Vijfde week. Donderdag
40. Nederig en volhardend gebed
-De genezing van de
dochter van de Kananese vrouw. Voorwaarden voor het ware gebed. -Vertrouwen en
volharding in onze smeekbeden. -Wat we mogen vragen. Bidden voor anderen. Hulp
van de engelbewaarder. De rozenkrans, «een machtig wapen.»
40.1 De heilige Marcus verhaalt ons in het evangelie van vandaag, dat Jezus
en zijn leerlingen in de streek van Tyrus en Sidon kwamen.1 Een niet-joodse
vrouw kwam naar hen toe. Ze was van Syrofenicische afkomst en behoorde tot de
oorspronkelijke bevolking van Palestina. Ze wierp zich aan zijn voeten en vroeg
Hem haar dochter te genezen, die door de duivel bezeten was. Jezus gaf haar
geen antwoord. Zijn leerlingen, geërgerd door het aandringen van de vrouw, vroegen Hem haar weg te
zenden.2 De Heer tracht de
vrouw uit te leggen, dat de Messias zich in de eerste plaats aan de Joden
bekend moet maken, aan de kinderen van Israël. Dan, met een uitdrukking die
moeilijk te begrijpen is, zonder dat we zijn beminnelijke gebaren zien, zegt
Hij haar: Het is niet goed het brood
dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven. De vrouw voelt zich niet gekwetst of vernederd, maar zij dringt nog sterker aan, in diepe nederigheid: Wel waar Heer, want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters
vallen. Ontroerd stelt Jezus het wonder waarom men Hem vraagt niet langer uit, en Hij zendt haar
weg met de woorden: Vrouw, ge hebt een groot geloof. Uw verlangen wordt
ingewilligd. God, die de hovaardigen weerstaat,
geeft genade aan de nederigen3; die vrouw verkreeg wat ze verlangde en won het hart van de Meester.
Zij is het
volmaakte voorbeeld voor allen die het bidden moe zijn,
omdat ze menen toch niet verhoord te worden. In haar gebed vinden we de
voorwaarden samengevat die nodig zijn voor elke smeekbede: geloof, nederigheid,
volharding en vertrouwen. Haar grote liefde voor haar dochter, die door de
duivel bezeten was, moet Christus wel ten zeerste behaagd hebben. De apostelen
zullen zich deze vrouw wellicht herinnerd hebben, toen ze later de parabel
hoorden over de opdringerige weduwe4 die eveneens verkreeg wat ze vroeg,
omwille van haar hardnekkigheid en aandringen.
De heilige Thomas leert, dat het ware gebed
onfeilbaar doeltreffend is, want God heeft
het zo bepaald en Hij verandert niet
van gedachte.5 En opdat wij steeds maar blijven vragen, toonde de
Heer ons met duidelijke en eenvoudige voorbeelden, zodat we het goed zouden
begrijpen, dat onze oprechte gebeden Hem altijd en overal bereiken en dat Hij
ze verhoort: Is er soms onder u een
vader, die aan zijn zoon een steen zal geven, als deze hem om brood vraagt? Of
als hij hem om vis vraagt, zal hij hem in plaats van vis geen slang geven? [...]
Hoeveel te meer dan uw Vader in de hemel...!6 «God heeft nooit
iets geweigerd en zal niets weigeren aan hen die op de verschuldigde wijze om zijn genade vragen. Gebed is ons voorname
hulpmiddel om uit de zonde te geraken, om te volharden in de genade, om
Gods hart te beroeren en allerlei vormen van zegeningen uit de hemel over ons
af te roepen, zowel voor onze zielen als voor onze tijdelijke noden.»7
Als we om een bepaalde gave bidden, moeten we
bedenken dat we kinderen van God zijn, en dat Hij oneindig beter voor ons zorgt
dan de beste vader op aarde voor zijn kind in grootste nood.
40.2 God heeft in alle eeuwigheid voorzien in alle hulp die we nodig hebben, evenals in de bijstand,
de genade die ons tot smeken bewegen, want Hij behandelt
ons als vrije kinderen en
vraagt ons om onze medewerking. Het is voor ons even
noodzakelijk te vragen om Gods hulp te verkrijgen, om het goede te doen en te volharden, als het zaad
nodig is om later het graan te oogsten.8 Zonder zaad zijn
er geen aren; zonder gebed
zullen we niet de genade verkrijgen die we moeten ontvangen. Naarmate we het
gebed vermeerderen, vereenzelvigen we onze wil met die van God, die degene is, die waarlijk onze armoede en kleinheid kent. Soms laat Hij ons
wachten om ons beter voor te bereiden, om ons dieper en vuriger naar deze genade te doen
verlangen; andere malen verbetert Hij onze bede en geeft
ons wat we werkelijk nodig hebben. Op weer andere momenten verleent Hij ons
niet wat we Hem vragen, omdat wij, misschien onbewust, iets vragen wat
schadelijk is, iets wat door onze wil de schijn van iets goeds aanneemt. Een
moeder geeft haar kind geen scherp mes, dat zo prachtig blinkt en zo
aantrekkelijk is en dat de kleine zo dolgraag wil hebben. En wij zijn als
kleine kinderen voor God. Als we Hem iets vragen dat slecht voor ons zou zijn,
ook al lijkt het goed, dan handelt God net zoals een goede moeder met haar
kleintjes: Hij geeft ons andere genaden die ons wel tot heil strekken, ook al
verlangen wij in onze kortzichtigheid er minder sterk naar. Ons gebed moet
derhalve vertrouwensvol zijn, zoals iemand die iets aan zijn vader vraagt, aangezien
God onze noden zeer wel kent, veel beter dan wijzelf.
Vertrouwen brengt ons tot bidden met
volharding, hardnekkigheid, zonder op te geven, telkens weer aandringend, in de
zekerheid dat we veel meer en iets veel beters zullen krijgen dan wat we gevraagd
hebben. We moeten aandringen zoals de opdringerige vriend die geen brood had
of de hulpeloze weduwe die dag en nacht bij de onrechtvaardige rechter smeekte.
Vraagt en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden
opengedaan. Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie
klopt, wordt opengedaan.9 Juist volharding in het gebed vermeerdert het vertrouwen en de
vriendschap met God. «En deze vriendschap die voortkomt uit de smeekbede, opent
de weg naar een nog meer vertrouwensvolle bede [...] alsof we, door de eerste
smeekbede ingeleid in de goddelijke intimiteit, met nog meer vertrouwen de
volgende konden afsmeken. Daarom is in een tot God gerichte smeekbede volharding, aandringen, nooit
ongepast. Integendeel, ze is God welgevallig.»10 Die vrouw uit Kanaän is een voorbeeld
van standvastigheid, dat we moeten navolgen, ook al leek aanvankelijk dat de
Heer haar niet aanhoorde.
Wanneer Hij over de doeltreffendheid van het
gebed spreekt, legt de Heer geen beperkingen op: al wie vraagt, verkrijgt, want God is onze
Vader. De heilige Augustinus leert dat ons gebed soms niet verhoord wordt omdat
wij niet goed zijn, vanwege gebrek aan zuiverheid van ons hart of
rechtschapenheid van bedoeling, of omdat we niet goed bidden, zonder geloof,
volharding of nederigheid; of ook omdat we
dingen vragen die slecht zijn, dat wil
zeggen dingen die niet goed voor ons zijn, die ons kwaad kunnen doen of ons op een dwaalspoor
brengen.11 Ofwel: het gebed treeft geen doel, als het geen echt gebed is. «Bid.
In welke menselijke onderneming krijg je grotere garanties voor het welslagen?»12 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat gij de Vader ook
zult vragen, Hij zal het u geven in mijn naam.13
40.3 Verlos ons, Heer, van alle
kwaad, geef vrede in onze dagen; dat wij, gesteund door uw barmhartigheid,
vrij mogen zijn van zonde en beveiligd tegen alle onrust...14 zo bidt de priester
met luide stem tijdens de mis. In onze smeekgebeden kunnen we gunsten voor
onszelf en voor anderen vragen.
In de eerste plaats het goede en de genade die onze ziel nodig heeft. Hoe talrijk en groot de
materiële beperkingen of ontberingen ook mogen zijn, we hebben altijd meer behoefte
aan het bovennatuurlijke goed: de genade om God te dienen
en trouw te zijn, de persoonlijke heiligheid, hulp om te overwinnen in de strijd tegen onze
eigen gebreken, om goed te biechten, om ons voor te
bereiden op de heilige communie... We vragen om tijdelijke goederen voor zover ze
nuttig zijn voor ons heil en ondergeschikt zijn aan de bovennatuurlijke.
De Heer leerde ons
bidden: Geef
ons heden ons dagelijks brood... Jezus' eerste wonder, waarmee Hij zich aan zijn leerlingen openbaarde15, was van materiële aard. Maria verschijnt in Kana, waar zij «haar Zoon met een
fijngevoelige smeekbede een tijdelijke nood kenbaar maakt en dan tevens een genade-effect verkrijgt: dat Jezus door
het eerste van zijn 'tekenen' zijn leerlingen bevestigt in geloof in
Hem.»16 Door de eenheid van leven zullen alle goederen van materiële aard op
de een of andere manier uitmonden in de glorie van God. Het wonder van Kana, bewerkt door de tussenkomst van Maria,
bemoedigt en prikkelt ons ertoe om ook gunsten van tijdelijke aard te
vragen, die nodig of gepast zijn voor ons gewone leven: hulp om financiële problemen
op te lossen, om van een ziekte te genezen, een moeilijk examen te halen,
waarvoor we gestudeerd hebben... «In het gebed vraagt de een om een vrouw tot
echtgenote overeenkomstig zijn wens, een
ander voor een woning op het platteland, een derde om kleren en weer een
ander om voedsel. Als we deze dingen nodig hebben, moeten we inderdaad de
almachtige God erom vragen. Maar we moeten wel steeds het gebod van onze Verlosser in
gedachten houden: Zoek eerst het
koninkrijk van God en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven
worden (Mt 6,33).»17 We mogen het beste van onze gebed niet
besteden aan het uitsluitend om zulke «extra» dingen bidden.
God is verheugd als we Hem om genade en hulp
vragen voor anderen, en dat we anderen vragen voor ons en voor ons apostolaat
te bidden: «'Bid voor mij', vroeg ik hem zoals ik dat altijd doe. Verwonderd
zei hij terug: 'Maar is er dan iets met u aan de hand?' »Ik moest hem duidelijk
maken dat er ieder ogenblik iets met ons allemaal gebeurt of aan de hand is; en
ik voegde eraan toe dat als er niet gebeden wordt, er 'hoe langer hoe meer
slechte dingen gebeuren'.»18 Bidden voorkomt en
verzacht deze.
Ons gebed moet vervuld zijn van overgave aan
God en van een diepe bovennatuurlijke zin, want -zo zei Johannes Paulus ii- het gaat om het
vervullen van «het werk van God» en niet ons
eigen werk. Het gaat erom dit te vervullen volgens zijn «inspiratie» en niet
volgens onze eigen gevoelens.19 Onze lieve Vrouw, de maagd Maria zal alle gebeden die niet geheel
zuiver zijn, recht zetten, zodat we altijd het beste verkrijgen. We hebben in
de heilige rozenkrans een «machtig wapen»20 om van God voor onszelf en voor hen voor wie we bidden, alle hulp te
verkrijgen die we elke dag nodig hebben. Heer onze God, neem ons leven in
bescherming en wees te allen tijde ons behoud. Help ons, op voorspraak
van de heilige Maria, altijd Maagd, in de noden van dit ogenblik en laat ons
eens ervaren wat eeuwige vreugde is.21
-1. Mc 7,24-30. -2. Mt 15,23. -3. 1 Pe. 5,5. -4. Lc 18,3. -5. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae,
II-II, 83,2. -6. Joh
2,11. -7. H.
Jean-Marie Baptiste Vianney, Preek voor de vijfde Zondag na Pasen. -8. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het zieleleven van den christen, I. -9. Lc 11,9-10. -10. H. Thomas van Aquino, Compendium
Theologiae, II, 2. -11. H. Augustinus, Over de Bergrede, II,73. -12. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 96. -13. Joh 16,23. -14. Romeins missaal, Ordo missae. -15. Joh 2,11. -16. Paulus vi, Marialis cultus, 2 februari 1974. -17. H. Gregorius de
Grote, Homilieën
over het evangelie, 27. -18. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 479. -19. Johannes. Paulus ii,
Toespraak tot de Franse bisschoppen
bij hun bezoek ad limina. -20. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 558. -21. Romeins missaal,
Votiefmis van Maria, Gebed.
|