30 november. Eerste dag van de Noveen
van de Onbevlekte Ontvangenis
42. MORGENSTER
Op ingeving van de Heilige Geest is het christenvolk tot
God kunnen komen via zijn Moeder. Door het voortdurend ervaren van haar genade
en gunsten heeft het haar 'smekende almacht' genoemd en heeft het in haar de
verkorte weg -het pad dat de weg afkort- gevonden om tot God te komen. De
liefde heeft talloze manieren uitgevonden om haar te bejegenen en te eren.
Vandaag beginnen wij deze noveen, waarin wij dagelijks iets persoonlijks aan
Onze Lieve Vrouw trachten aan te bieden, ter voorbereiding op het hoogfeest van
haar Onbevlekte Ontvangenis.
-Maria, aangekondigd en voorafgebeeld in het Oude Testament.
-Licht dat verlicht en richting geeft. -Sterre der Zee.
42.1 Er verscheen een heldere
ster te midden van de duisternis en verkondigde aan de wereld die in het donker
was gehuld, dat de komst van het Licht nabij was. De geboorte van Maria was het
eerste teken, dat de verlossing aanstaande was. «De komst van Onze Lieve Vrouw
in de wereld is als de komst van de dageraad die voorafgaat aan het Licht van
het heil, Christus Jezus; als het opengaan op de aarde, die geheel overdekt was
met het slijk van de zonde, van de schoonste bloem die ooit in de tuin van de
mensheid ontsproten was: de geboorte van het zuiverste, onschuldigste,
volmaakste schepsel, dat de definitie die God zelf bij de schepping aan de mens
gegeven had waardig is: beeld van God, gelijkenis van God. Maria geeft ons het
beeld van de volmaakte mensheid terug.»1 Nooit
hadden de engelen een schoner schepsel aanschouwd, nooit zal de mensheid iets
dergelijks bezitten.
De heilige Maagd Maria was in de loop van het Oude Testament
aangekondigd. Reeds in het begin van de openbaring wordt over haar gesproken.
Bij de aankondiging van de verlossing, na de val van onze eerste ouders2, spreekt God tot de slang en zegt tegen hem: Vijandschap sticht Ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en
het hare. Het zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel. De vrouw is in de
eerste plaats Eva, die tot bekoring en ten val was gebracht; en op een
diepergaand niveau is de vrouw Maria, de nieuwe Eva, uit wie Christus geboren
zal worden, de absolute overwinnaar van de duivel, gesymboliseerd in de slang.
Tegenover haar macht kan de duivel niets krachtigs uitrichten. In haar zal de
grootste vijandschap ontstaan die men zich op aarde kan voorstellen tussen genade
en zonde. De profeet Jesaja kondigt Maria aan als de maagdelijke moeder van de
Messias.3 Matteüs zal uitdrukkelijk de vervulling
van deze voorspelling optekenen.4
De Kerk schrijft aan Maria ook de lofprijzing toe die het
volk van Israël tot Judith, zijn verlosseres, richtte: U
bent de glorie van Jeruzalem, de trots van Israël, de roem van ons volk. U hebt
dat alles zelf gedaan, u hebt Israëls heil bewerkt en God heeft daarin zijn
welbehagen gevonden. Wees gezegend door de almachtige Heer in eeuwigheid.5 Heeft Maria niet meegewerkt aan onze bevrijding van
een nog grotere vijand dan Holofernes, die door Judith onthoofd werd? Heeft zij
niet meegewerkt aan onze bevrijding uit de definitieve gevangenschap? 6
De Kerk betrekt op Maria eveneens andere teksten die vooral
handelen over de goddelijke wijsheid; zij opperen echter dat in het vanaf de
eeuwigheid ontworpen goddelijke heilsplan het beeld van Onze Lieve Vrouw is
vervat. Toen er nog geen oceaan was, was ik al ontvangen,
toen er nog geen bronnen waren, rijk aan water.7
En alsof de Schrift vooruitliep op het oproepen van de allerzuiverste liefde
die in haar allerzoetste hart zou heersen, lezen we: Ik ben
de moeder van de edele liefde, van de vrees, van de kennis en van de heilige
hoop. Komt tot mij, gij die naar mij verlangt, en verzadigt u met mijn
vruchten, want het denken aan mij is zoeter dan honing [...]. Hij die mij
gehoorzaamt, wordt niet beschaamd en zij die in mijn geest werken, mislukken
niet.8 En bij het ontwaren van haar
onbevlekte ontvangenis kondigt het Hooglied aan: Je bent
volmaakt schoon, mijn vriendin, zonder enig gebrek.9 En het boek Ecclesiasticus kondigt op profetische
wijze aan: In mij is alle genade van leven en waarheid, in
mij alle hoop op leven en deugd.10 «Hoe
wijs van de Kerk om Maria deze woorden in de mond te leggen, opdat de gelovigen
ze niet zullen vergeten! Zij is veiligheid, liefde die nooit opgeeft, een
toevluchtsoord dat steeds openstaat, een hand die voortdurend liefkoost en
troost.»11 Laten wij haar hulp en haar troost
zoeken in deze dagen, waarin wij ons voorbereiden op de viering van het
hoogfeest van haar Onbevlekte Ontvangenis.
42.2 Zoals Maria in het
ochtendgloren van de verlossing en aan het allereerste begin van de openbaring
staat, zo staat zij ook aan de oorsprong van onze bekering tot Christus, aan de
persoonlijke heiligheid en de eigen verlossing. Door haar kwam Christus tot
ons, door haar is alle genade die wij nodig hebben tot ons gekomen en wordt
deze nog steeds over ons uitgestort. De allerheiligste Maagd heeft voor ons de
weg vergemakkelijkt om zo vaak opnieuw te beginnen en zij heeft ons bevrijd van
ontelbare gevaren, die wij alleen nooit zouden hebben kunnen overwinnen. Zij
biedt ons alle dingen die zij in haar hart bewaarde12,
die rechtstreeks op Jezus slaan, en «zij neemt ons bij de hand en voert ons tot
Hem.»13 In Maria heeft de mensheid het eerste
teken van hoop gevonden, en in haar blijft iedere man en iedere vrouw dit
vinden, want zij is licht dat verlicht en richting geeft. «Zij bezit geen eigen
glans, geen glans die van haar uitgaat, maar een glans die haar en onze Heiland
weerspiegelt, en die Hem verheerlijkt. Wanneer zij in de duisternis opdoemt,
dan weten wij dat Hij nabij is, binnen ons handbereik.»14
Volgens het verhaal namen zeevaarders altijd hun toevlucht
tot de meest heldere ster aan het firmament, wanneer zij midden op de oceaan de
richting kwijt waren of wanneer ze de koers wilden bepalen of corrigeren. Tot
Maria nemen wij onze toevlucht, wanneer we ons verloren voelen, wanneer we de
richting van ons leven willen rechtzetten om het rechtstreeks op de Heer te
richten: zij is «de ster op de zee van ons leven.»15
De liturgie noemt haar «veilige hoop op redding», die schittert «te midden van
de moeilijkheden van het leven»16, van die
stormen die opkomen zonder dat we weten hoe, of waarin wij, mensen,
terechtkomen, omdat we niet dicht bij God staan. De heilige Bernardus geeft ons
de d: «Sla je ogen niet af van de schittering van die Ster, als je niet in de
gevaren wilt omkomen.»17
Van Maria gaat een bijzonder licht uit, dat de weg die wij in
de onderscheiden taken en dingen van het leven moeten volgen verlicht. Op
bijzondere wijze verheldert zij de schitterende weg van de roeping waartoe
ieder geroepen is. Wanneer men met oprechte bedoelingen tot haar gaat, slaagt
men altijd in de vervulling van Gods wil. Deze bijzondere helderheid die wij in
Maria ontmoeten, komt voort uit de volheid van genade die haar ziel vervuld
heeft vanaf het eerste ogenblik van haar Onbevlekte Ontvangenis en haar taak
als medeverlosseres. De heilige Thomas merkt op, dat deze genade zich over alle
mensen uitstort. «Het is al veel voor een heilige -zo schrijft hij- als hij
zoveel genade bezit om velen te redden, en het grootst zou het zijn, als hij
voldoende genade had om alle mensen van de wereld te redden; dit laatste
geschiedt in Christus, en in de allerheiligste Maagd»18,
door de innige vereniging als medeverlosseres met haar Zoon. De theologen onderscheiden
de absolute volheid van genade, welke eigen is aan Christus; de volheid van
voldoende hoeveelheid, welke alle engelen bezitten; en de volheid van
overvloed, die het voorrecht is van Maria en die rijkelijk over haar kinderen
wordt uitgestort. «Zozeer is zij vervuld van genade, dat zij in haar volheid de
engelen overtreft; daarom noemt men haar terecht Maria, dat wil zeggen: verlichte,
en dat bovendien verlichtster van anderen betekent, met betrekking tot de
gehele wereld»19, aldus de heilige Thomas van
Aquino.
Vandaag, op deze eerste dag van de Noveen van de Onbevlekte
Maagd, nemen wij ons voor, haar hulp in te roepen wanneer onze ziel in
duisternis verkeert, wanneer we onze levenskoers moeten bijstellen of een
belangrijke beslissing dienen te nemen. En omdat wij altijd weer opnieuw
beginnen, gaan wij tot haar, opdat zij ons het pad wijst dat we moeten volgen,
dat ons bevestigt in onze eigen roeping, en we bidden haar om hulp om dit pad
met menselijke zwierigheid en bovennatuurlijke zin af te leggen.
42.3 De Maagd was gezegend onder
de vrouwen, want zij was niet bedekt met de zonde en de sporen die het kwaad in
de ziel achterlaat: «alleen zij bezwoer de vervloeking, bracht het heil en
opende de deur van het paradijs. Vandaar haar naam: Maria, die Sterre der Zee
betekent; zoals de ster op zee de zeelieden naar de haven leidt, zo leidt Maria
de christenen naar de heerlijkheid.»20 Zo wordt
zij ook door de liturgie van de Kerk geëerd: Ave, maris
stella! Wees gegroet, sterre der zee!, Verheven Moeder van God...21
Op deze eerste dag van de Noveen waarmee wij onze hemelse
Moeder willen eren, maken wij het vaste voornemen -haar zo welgevallig!- om
haar voorspraak in te roepen in elke nood waarin we komen te verkeren,
overeenkomstig de raad van een der kerkvaders: «Als de winden van de bekoring
opsteken, als je struikelt over de klippen van de bekoring, kijk dan naar de
ster, roep Maria aan. Als de golven van hoogmoed, eerzucht of afgunst je
beroeren, kijk dan naar de ster, roep Maria aan. Als haat, hebzucht of
onzuiverheid heftig op het schip van je ziel beuken, kijk dan naar Maria.
Wanneer je, verstoord door de herinnering aan je zonden, in verwarring ten
aanzien van de trouw aan je geweten, vol vrees tegenover de gedachte aan het
oordeel, begint weg te zinken in de bodemloze put van de droefheid of in de
afgrond van de wanhoop, denk dan aan Maria. In gevaren, in angsten, bij
twijfels, denk aan Maria, roep Maria aan. Laat Maria nooit uit je mond
verdwijnen, laat haar nooit uit je hart weggaan; en verwijder je niet van de
voorbeelden van haar deugdzaamheid, als je haar hulp als voorspreekster wilt
verkrijgen. Je zult niet verdwalen, wanneer je haar volgt, je zult niet
wanhopen als je tot haar bidt, je zult niet verloren gaan als je aan haar
denkt. Als zij je aan haar hand houdt, zul je niet vallen; als zij je beschermt
heb je niets te vrezen; je zult niet moe worden, als zij je leidsvrouwe is; je
zult gelukkig de haven bereiken, als zij je behoedt.»22
Onder haar bescherming stellen wij alle dagen van ons leven. Zij zal ons leiden
over een veilige weg. Cor Mariae dulcissimum, iter para
tutum!
-1. Paulus vi, Homilie 8-IX-1964. -2. Gn 3,15.
-3. Jes 7,14. -4. Mt
1,22-23. -5. Jdt 15,9-10. -6. Vgl. C. Pozo, María en la Escritura y
la fe de la Iglesia, bl. 32 vv. -7. Spr 8,24.
-8. Sir 24,24-30. -9. Hoogl
4,7. -10. Sir 24,25. -11. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 279.
-12. Lc 2,51. -13. Vgl. Johannes
Paulus ii, Homilie 20‑X-1979.
-14. Kard. J.H. Newman, Rosa
mystica, Palabra, Madrid 1982, bl. 137. -15. Johannes
Paulus ii, Homilie 4-VI-1979. -16.
Vgl. Getijdengebed. Lauden van 15 augustus. -17. H. Bernardus, Homilieën over de
Maagd Maria, 2. -18. H. Thomas van Aquino,
Commentaar op het Ave Maria. -19. Ibidem. -20. Ibidem. -21. Hymne
Ave, maris stella. -22. H. Bernardus, o. c.