Elfde week door het jaar. Donderdag
34. Mondgebed
-Waarom zulk gebed noodzakelijk is. -Mondgebeden. -Strijden
tegen sleur en afleiding.
34.1 In het evangelie van de mis
van vandaag zegt de Heer ons: Als gij bidt, gebruikt dan
geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want dezen menen dat zij door hun
veelheid van woorden verhoring zullen vinden.1
Hij wil zijn leerlingen genezen van de verkeerde opvatting van veel Joden in
die tijd, namelijk dat ze om verhoring van God te verkrijgen lange mondgebeden
moesten opzeggen. Hij leert hen zich op een eenvoudige manier tot God te
richten, zoals een zoon tot zijn vader spreekt. Het mondgebed is God zeer
welgevallig, maar het moet wel een echt gebed zijn: de woorden moeten de
gevoelens van het hart uitdrukken. Het is niet genoeg louter en alleen formules
op te zeggen, want God wordt niet behaagd door een eredienst die alleen maar
uiterlijk is. Hij wil dat we in innerlijk contact met Hem treden.2
Het mondgebed is een onmisbaar, eenvoudig en werkzaam middel,
aangepast aan onze manier van zijn, dat ons in staat stelt de tegenwoordigheid
van God gedurende de dag te bewaren, en Hem onze liefde en onze noden te uiten.
Zoals we in het evangelie van de heilige mis lezen, heeft de Heer ons het
mondgebed bij uitstek nagelaten, het Onze Vader, dat in een paar woorden alles
samenvat wat een mens aan God kan vragen.3 Door
de eeuwen heen is dit gebed opgestegen naar God, en heeft het ontelbare zielen
in alle mogelijke situaties met hoop en troost vervuld.
Het verwaarlozen van het mondgebed zou een grote verarming
van het geestelijk leven betekenen. Als deze gebeden -die vaak heel kort zijn,
maar vol liefde- daarentegen gewaardeerd en vaak gebruikt worden, dan zal de
weg van de beschouwing, midden op het werk of op straat vergemakkelijkt worden.
«We beginnen met mondgebeden die velen van ons van kindsbeen af gebeden hebben.
Het zijn vurige en eenvoudige zinnen, gericht tot God en zijn Moeder, die ook
onze moeder is. Nog steeds herhaal ik, niet de ene dag wel en de andere niet,
maar elke dag, 's ochtends en 's avonds het gebed dat mijn ouders mij leerden:
'O lieve Vrouw, O Moeder mijn, laat mij geheel de uwe zijn; vandaag wijd ik als
liefdeblijk u ogen, oren, tong en hart gelijk...' Is dat niet, op de een of
andere manier, het begin van contemplatie, een onomstotelijk bewijs van
vertrouwvolle zelfgave!(...)
»Eerst een schietgebed, dan nog een, en nog een... totdat
deze godsvrucht onvoldoende lijkt, omdat woorden uiteindelijk maar pover
zijn...: men laat de goddelijke intimiteit haar gang gaan, in een beschouwen
van God zonder rust of vermoeidheid.»4 En de
heilige Theresia kende, zoals alle heiligen, zeer wel deze voor iedereen
toegankelijke weg om de Heer te bereiken; «Ik weet», zegt ze, «dat velen die
mondgebeden opzeggen door God tot verheven contemplatie gebracht worden zonder
dat ze weten hoe.»5
Laten we vandaag nagaan hoeveel belang we aan onze mondgebeden
hechten, hoe veel we er tijdens de dag opzeggen, met de noodzakeijke pauzes,
zodat wat we tegen de Heer zeggen niet «zomaar het opzeggen van enige woorden
na elkaar»6 is. Laten we mediteren over de
noodzaak van die bescheiden inspanning, die we moeten leveren ter vermijding
van de sleur, die immers al spoedig de dood van de ware devotie en de ware
liefde zou betekenen. Laten we proberen van elk schietgebed, van elk mondgebed,
een daad van liefde te maken.
34.2 Het geheim van het
vruchtbare leven van goede christenen ligt in hun gebed, in goed en vaak
bidden. Aan ons gebed, of het nu mondgebed of inwendig is, ontlenen we de
kracht voor zelfverloochening en opoffering, voor het overwinnen van
vermoeidheid in ons werk (door die vermoeidheid op te dragen aan God), en voor
het trouw zijn in de kleine, 'heldhaftige' dingen van elke dag. Er is gezegd,
dat gebed het voedsel en de ademhaling is van de ziel, omdat het ons in nauw
contact brengt met God, en ons leidt tot grotere kennis van en liefde voor Hem.
Oprechte vroomheid is de houding die ons christenen in staat stelt om het
dagelijks werk vanuit een bovennatuurlijke visie te beoordelen. Zo vinden we in
onze bezigheden de gelegenheid om de deugden te beoefenen, en bieden we de Heer
ons goed beëindigde werk en kleine verstervingen aan. Zonder het amper te
merken, zijn wij verenigd met God en wij ontdekken dat we ook bidden door
foutloos werk te leveren, ook als we op die momenten niet expliciet gebeden aan
het opzeggen zijn. Een blik op een kruisbeeld of op een afbeelding van Maria,
een schietgebedje, een kort mondgebed, dit alles helpt ons om deze houding van
de ziel te bewaren, zo is het voor ons mogelijk zonder
ophouden te bidden7,
of steeds te bidden zoals de Heer dat vraagt.8 Er zijn veel ogenblikken waarin we intensief op ons
werk geconcentreerd moeten zijn, en op zulke momenten is de geest niet in staat
rechtstreeks aan God te denken, en onze aandacht gelijktijdig te richten op wat
we aan het doen zijn. Maar toch, als we deze zielshouding als gewoonte bewaren,
die vereniging met God, of als we op zijn minst de intentie vasthouden alles
voor de Heer te doen, dan zijn wij in feite ononderbroken aan het bidden.
Net zoals het lichaam voedsel nodig heeft, en de longen smeken
om frisse lucht, zo eist de ziel dat ze zich tot de Heer kan wenden. «Het hart
zal zich gewoonlijk in woorden uitdrukken; de mondgebeden die God zelf ons
heeft geleerd -het Onze Vader- of die zijn engelen ons hebben doorgegeven -het
Weesgegroet. Andere keren zullen wij door de tijd beproefde woorden gebruiken,
die de vroomheid van miljoenen van onze broeders in het geloof hebben
uitgedrukt: gebeden uit de liturgie -lex orandi- of andere die hun bron vinden
in de liefde van een brandend hart, zoals de antifonen tot Maria: Sub tuum praesidium..., Memorare...,
Salve Regina...»9 Veel
geliefde gebeden tot de heilige Maagd, vele diepgaande en mooie hymnen zoals
het Adoro te devote van de heilige Thomas van Aquino
(vaak op donderdag gebeden ter ere van de Heer in het heilig sacrament), werden
gecomponeerd door bekende en soms ook onbekende mannen en vrouwen. Deze
traditionele gebeden zijn al de jaren door liefdevol bewaard gebleven in de
boezem van de Kerk als kostbare juwelen, zodat wij ze kunnen benutten.
Misschien hebben ze voor velen de zoetheid van de herinnering aan die eerste
levenslessen die ze op de knie van hun moeder leerden. Ze zijn een zeer
belangrijk deel van de geestelijke uitrusting die we nodig hebben om alle
soorten problemen aan te kunnen.
Het mondgebed is een overvloeien van liefde, en het is daarom
logisch dat we er vaak onze toevlucht toe nemen, vanaf het begin van de dag
totdat we onze laatste gedachte aan God wijden voor we gaan rusten. En dit
mondgebed zal over onze lippen komen, misschien in stilte, op de meest
onverwachte momenten. «Maak er een gewoonte van om 's morgens, als je je
aankleedt, mondgebedjes te bidden, zoals kleine kinderen dat doen. Dan zul je
daarna, door de dag heen, meer Gods tegenwoordigheid voelen.»10
34.3 De Schrift vertelt ons dat
de patriarch Henoch zijn schreden naar God richtte11, dat hij aan Hem dacht bij vreugde en lijden en bij
alles wat hij deed. «Waren wij ook maar zo! Konden we maar achter de hielen van
God aan door de wereld gaan, zo dicht bij Hem, zo levend zijn aanwezigheid
voelend, dat we alles met Hem konden delen en Hem elk moment van zonneschijn,
elke schaduw van onzekerheid in ons leven toeschrijven; alles aanvaarden wat
Hij ons toezendt in bewuste dankbaarheid, gehoorzamen aan het geringste
gefluister van zijn roepstem.»12 Maar helaas is
ons werkelijke referentiepunt vaak niet God, maar ons 'ik'. Daarom is het nodig
dat we ons voortdurend inspannen om met de Heer verenigd te zijn, attent te
zijn om zijn geringste suggestie te kunnen horen, door egocentrie in onze
gedachten te vermijden, of deze op zijn minst gericht te blijven houden op God
door onze bezigheden voor Hem te doen en ze Hem als offer aan te bieden.
Mondgebeden zijn een onvergelijkbaar middel om de tegenwoordigheid
van God te beleven in de loop van onze dagelijkse verplichtingen. Maar het is
wel nodig dat wij goed letten op wát we zeggen in onze gebed. Derhalve zullen
we soms moeten strijden in heel kleine, maar noodzakelijke details: de woorden
duidelijk en niet te snel uitspreken, en sleur voorkomen. Er moet ook tijd voor
overweging zijn, zodat wat we met de lippen zeggen ook een inwendig gebed
wordt, ondanks de verstrooiingen die niet helemaal weg zullen blijven.
Zonder een bijzondere genade van God is het onmogelijk een
voortdurende en volmaakte aandacht te bewaren voor de zin en de betekenis van
de woorden. Soms zullen we onze aandacht richten op de manier waarop de woorden
uitgesproken worden; andere keren zullen we meer letten op de persoon tot wie
we ons richten. Maar er zullen gelegenheden zijn ?omstandigheden van persoonlijke
aard of van de omgeving? waarin niet gemakkelijk is met aandacht te bidden. Dan
is het op zijn minst nodig, dat onze uiterlijke houding de verstrooidheid vermijdt.
Sommige handenarbeid, bijvoorbeeld, verhindert niet dat de geest zich op iets
anders richt; dat geldt bijvoorbeeld ook voor de huismoeder die de rozenkrans
bidt, terwijl ze intussen haar huis schoonmaakt of op de kleintjes let.
Ofschoon zij zo nu en dan afgeleid zal worden, bewaart ze de innerlijke aandacht,
hetgeen niet zou kunnen als ze bijvoorbeeld een tijdschrift zou lezen of
televisie zou kijken. In elk geval zouden wij ons leefplan zó moeten inrichten
dat we, als het maar even mogelijk is, de benodigde tijd wijden aan bepaalde
mondgebeden zoals het 'engel des Heren' of de rozenkrans, zodat we ons
voldoende kunnen concentreren. Aan de andere kant zijn de onvrijwillige
afleidingen, die voor een ogenblik onze aandacht afwenden, onvolkomenheden die
de Heer ons vergeeft, als Hij ziet dat wij ons daadwerkelijk inspannen om te
bidden.
Behalve mondgebeden heeft de ziel het dagelijkse voedsel van
inwendige gebed nodig. «Dankzij deze ogenblikken van meditatie en onze
mondgebeden en schietgebedjes, zullen we erin slagen onze hele dag, ongedwongen
en onopvallend, tot een voortdurende lofprijzing van God te maken. Juist zoals
verliefde mensen in hun gedachten altijd bij elkaar zijn, zullen wij ons van
Gods aanwezigheid bewust zijn. En al onze handelingen, zelfs de meest onbeduidende,
zullen vervuld worden van geestelijke werkzaamheid.»13
De Heer zal ze met voldoening bezien en ze zegenen.
-1. Mt 6,7-15. -2. Vgl. H. Cyprianus, De dominica
oratione. -3. Vgl. H. Augustinus, Preek 56. -4. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 296. -5. H. Theresia van
Ávila, De weg der volmaaktheid, 30,7.
-6. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het zieleleven van den christen, I. -7. 1 Tess 5,17. -8. Lc 18,1.
-9. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
119. -10. Idem, De Voor,
473. -11. Gn 5,24. -12. R.A. Knox, A Retreat for Lay People. -13. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 119.
|