4 december
Vijfde dag van de Noveen
van de Onbevlekte Ontvangenis
47. MYSTIEKE ROOS
-Altijd met Jezus. Gebedsleven. -Leren bidden. -Mondgebeden.
De heilige rozenkrans.
47.1 Maria
bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf.1 Zijn moeder bewaarde alles wat
er gebeurd was in haar hart.2 Tot
tweemaal toe vermeldt de evangelist deze houding van Maria tegenover de
gebeurtenissen die zich voordoen: in de kerstnacht te Betlehem en in Nazaret
bij de terugkeer uit Jeruzalem, nadat zij Jezus in de tempel had gevonden. De
nadruk die de evangelist hierop legt lijkt de weerklank te zijn van de
herhaalde beschouwing van Maria, die het aan de apostelen moest vertellen na
Jezus' hemelvaart.
De Maagd bewaart en overweegt. Vanuit haar innerlijke ingetogenheid
kent zij de grote en kleine voorvallen van haar leven; ze overweegt deze,
bewaart ze in haar binnenste en maakt ze tot thema van haar gebed. Dit
voortdurende gebed van Maria is als de geur van de roos «die onophoudelijk tot
God opstijgt. Haar opstijgen houdt nooit op en bezit een frisheid zoals de
eerste keer; ze is altijd uitbundig nieuw en maagdelijk. Als de bries van onze
smeekbeden of de stormwinden van de wereld langs haar voorbijtrekken en haar
beroeren, dan stijgt de geur van het gebed nog krachtiger en duidelijker
waarneembaar op; zij wordt dan de voorspreekster die ons gebed bij het hare
insluit om het de Vader aan te bieden, in Christus Jezus, haar Zoon.»3
Toen zij nog hier op aarde verbleef, deed zij alles onder verwijzing
naar haar Zoon: telkens als zij tot Jezus sprak, bad zij, want dàt is gebed:
met God spreken; en ook wanneer zij Hem aankeek, en altijd als zij tegen Hem
glimlachte of aan Hem dacht.4
Te Kana in Galilea, tijdens de bruiloft van die verwanten of
vrienden, leert zij ons met welk een fijngevoeligheid en aandrang men dient te
vragen. «Zij was zijn Moeder, zij had Hem in haar armen gewiegd, en toch
weerhoudt zij zich ervan Hem aan te geven wat Hij kan doen. Zij legt de nood
voor en laat verder alles over aan zijn oordeel, want zij is er zeker van dat
de oplossing die Hij aan het probleem zal geven, welke het ook moge zijn en in
welke zin dan ook, de beste is, de meest aangewezene, die welke de zaak op de
meest gepaste wijze oplost. Zij laat het veld voor de Heer volkomen vrij, opdat
Hij ongebonden en ongedwongen zijn wil kan doen, maar dat komt omdat zij zeker
weet, dat zijn wil het meest volmaakte is wat zou kunnen geschieden en wat de zaak
waarlijk kon oplossen. Zij bindt Hem niet aan handen en voeten om een weg te
kiezen, om iets bepaalds te doen; zij vertrouwt op zijn wijsheid, op zijn
verheven kennis, op zijn visie op de dingen, die ruimer en dieper is en
aspecten en omstandigheden omvat die zij wellicht niet zou kunnen weten. Onze
Lieve Vrouw stelde zich niet eens de vraag of Hij het misschien niet beter zou
vinden niet in te grijpen: zij legt Hem voor wat er gebeurt en legt het in zijn
handen. En het geloof doet God krachtiger bij iets betrokken zijn dan de meest
scherpzinnige en overtuigende argumenten.»5
Onder het kruis spoort zij ons aan om altijd bij Christus te
zijn, in stil gebed, op de zwaarste momenten van het leven. Het laatste bericht
dat de Heilige Schrift over haar geeft, vermeldt dat zij zich bij de apostelen
bevindt, samen met hen biddend6, en wachtend op
de komst van de Heilige Geest. De Heer zelf zal van zijn Moeder vele gebeden
geleerd hebben die bij het volk van Isräel van geslacht op geslacht waren
overgeleverd, zoals ook wij vele gebeden van onze moeder hebben geleerd.
«Het heilig evangelie maakt het ons met enkele woorden makkelijk
om het voorbeeld van Maria te begrijpen: Maria bewaarde al
deze dingen in haar hart en overwoog ze bij zichzelf (Lc 2,19). Wij
moeten proberen haar na te volgen door in een liefdevolle dialoog met de Heer
over alles te spreken wat ons overkomt, tot en met de kleinste gebeurtenissen.
Laten we niet vergeten, dat we die moeten afwegen, nagaan en bekijken met de
ogen van het geloof om de wil van God te achterhalen.»7
Daartoe moet onze dagelijkse overweging ons leiden: tot een volledige
vereenzelviging met Jezus; tot het geven van een goddelijke inhoud aan de
kleine dagelijkse gebeurtenissen.
47.2 Ons gebed moet voortdurend
tot God onze Vader opstijgen. Meer nog, wij bidden Onze Lieve Vrouw -die reeds
met lichaam en ziel in de hemel is-, dat zij onophoudelijk goede dingen over
ons tot Jezus zegt: Recordare, Virgo Mater [...], in conspectu Domini, ut loquaris pro nobis bona [...].
Denk eraan, Moeder van God om voor Gods aanschijn goede dingen over ons te
zeggen.8 En vanuit de hemel moedigt zij ons
steeds aan om nooit het gebed achterwege te laten, de omgang met God, want dat
is onze dagelijkse kracht.
Wij moeten leren om steeds beter met de Heer om te gaan in
het innerlijk gebed -die momenten die we besteden om in stilte met Hem te
spreken over onze aangelegenheden, om Hem te danken, om zijn hulp in te roepen,
om Hem te zeggen dat wij Hem liefhebben...- en ook door het mondgebed; daarbij
kunnen we heel vaak die gebeden gebruiken die zovele geslachten hebben geholpen
om hun hart en hun smeekbeden te verheffen tot de Heer en zijn allerheiligste
Moeder, en misschien ook die andere gebeden die we uit de mond van onze moeder
hebben geleerd.
Het gebed maakt ons sterk tegen de bekoringen. Soms zullen
ook wij dezelfde woorden kunnen horen die Jezus tot zijn leerlingen richtte in
de Hof van Getsemani: Hoe kunt ge slapen? Staat op en bidt,
dat ge niet op de bekoring ingaat.9
We moeten altijd bidden, maar er zijn ogenblikken waarop we
dat gebed moeten versterken, het nog beter verzorgen, ons inspannen om er
grotere aandacht aan te schenken..., want misschien zijn de problemen in het
gezin of op het werk groter of zijn de bekoringen sterker. Zij houdt ons
waakzaam voor de vijand die op de loer ligt, ze helpt ons om ons werk beter te
verrichten, onze verplichtingen en taken jegens gezin en maatschappij te
vervullen, om anderen beter te behandelen.
De heilige Maagd Maria leert ons vandaag, dat we al datgene
wat ons leven vormt, in ons hart moeten overwegen, er betekenis aan geven voor
het aanschijn van God: datgene wat ons als een groot ongeluk voorkomt, de
kleine, gebruikelijke pijnen van elk leven, de vreugden, de geboorte van een
kind, of van een zusje of broertje, de dood van een dierbare, de voorvallen op
het werk of in het gezinsleven, de vriendschap. Ook gewennen wij ons eraan,
zoals Maria, de Heer te zoeken in het binnenste van onze ziel, in staat van
genade. «Verheug je over Hem in je innerlijke overweging. Verblijd je over Hem,
want je hebt Hem zo dichtbij.
»Verlang dáár naar Hem; aanbid Hem dáár; ga Hem niet buiten
jezelf zoeken, want dan zul je verstrooid raken, moe worden en Hem toch niet
vinden; je kunt Hem niet met grotere zekerheid, sneller of dichterbij genieten
dan binnen in je.»10
Niemand in deze wereld wist zó met Jezus om te gaan als zijn
Moeder; en na haar de heilige Jozef, die vele uren heeft doorgebracht met Hem
aan te kijken, Hem te aanschouwen, met Hem te praten over de kleine voorvallen
van elke willekeurige dag, in eenvoud en verering. Als wij in geloof tot hen
gaan wanneer wij ons gebruikelijke gesprek met de Heer beginnen, zullen we aanstonds
hun daadwerkelijke bijstand ervaren.
47.3 In het innerlijk gebed gaan
we op persoonlijke wijze met de Heer om, we verstaan wat Hij van ons wil, we
dringen dieper door in de betekenis van de Heilige Schrift, want «het inzicht
zowel in de overgeleverde werkelijkheden als in de overgeleverde woorden
groeit: door de beschouwing en de studie van de gelovigen die dit alles in hun
hart bewaren.»11
Naast dit «overwegen van de dingen in ons hart» is ook het
mondgebed de Heer zeer welgevallig, zoals Hem ongetwijfeld ook het gebed van de
heilige Maagd welgevallig was: zij heeft zeer zeker psalmen en andere gebeden
uit het Oude Testament, waarmee het Hebreeuwse volk zo vertrouwd was12, opgezegd.
Wanneer we ons werk aanvangen of beëindigen, als we op straat
wandelen, de trap op- of afgaan..., dan ontvlamt de ziel in zulke mondgebeden en
verandert ons leven geleidelijk aan in een voortdurend gebed: het Onze Vader,
het Weesgegroet, schietgebedjes die men ons geleerd heeft of die we hebben
geleerd door het lezen en overwegen van het heilig evangelie, uitdrukkingen
waarmee velen de Heer hebben gebeden om genezing, om vergiffenis of om zijn
barmhartigheid, en andere gebeden die onze liefde heeft 'uitgevonden'. Enkele
daarvan hebben we al als kind geleerd: «het zijn vurige en eenvoudige zinnen,
gericht tot God en zijn Moeder, die onze Moeder is. Nog steeds herhaal ik, niet
de ene dag wel en de andere niet, maar elke dag, 's ochtend en 's avonds het
gebed dat mijn ouders mij leerden: O Lieve Vrouw, o Moeder mijn, laat mij
geheel de uwe zijn; vandaag wijd ik als liefdeblijk u ogen, oren, tong
gelijk... Is dat niet -op de een of andere manier- het begin van contemplatie,
een onomstotelijk bewijs van vertrouwvolle zelfgave?»13
Talloze van deze gebeden houden voor vele christenen de herinnering
en de glans in van de eerste keer dat ze die gebeden hebben. Deze schitterende
gebeden mogen we niet verloren laten gaan; laten we de plicht vervullen om ze
aan anderen te leren. Op heel bijzondere wijze kunnen we in deze dagen van de
Noveen aandacht schenken aan de heilige rozenkrans, het gebed dat zo vaak door
de Kerk is aanbevolen.
Paus Pius ix
lag op zijn sterfbed en een van de prelaten die hem bijstonden, vroeg hem
waaraan hij in dit laatste uur dacht. De paus antwoordde: «Kijk: ik ben
zachtjes de vijftien geheimen aan het overwegen die de wanden van deze kamer
versieren; het zijn evenzovele schilderijen van troost. Als je eens zag hoeveel
moed ze mij geven! Als ik de blijde geheimen overweeg, denk ik niet meer aan
mijn pijn; als ik aan de kruisgeheimen denk, voel ik mij in hoge mate gesterkt,
want dan zie ik dat ik niet alleen de lijdensweg ga, maar dat Jezus voor mij
uitgaat; en wanneer ik de glorievolle geheimen overweeg, dan voel ik een grote
vreugde en komt het me voor, dat al mijn pijnen in schitteringen van heerlijkheid
veranderen. Wat schenkt de rozenkrans me op mijn sterfbed toch een geweldige
troost!» En zich daarop tot degenen die hem omringden richtend, zei hij: «De
rozenkrans is een samengevat evangelie en zal aan hen die hem bidden, de
stromen van vrede schenken waarover de Schrift ons spreekt; het is de schoonste
devotie, de rijkste in genade en de meest welgevallige aan het hart van Maria.
Laat dit, mijn zonen -zo zei hij tot hen die hem omringden- mijn testament zijn
om aan mij op aarde te denken.»14
Laten wij vandaag het voornemen maken meer zorg te besteden
aan ons dagelijkse gebedsuur en aan de mondgebeden, met name de heilige
rozenkrans, waardoor wij zoveel genade zullen verkrijgen voor onszelf en voor
hen die wij dichter bij de Heer willen brengen.
-1. Lc 2,19. -2. Lc 2,51. -3. F.M. Moschner, Rosa mística. -4. Vgl. Kard. J.H. Newman, Rosa mística. -5. F. Suárez, Maria van Nazareth. -6. Vgl. Hnd
1,14. -7. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 285. -8. Vgl. Graduale
Romanum, 1979, bl. 422. -9. Lc 22,46. -10. H. Johannes van het Kruis, Geestelijk
Lied, 1, 8. -11. Vaticanum ii, Dogm.
const. Dei Verbum, 8. -12. Vgl. F.M. Willam, Het leven van Maria.
-13. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 296. -14. Vgl. H. Marín, Doctrina Pontificia,
IV, Documentos marianos, BAC, Madrid 1954, 322.