vrede bestaat in saamhorigheid die doet meewerken aan gemeenschappelijke
projecten en belangen; ware vrede betekent betrokkenheid met anderen,
belangstelling tonen voor hun plannen en projecten, voor hun vreugde en
verdriet. Onze Heer wil, dat in ons hart een edel verlangen naar vrede en
harmonie in onze wereld groeit. Een wereld die geen vrede meer kent, juist
omdat de mensen God soms niet in hun hart toelaten. God wil dat wij,
christenen, vrede en vreugde brengen waar wij ook gaan.
31.3 Christus
is onze vrede.19 Al twintig eeuwen zegt Hij
ons: Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Hij wil dat ieder van ons
dit aan de hele wereld verkondigt, door middel van onze levenswijze, aan het
misschien kleine wereldje waarin wij dagelijks leven.
Het leven van de eerste christenen hielp velen om de zin van
hun bestaan te ontdekken. Zij brachten hun gezinnen en de maatschappij waarin
ze leefden vrede. In vele inscripties uit die tijd vinden we begroetingen
waarmee men anderen vrede toewenste. Deze vrede -die van God komt- zal op aarde
worden gevonden zolang er mannen en vrouwen van goede wil zijn.20 Een belangrijk
deel van ons apostolaat zal erin bestaan om rust en vreugde te brengen aan de mensen rondom ons; hoe meer onrust en
droefenis we tegenkomen, des te noodzakelijker zal dat apostolaat zijn.
«Het is de plicht van iedere christen om in alle milieus van de wereld vrede en
geluk te brengen door een kruistocht van vastberadenheid en blijdschap die
zelfs verlepte en verdorven harten kan raken en tot Hem kan brengen.»21
Hoewel de christenen in dit leven, evenals anderen, te lijden
hebben van beproevingen en verdriet, zou ieder van hen in onze herinnering
moeten voortleven als een man of vrouw die een voorbeeld gaf van opgewekte
zelfopoffering, een rustige, beminnelijke persoon, omdat hij of zij leefde als
kind van God. Ons besluit na de meditatie van vandaag zou als volgt kunnen
zijn: «Laat niemand droefheid of verdriet van je gezicht kunnen aflezen als je
in de wereld om je heen de zoete geur van je offervaardigheid verspreidt:
kinderen van God moeten altijd zaaiers van vrede en blijdschap zijn.»22 Dit wordt alleen
mogelijk als we ons bewust worden van ons goddelijk kindschap.
Zich herinneren dat we kinderen van God zijn, zal ons die vaste
vrede geven, die niet verstoord wordt door de schommelingen van ons
gevoelsleven, noch door de dagelijkse gebeurtenissen: het geeft ons de rust en
stabiliteit die we zo nodig hebben. Om er zeker van te zijn dat we iedereen
open en vriendelijk tegemoet treden, moeten we elke vijandschap of antipathie
uit ons bannen, anders zou dit erop wijzen dat we niet erg bovennatuurlijk met
anderen omgaan. Tegen elke ruwheid of scherpe kanten in ons karakter, waar
anderen zich aan zouden kunnen storen en waaruit blijkt dat onze versterving
niet voldoende is, moeten we strijden. We moeten vechten tegen egoïsme, tegen
weekheid en gemakzucht. Dit zijn ernstige hinderpalen voor vriendschap en
apostolaat.
Het oprechte verlangen naar vrede dat de Heer in onze harten
heeft gelegd, moet ons aansporen om alles te vermijden wat tweedracht of
conflicten zou kunnen veroorzaken, bijvoorbeeld kritisch zijn ten opzichte van
anderen of een negatieve houding tegenover hen aannemen, achter mensen hun rug
om praten, of over hen klagen.
Laten wij onze toevlucht nemen tot Maria, onze Moeder, zodat
het ons nooit aan vreugde en rust zal ontbreken. «De heilige Maria is -zo roept
de Kerk haar aan- Koningin van de vrede. Daarom moet je niet ophouden haar
onder die titel aan te roepen als je ziel onrustig is, als je verontrust wordt
door familie- of beroepsomstandigheden, of door de toestand in de maatschappij
of onder de volkeren: Regina pacis, ora pro nobis!, Koningin van de vrede,
bid voor ons! Heb je dat wel eens geprobeerd, op zijn minst als je je
gemoedsrust kwijt bent geraakt? Je zult verrast zijn door het onmiddellijke
effect.» 23
-1. Joh 14,27. -2. Joh 16,33. -3. Joh
20,19. -21. -4. Vgl. 1 Pe 1,3; Rom 1,7. -5. Vgl. Mt
5,23. -6. H. Gregorius van Nazianze, Catena
aurea, VI. -7. Johannes Paulus ii,
Homilie, 11 november 1981. -8. Vgl. Jes 9,7; Mi
5,5. -9. Vgl. Lc 7,50; 8,48. -10. Lc 10,5. -11. Gal 5,22.
-12. 2 Kor 13,11. -13. Vgl. H.
Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I-II, q70, a1. -14. Fil
4,7. -15. H. Jozefmaria Escrivá, De
Weg, 258. -16. H. Augustinus,
De civitate Dei, 19,13,1. -17. Jes 32,17. -18. A. del Portillo, Homilie, 30
maart 1985. -19. Vgl. Ef 2,14. -20. Vgl. Lc 2,14. -21. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor,
92. -22. Ibidem, 59. -23. Ibidem 874.
|