Vijfde week. Zaterdag
42. Moeder van barmhartigheid
-Maria deelt in bijzondere mate in de
goddelijke barmhartigheid. -Heil van
de zieken, Toevlucht van de zondaars. -Troosteres van de bedroefden, Hulp van
de christenen.
42.1 Een grote menigte volgde Jezus. Ze hunkerden zozeer naar zijn leer,
dat ze steden en dorpen verlaten hebben zonder iets te eten te hebben. Jezus
riep toen zijn leerlingen bij zich en zei hun: Ik heb medelijden met deze mensen, omdat zij al drie dagen bij Mij
blijven, zodat ze nu zonder voedsel zijn. Wanneer Ik hen zonder eten naar huis
laat gaan, zullen zij onderweg bezwijken; sommigen van hen zijn van ver
gekomen.1 Andermaal brengen barmhartigheid en medelijden Jezus ertoe het
buitengewone wonder te verrichten van de vermenigvuldiging van de broden en de
vissen.
Wij moeten vaak onze toevlucht nemen tot de
goddelijke barmhartigheid, want in zijn medelijden met ons liggen ons heil en
onze zekerheid; wij moeten ook leren medelijden met anderen te hebben. Dat is
de weg om sneller Gods gunst te verkrijgen. Onze moeder Maria verkrijgt
onophoudelijk medelijden voor ons van haar Zoon en zij leert ons hoe wij ons
tegenover de noden van de mensen dienen te gedragen: God groet u, Koningin en Moeder van
Barmhartigheid..., zo zeggen wij vaak tot haar. Misschien
nemen wij, zoals vele christenen, een dag in de week, zoals vandaag, zaterdag,
op bijzondere wijze tot haar onze toevlucht, door dit aloude gebed te zingen of
te bidden. Maria is «degene die ten diepste het mysterie van Gods
barmhartigheid kent. Ze kent de prijs ervan, ze weet hoe hoog die is. In deze
zin noemen we haar Moeder van
barmhartigheid: Maagd van barmhartigheid of Moeder
van de goddelijke barmhartigheid; in elk van deze titels ligt een diepgaande
theologische betekenis verborgen, want zij geven uitdrukking aan de bijzondere
voorbereiding van haar ziel, van haar hele persoonlijkheid, omdat zij in staat
was, vooreerst in de complexe lotgevallen van Israël en vervolgens in die van
elk individu en de hele mensheid, die barmhartigheid te zien, waaraan wij van geslacht tot geslacht (Lc 1,50) deel krijgen volgens het eeuwige plan van de allerheiligste
Drieëenheid.»2
De Heilige Augustinus leert, dat barmhartigheid
in het hart ontstaat. Zij ontfermt zich over de lichamelijke en geestelijke
ellende van anderen, zodanig, dat zij eronder lijdt en bedroefd wordt, alsof
het haar eigen lijden was, en -zo mogelijk- de geëigende middelen tracht aan te
wenden om die te genezen.3 Barmhartigheid stort zich over anderen uit, neemt de gebreken en
ellende van anderen op als de hare en tracht hen daarvan te bevrijden. Daarom zegt de Heilige Schrift, dat God rijk is aan erbarming4, en dat «het Hem tot meerdere eer strekt goed uit het kwaad te
voorschijn te halen dan iets nieuws te vormen uit het niets; dat de bekering
van een zondaar door hem het leven van genade te schenken een grotere
gebeurtenis is dan het hele universum, hemel en aarde, uit het niets te
scheppen.»5
In Jezus, de mens geworden God, vinden we ten
volle de uitdrukking van Gods barmhartigheid, die op zoveel manieren werd
geopenbaard in de loop van de heilsgeschiedenis. Hij gaf zich op het kruis in
een hoogste daad van barmhartige liefde. En thans oefent Hij die uit vanuit de
hemel en in het tabernakel, waar Hij ons verwacht om Hem onze eigen noden en
die van anderen voor te leggen. Want wij hebben een hogepriester die in staat is
mee te voelen met onze zwakheden [...] Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de
troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te verkrijgen en tijdige
hulp.6 Wat zullen in onze ziel vruchten van
heiligheid gevormd worden als we deze goddelijke uitnodiging dikwijls
overwegen!
Maria heeft in bijzondere mate deel aan deze
goddelijke volmaaktheid en in haar verenigt zich de barmhartigheid met de
godsvrucht van een moeder. Ze leidt ons altijd naar de troon van de genade. De titel Moeder van barmhartigheid, die zij verkreeg
door haar fiat in Nazareth en op Calvarië, is een van de grootste en mooiste namen
van Maria. Zij is onze troost en bescherming: «Met moederlijke liefde draagt
zij zorg voor de broeders van haar Zoon die nog op pelgrimstocht zijn en in
gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegend vaderland bereiken. Daarom wordt de heilige Maagd door de Kerk aangeroepen onder de titels van
voorspreekster, helpster, weldoenster en middelares.»7 Geen dag laat zij na ons te helpen, ons te beschermen, en voor onze
noden ten beste te spreken.
42.2 De titel van Moeder van
Barmhartigheid vindt haar traditionele
uitdrukkingsvormen in de namen: Heil
van de zieken, Toevlucht van de zondaars, Troosteres van de bedroefden, Hulp
van de christenen. «Deze gradatie van de litanie is
bijzonder mooi. Ze laat zien hoe Maria haar barmhartigheid bewijst aan hen die
lichamelijk lijden moeten verdragen, om hun ziel te genezen en hoe zij hen troost
in hun droefheid en hen sterkt in alle moeilijkheden die zij moeten doorstaan.»8
De heilige Maria wacht op ons als Heil van de zieken,
want zij verkrijgt de genezing van het lichaam, vooral als die gericht is op de
genezing van de ziel. Andere keren verleent zij ons iets dat voornamer is dan
lichamelijke gezondheid: de genade om in te zien dat lijden, de lichamelijke
kwaal, een werktuig van God is. Hij verwacht van ons, dat we het in liefde
aanvaarden en aldus veranderen in een groot goed, dat ons zuivert en ons in
staat stelt talloze gaven te verkrijgen voor de hele Kerk. Door de ziekte, met
geduld en een bovennatuurlijke visie gedragen, verkrijgen wij een groot deel
van de schat die in de hemel op ons wacht, en tevens overvloedige apostolische
vruchten: besluiten om zich toe te wijden aan God en aan het heil van zielen
die zonder deze genaden de poort van de hemel niet zouden hebben gevonden.
Maria geneest ons ook van de wonden die in de ziel zijn achtergebleven door de
doodzonde en die verergerd zijn door de dagelijkse zonden: ongeordende
lustgevoelens, zwakheid om het goede te doen. Zij sterkt degenen die weifelen,
doet de gevallenen opstaan, helpt de schemering van onwetendheid en de
duisternis van dwalingen te verdrijven.
De barmhartige Maagd toont zich aan ons als toevlucht van de zondaars. In haar vinden we een veilige beschutting. Na haar Zoon verafschuwt
niemand de zonde zozeer als Maria. Maar ze zal zondaars geenszins afwijzen;
integendeel, ze neemt hen op en brengt hen tot berouw. In hoeveel biechten is
zij niet tussenbeide gekomen met bijzondere hulp! Zelfs aan hen die het verst
verwijderd zijn, zendt zij licht en berouw en als ze zich niet zouden
verzetten, werden ze van genade naar genade geleid en ten slotte tot bekering
gebracht. «Wie zou, o gezegende Maagd, de lengte en breedte, de verhevenheid en
de diepte van uw erbarming kunnen onderzoeken? Want de lengte ervan strekt zich
uit tot het laatste uur van hen die haar aanroepen. De breedte ervan vervult de
wereldbol, opdat heel de aarde vervuld wordt van haar erbarming.»9 We richten ons
vandaag tot haar en bidden haar, dat zij zich over ons leven mag ontfermen. We
zeggen haar, dat we zondaars zijn, maar dat we haar Zoon Jezus meer en meer
willen beminnen. We vragen haar medelijden te hebben met onze zwakheid en ons
te helpen deze te overwinnen. Zij is toevlucht
voor de zondaars en daarom onze beschermster, de
veilige haven waar we het anker kunnen uitwerpen na de golven en stormwinden te
hebben getrotseerd. Daar kunnen we de mogelijke schade herstellen die
veroorzaakt werd door bekoringen en onze zwakheid. Haar barmhartigheid is onze
bescherming en onze vrede: Heilige
Maria, Moeder van God, bid voor ons zondaars...
42.3 Gedurende heel haar leven was de Maagd,
onze Moeder, een troost voor iedereen die bedrukt werd door een last die te
zwaar was om alleen te dragen: zij bemoedigde de heilige Jozef in die nacht te
Bethlehem, toen hij deur aan deur had uitgelegd hoe dringend hij een onderkomen
moest vinden, maar nergens de deur voor hem was geopend. Een glimlach van Maria
was voor hem genoeg om weer kracht te vinden en in gereedheid te brengen wat
hij wel gevonden had: een stal aan de rand van de plaats. Ze hielp hem verder
op hun vlucht naar Egypte, en bij hun vestiging in dat land... En voor Jozef, die
toch een sterke man was, werd de vervulling van Gods wil vergemakkelijkt door
de troost van Maria. Ook de inwoners van Nazareth vonden altijd steun en begrip
in slechts een paar woorden van Maria... De apostelen vonden een toevluchtsoord
bij Maria, toen het hun allemaal donker en zinloos werd na de dood van Christus
aan het kruis. Toen ze terugkeerden van de begrafenis van Jezus' lichaam en de
mensen van Jeruzalem zich voorbereidden om het paasfeest te gaan vieren, liepen
de apostelen, die er niet bij aanwezig waren geweest, als verloren rond, en
bijna onbewust troffen ze elkaar in het huis van Maria.
Vanaf dat moment heeft zij nooit opgehouden
troost te schenken aan iedereen die zich terneergedrukt voelt door de last van
droefenis, eenzaamheid, van een ernstig lijden. «Zij heeft talloze christenen
behoed in vervolging, vele bezetenen en zielen die in bekoring waren geraakt
bevrijd, vele schipbreukelingen van hun angst verlost; ze heeft velen in
stervensnood bijgestaan en gesterkt door hun de oneindige verdiensten van haar
Zoon in herinnering te brengen.»10 Als het ons ooit
allemaal te veel wordt in het leven, door ziekte, in onze apostolische taak, in
onze inspanningen om ons gezin te onderhouden, door de hindernissen die
opgeworpen worden en zich steeds verder opstapelen, laten we ons dan tot Maria
wenden; bij haar zullen we altijd troost vinden, bemoediging en kracht om de
beminnelijke wil van haar Zoon te volbrengen. We zullen langzaam herhalen: Wees gegroet,
Koningin, Moeder van barmhartigheid, ons leven, onze zoetheid en onze hoop... Van haar zullen we leren te troosten en te bemoedigen, onze
barmhartigheid te beoefenen jegens hen die onze grote of kleine hulp nodig
hebben -een woord van bemoediging, van medeleven- die de Heer zo welgevallig
is.
Maria is de hulp van de christenen omdat men
vooral degenen begunstigt die men bemint, en niemand heeft ons meer liefgehad,
die tot de familie van haar Zoon behoren. In haar zullen we alle genade vinden
om te overwinnen bij bekoringen, in ons apostolaat en in ons werk... In de
rozenkrans hebben we een «machtig wapen»11 tegen alle hindernissen die we
tegenkomen. Vele christenen in de wereld hebben, volgens het ononderbroken
onderricht van de pausen, het dagelijks bidden van de rozenkrans tot een
onderdeel van hun godvruchtig leven gemaakt: in familiekring, in de kerk, op
straat of in trein, tram, bus enz.
«Ik ben de moeder van de edele liefde, van de vrees,
van de kennis en van de heilige hoop (Sir 24,18).
Hoe wijs van de Kerk om Maria deze woorden in de mond te leggen, opdat de
gelovigen ze niet zullen vergeten! Zij is veiligheid, liefde die nooit opgeeft,
een toevluchtsoord dat steeds open staat, een hand die voortdurend liefkoost en
troost.»12
-1. Mc 8,1-10. -2. Johannes Paulus, Enc. Dives in misericordia, 8. -3. H. Augustinus, De stad Gods, 9. -4. Ef 2,4. -5. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, I-II, q113. -6. Heb 4,15-16. -7. Vaticanum ii, Dogm.
const. Lumen gentium, 62. -8. R.
Garrigou-Lagrange o.p., De
Moeder van de Verlosser. -9. H. Bernardus, Homilie in de Tenhemelopneming, 4. -10. R. Garrigou-Lagrange o.p., o.c. -11.
H. Jozefmaria Escrivá, De heilige Rozenkrans, Voorwoord.
-12. Idem,
Vrienden van God, 279.
|