Vierde zondag door het jaar (C)
27. naastenliefde
-Het wezen van de naastenliefde. -De
eigenschappen van deze deugd. -De liefde blijft eeuwig. Hier op aarde is zij
reeds een voorsmaak en begin van de hemel.
27.1 De tweede lezing van de mis herinnert ons aan het zogeheten 'hooglied
van de liefde', een van de mooiste bladzijden uit de brieven van de heilige
Paulus.1 Via de apostel spreekt de Heilige Geest ons over relaties tussen
mensen van een soort dat volkomen onbekend was in de heidense wereld, omdat het
een totaal nieuw fundament heeft: de liefde voor Christus. Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten
van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan.2 Met de hulp van
de genade ontdekt de christen God in zijn naaste: hij weet dat wij allemaal
kinderen van dezelfde Vader zijn, en broeders van Jezus Christus. De
bovennatuurlijke deugd van de naastenliefde verbindt ons ten diepste met onze
naaste; het is niet louter menslievendheid. «Onze liefde is niet te verwarren
met een sentimentele houding of eenvoudigweg kameraadschap, en evenmin met de
weinig duidelijke inzet om anderen te helpen om onszelf van onze superioriteit
te overtuigen. Liefde is in goede harmonie leven met de naaste, [...] het beeld
van God vereren dat in ieder mens aanwezig is, door te zorgen dat de ander dat
beeld ook beschouwt, waardoor hij zich tot Christus weet te wenden.»3
De Heer heeft een nieuwe en onvergelijkbaar
hogere betekenis aan de liefde voor onze naasten gegeven. Hij leerde ze als het
'nieuwe gebod' en het onderscheidingsteken
van de christenen te zien.4 De goddelijke liefde -zoals Ik
u heb liefgehad- is de maat van liefde die we voor
andere mensen moeten hebben; het is daarom een bovennatuurlijke liefde die God zelf
in ons hart legt. Het is tegelijkertijd een diep menselijke liefde, die wordt
verrijkt en versterkt door de genade.
Naastenliefde is niet hetzelfde als natuurlijke
vlotheid in de omgang, als broederlijkheid die voortkomt uit bloedverwantschap,
zelfs niet als het gevoel van medelijden met andermans ellende... De goddelijke
deugd van naastenliefde sluit evenwel deze gewettigde vormen van aardse liefde
niet uit; zij neemt deze op en maakt ze bovennatuurlijk; zij zuivert ze en
maakt ze dieper en sterker. De naastenliefde van een christen vindt gewoonlijk
zijn neerslag in de deugden die nodig zijn voor een harmonieuze omgang met
anderen, in goede manieren en hoffelijkheid, die dan verheven worden tot een
hogere en definitieve orde.
Zonder naastenliefde blijft het leven zonder
inhoud... De meest verheven welsprekendheid, en alle goede werken die men maar
kan doen, zouden slechts de klank van een galmend bekken of een schelle cimbaal
zijn, die maar enkele ogenblikken duurt en dan uitsterft. Zonder naastenliefde -zegt
de apostel ons- zijn zelfs de hoogste gaven van weinig nut: Als ik de liefde niet heb, ben ik niets. Veel leraren en schriftgeleerden wisten meer over God, oneindig veel
meer, dan de meerderheid van de metgezellen van Jezus -dat volk dat de Wet niet kent- 5, maar al hun
kennis was vruchteloos. Ze begrepen het wezenlijke niet: de aanwezigheid van de
Messias in hun midden, en zijn boodschap van begrip, respect en liefde.
Gebrek aan naastenliefde stompt het verstand
af, zodat het God noch de waardigheid van de mens kan kennen. De liefde,
daarentegen, maakt scherpzinnig; ze zuivert en stimuleert al onze vermogens.
Alleen de bovennatuurlijke deugd van de liefde -liefde tot God en tot onze
naaste omwille van God- bereidt ons voor en stelt ons in staat de Heer zelf te
begrijpen en alles wat op Hem betrekking heeft, voor zover een eindig wezen dat
kan. De mens zonder liefde kent God
niet -leert de heilige Johannes- want God is liefde.6 Ook de deugd van
hoop blijft onvruchtbaar zonder de liefde, want «het is onmogelijk te verwerven
wat men niet bemint.»7 Alle werken zijn vergeefs zonder de liefde, zelfs die welke de
grootste moeite kosten en opofferingen met zich meebrengen: Al deel ik heel mijn bezit uit, al geef ik mijn
lichaam prijs aan de vuurdood: als ik de liefde niet heb, baat het mij niets. Liefde is door niets te vervangen.
Vandaag kunnen we ons in ons gebed afvragen,
hoe we deze deugd elke dag beleven: verlenen we kleine diensten aan de mensen
om ons heen? Proberen we beminnelijk te zijn? Vragen we om vergeving als we
niet beminnelijk geweest zijn? Verspreiden we vrede en vreugde om ons heen?
Helpen we anderen op hun weg naar God of zijn we daarentegen onverschillig?
Beoefenen we de werken van barmhartigheid door armen en zieken te bezoeken, om
zo christelijke solidariteit te betuigen aan hen die lijden? Hebben wij zorg
voor bejaarden en voor mensen aan de rand van de maatschappij? Kortom, uit onze
gebruikelijke omgang met de Heer zich in daden van begrip en dienstvaardigheid
aan de mensen die dagelijks met ons in contact komen?
27.2 De heilige Paulus leert ons welke eigenschappen de naastenliefde
kenmerken. In de eerste plaats zegt hij ons: De liefde is lankmoedig, geduldig. Als we
het goede willen doen, moeten we vooreerst het kwade weten te verdragen, door
bij voorbaat afstand te doen van boosheid, slecht humeur of stuursheid.
Geduld wijst op grote kracht. De naastenliefde
zal vaak geduld vereisen om mogelijke gebreken, wantrouwen en opvliegendheid
van mensen met wie we omgaan, met kalmte te dragen. Deze deugd zal ons helpen
om aan zulke details hun feitelijke waarde te geven en ze niet op te blazen; om
het geschikte moment af te wachten, als we moeten corrigeren; om een goed
antwoord te geven, dat vaak erin zal slagen op weldadige wijze het hart van
deze mensen te bereiken. Geduld is een belangrijke deugd voor de omgang met
anderen. Hierdoor volgen we God na, die zoveel geduld heeft met onze vele
fouten en altijd traag in toorn8 is. We volgen
Jezus na, die de slechtheid van de farizeeën zeer goed kende, «maar toch voor
hen boog om hen te winnen, zoals goede geneesheren die de beste medicijnen
voorschrijven aan degenen die het ernstigst ziek zijn.»9
De liefde is goedertieren, dat wil zeggen, zij is bereid goed te doen voor iedereen.
Goedertierenheid kan alleen bestaan in een groot en edelmoedig hart: het beste
van onszelf moet voor de ander zijn.
De liefde is niet afgunstig. Terwijl jaloezie bedroefd wordt omdat het een ander goed gaat,
verheugt naastenliefde zich juist daarover. Uit de afgunst komen talloze zonden
tegen de naastenliefde voort: kwaadsprekerij, laster, vreugde over het ongeluk
dat anderen treft en droefheid over hun geluk. Vaak is jaloezie de oorzaak
ervan, dat vrienden uit elkaar gaan, en broers en zussen ruzie met elkaar
krijgen. Het is als een kankergezwel dat de harmonie en vrede tussen mensen
aanvreet. De heilige Thomas noemt afgunst «de moeder van de haat.»
De liefde praalt niet, zij
beeldt zich niets in... Veel bekoringen tegen de
naastenliefde zijn het gevolg van een houding van hoogmoed ten opzichte van
onze naaste, want alleen in zoverre wij onszelf vergeten, kunnen we ons
inzetten en zorg dragen voor de ander. Zonder nederigheid kan geen enkele
andere deugd bestaan, en met name kan er geen liefde bestaan. Bij vele fouten
tegen de naastenliefde bestonden er tevoren andere tekortkomingen, zoals
ijdelheid en trots, egoïsme en het verlangen anderen te overtreffen. Ook op
vele andere manieren openbaart zich de hoogmoed, die de naastenliefde
verhindert. «De horizon van de trotse mens is vreselijk beperkt: ze houdt op
bij hemzelf. De trotse kan niet verder kijken dan zichzelf, zijn eigen
kwaliteiten, zijn deugden, zijn talent. Zijn horizon is er een zonder God. En
in dit miezerige panorama komt de ander niet eens voor: er is geen plaats voor
hem.»10
De liefde geeft niet om de
schone schijn, zij zoekt zichzelf niet.
Naastenliefde vraagt niets voor zichzelf; zij geeft zonder op een beloning te
rekenen. Ze weet dat ze Jezus bemint in de anderen, en dat is haar voldoende.
Niet alleen is ze niet eerzuchtig met een overdreven winstbejag, maar ze zoekt
niet eens wat haar toekomt: ze zoekt Jezus.
De liefde rekent het kwade
niet aan, ze houdt geen lijst bij van persoonlijke
grieven, maar alles verdraagt zij. We bidden de Heer niet alleen om hulp om de eventuele splinter in het
oog van de ander, als die er mocht zijn, te verontschuldigen, maar we moeten
spijt hebben over de balk in ons eigen oog, over de vele momenten waarop we God
ontrouw waren. De liefde gelooft
alles, hoopt alles, duldt alles. Alles, niets
uitgezonderd.
Er is veel dat we kunnen geven: geloof,
vreugde, een kleine lofprijzing, genegenheid... Maar laten we nooit iets terug
verwachten. We mogen niet van streek raken als mensen ons geen wederdienst
bewijzen: de liefde zoekt zichzelf
niet, ze zoekt niet datgene wat ons vanuit
menselijk standpunt lijkt toe te komen. Als we niets zoeken, zullen we
ontdekken dat we Jezus gevonden hebben.
27.3 De liefde vergaat nimmer. De
gave der profetie zal verdwijnen, tongen zullen verstommen, de kennis zal een
einde nemen [...] Nu echter blijven geloof, hoop en liefde, deze drie; maar de
liefde is de grootste.11
Deze drie goddelijke deugden zijn de
belangrijkste van het christelijke leven, omdat ze God tot voorwerp en doel
hebben. Geloof en hoop blijven in de hemel niet voortbestaan: het geloof wordt
vervangen door de gelukzalige aanschouwing, de hoop door het bezitten van God.
De liefde daarentegen blijft eeuwig: hier op aarde is ze reeds een begin van de
hemel, en het eeuwige leven zal bestaan in een ononderbroken liefhebben.12
Zet uw hart op de liefde13, zo spoort de heilige Paulus ons aan. Zij
is de grootste gave en het belangrijkste gebod van de Heer. Zij moet het
kenmerk zijn, waaraan men ons als leerlingen van Christus zal herkennen14. Het is een
deugd die we op elk moment op de proef kunnen stellen, ten goede of ten kwade.
Want op ieder ogenblik kunnen wij iemand helpen, een vriendelijk woord spreken,
roddel vermijden, een woord van bemoediging zeggen, iemand voor laten gaan, bij
God ten beste spreken voor iemand die in nood is, een goede raad geven,
glimlachen, helpen om een aangenamere sfeer in ons gezin of op het werk te
scheppen, iemand verontschuldigen, een welwillender oordeel uitspreken enz. We
kunnen het goede doen, of nalaten; we kunnen zelfs anderen benadelen, niet
alleen door verzuim. De naastenliefde dwingt ons voortdurend tot een actieve
liefde door werken van dienstvaardigheid, door gebed en ook door boete te doen.
Als we in de naastenliefde groeien, worden alle
deugden rijker en krachtiger. Geen van hen is een ware deugd, als ze niet is
doordrongen van naastenliefde: «Je hebt zoveel deugd als je liefde hebt, en
niet meer.»15
Als we veelvuldig onze toevlucht nemen tot
Maria, zal zij ons leren anderen lief te hebben en met hen om te gaan, want zij
is 'Lerares van de naastenliefde'. «De onmetelijke liefde van Maria voor de
mensheid maakt dat, ook in haar, het woord van Christus vervuld wordt: Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat
hij zijn leven geeft voor zijn vrienden (Joh 15,13).»16 Onze moeder
Maria heeft zich ook voor ons overgegeven.
-1. 1 Kor 12,31-13,13. -2. Mt 25,44. -3. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 230. -4.
Vgl. Joh 13,34. -5. Joh 7,49.
-6. 1 Joh
4,8. -7. H. Augustinus, Tractaat over het geloof, de
hoop en de liefde, 117. -8. Vgl. Ps 145,8. -9. H. Cyrillus, in Catena Aurea, vol vi. -10. S. Canals, Jesus as friend.-11. 1 Kor 13,8-13. -12. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, I-II, q114, a4. -13.
1 Kor
14,1. -14. Vgl. Joh 13,35. -15. F. de Osuna, Abecedario espiritual, 16,4. -16. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 287.
|