Tweede week. Dinsdag
14. NEDERIGHEID EN
DIENSTVAARDIGHEID
-Zonder nederigheid is het niet mogelijk de naasten te
dienen. -De dienstvaardigheid van Jezus. -De mensen die de Heer naast ons
geplaatst heeft moeten we op bijzondere wijze dienen. Leren van de maagd Maria.
14.1 In het evangelie
van de Mis van vandaag geeft de Heer, zonder iets van de werkelijkheid te
verbloemen, zijn mening over de schriftgeleerden en farizeeën die op de
leerstoel van Mozes hebben plaatsgenomen. Zij zijn alleen met zichzelf
bezig. Zij hebben de mensen die aan hen toevertrouwd waren, eenvoudige mensen
die afgetobd neerlagen als schapen zonder herder1, links laten liggen. Zij zijn meer
bezig met de ereplaatsen aan de maaltijden, met hun gebedsriemen en kwasten,
gegroet te worden op de markten, Rabbi genoemd te worden.2 Zij waren
aangesteld om zout en licht voor het volk van Israël te zijn, maar zij
laten het volk alleen zonder zout en zonder licht. Zijzelf leven ook in
duisternis. De glorie van God hebben zij geruild voor hun eigen glorie: Alles
wat zij doen, doen zij om bij de mensen op te vallen. De persoonlijke
hoogmoed en de zucht naar ijdele roem hebben hen de nederigheid en de
dienstvaardigheid doen verliezen die het kenmerk zijn van mensen die de Heer
willen volgen.
Christus vermaant zijn leerlingen: Gij moet u geen Rabbi
laten noemen... wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn.3 En Hij wijst ons
bij herhaling de weg: Wie is immers de grootste: die aanligt of bedient?
Niet hij die aanligt? Welnu, Ik ben onder u als degene die bedient.4
Zonder nederigheid en dienstvaardigheid werkt niets, is het
niet mogelijk een leven van liefde te leiden. Zonder nederigheid is er geen
heiligheid, want Jezus wenst geen ijdele vrienden in zijn dienst: «de
werktuigen van God zijn altijd nederig.»5
Apostolaat en de kleine diensten die we onze naasten bewijzen, en dat zijn juist de dingen die de Heer
graag ziet, komen niet voort uit behaagzucht of trots. Als we dienen,
staan onze mogelijkheden niet in verhouding tot de bovennatuurlijke vruchten
die we nastreven. Zonder genade dienen de grootste inspanningen nergens toe: niemand
kan zeggen: 'Jezus is de Heer', tenzij door de Heilige Geest.6 De genade is het
enige dat onze menselijke talenten de mogelijkheid biedt om die werken tot
stand te brengen die buiten onze mogelijkheden liggen. En God weerstaat de
hovaardigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.7
Als we strijden om de deugd van nederigheid te verwerven,
zijn we succesvol en sterk. «Nederigheid zal ons ertoe brengen grote
ondernemingen aan te pakken; maar wel op voorwaarde dat we het besef van onze
geringheid nooit uit het oog verliezen en met een elke dag groeiende
overtuiging van onze povere onwaardigheid.»8 We moeten waakzaam zijn, want het
slechtste streven is het zoeken van onze eigen voortreffelijkheid, zoals de
schriftgeleerden en farizeeën deden: het streven onszelf te zoeken in de zaken
die we onderhanden hebben of uitstippelen. «Hij [hoogmoed] doet een heftige
aanval op alle flanken en het slachtoffer ervan komt hem overal tegen.»9
Als we niet nederig zijn, kunnen we ons onaangenaam gedragen
ten opzichte van de mensen om ons heen, want hoogmoed is besmettelijk. Door een
hoogmoedig mens wordt alles en iedereen slecht behandeld: het gezin, de
vrienden, de werkplek... Hij eist een aparte behandeling, omdat hij denkt dat hij
anders, beter is. Men moet met de uiterste zorg vermijden zijn overgevoeligheid
te kwetsen... Zijn dogmatische toontje in gesprekken, zijn ironische opmerkingen
-hij ziet er geen been in een ander ten gunste van zichzelf in een kwaad
daglicht te stellen- zijn neiging achter gesprekken die heel natuurlijk
opbloeien, een punt te zetten... allemaal symptomen van iets dat diep zit: een
groot egoïsme dat zich van de persoon meester maakt als hij zichzelf tot de
horizon van zijn leven maakt.
Deze ogenblikken van gebed kunnen we gebruiken om, in
aanwezigheid van de Heer, na te gaan hoe onze omgang met anderen is en of die
vervuld is van dienstvaardigheid.
14.2 Jezus is het
volmaakte voorbeeld van nederigheid en toewijding aan de naasten. Niemand heeft
ooit een waardigheid gehad vergelijkbaar met de zijne, niemand heeft ooit met
zoveel liefderijke zorg de mensen gediend: Ik ben onder u als degene die
bedient. Dit is steeds zijn houding tegenover ieder van ons. Altijd bereid
ons te dienen, te helpen, ons op te richten als we gevallen zijn. Dienen wij
onze naaste, in ons gezin, op het werk, door die anonieme giften waarvoor we
misschien nooit bedankt zullen worden. Bij monde van de profeet Jesaja zegt de
Heer in de eerste lezing van de Mis: Discite benefacere10, leer het goede
te doen... Dat zullen we alleen maar leren als we ons op Jezus concentreren, vaak
zijn leer overwegen en trachten in alles zijn voorbeeld na te volgen.
Ik heb u
een voorbeeld gegeven -zegt Jezus na het wassen van de voeten van zijn
apostelen- opdat gij zoudt doen, zoals
Ik u gedaan heb.11 Hij
geeft nog een laatste les om ons te laten begrijpen, dat als we niet
nederig zijn, als we niet klaar staan om te dienen, wij de Heer niet zullen
kunnen volgen.
De Heer nodigt ons uit Hem
te volgen en na te volgen en Hij geeft ons een eenvoudige maar precieze
regel om nederig en dienstvaardig een leven van liefde te leiden: Alles wat
gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor de mensen.12 Mijn ervaring
van wat ik plezierig of vervelend vind, van wat mij helpt of schaadt, is
een goede norm voor wat ik moet doen of laten in mijn omgang met anderen.
Wij verlangen allemaal naar een bemoedigend woord, wanneer
zaken niet goed gegaan zijn, en begrip van de ander als we, ondanks alle goede
wil, iets fout gedaan hebben. We zouden graag hebben dat anderen meer letten op
onze goede kanten dan op de minder goede; en dat er een vriendelijke sfeer
heerst op de werkplek en bij het thuiskomen; dat op ons werk gevraagd wordt dit
of dat te doen, maar in gepaste bewoordingen; dat niemand achter onze rug
kwaadspreekt over ons; en dat iemand anders het voor ons opneemt als er in onze
afwezigheid kritiek op ons wordt geleverd; dat men werkelijk voor ons zorgt,
als we ziek zijn; dat men ons broederlijk vermaant als we iets verkeerd doen in
plaats van er met anderen over door te gaan; dat we geliefd zijn... Dat zijn dus
dingen die we voor anderen moeten doen. Discite benefacere, leert het
goede te doen.
Als we ons zo gedragen, gaat de profeet Jesaja verder, zullen
de zonden, al zijn de zonden rood als scharlaken, wit worden als sneeuw; al
zijn ze als purper zo rood, blank worden als wol.13
14.3 Wie de grootste
onder u is, moet uw dienaar zijn14, zegt de Heer ons. Daarvoor moeten we ons egoïsme
terzijde schuiven en die kleine blijken van naastenliefde ontdekken die anderen
gelukkig maken. Als we niet strijden om elke keer weer meer onszelf te
vergeten, zullen we keer op keer de mensen om ons heen voorbijgaan zonder te
bedenken dat ze misschien een bemoedigend woord nodig hebben, dat ze waardering
moeten krijgen voor wat ze doen, dat ze aangespoord zouden kunnen worden beter
te zijn en dat we hen kunnen dienen.
Egoïsme maakt blind en sluit de anderen buiten de eigen
horizon; nederigheid opent altijd de weg van de liefde in praktische details en
concrete diensten. Die blije geest, van openheid voor de naaste, en
van beschikbaarheid is in staat elke omgeving te veranderen.
Naastenliefde dringt door, zoals water in een rotsspleet, en begint de hardste weerstand te doorbreken,
«Liefde roept liefde op»15, zegt de heilige Theresia van Avila, en Sint Jan van het
Kruis geeft de raad: «Breng liefde waar geen liefde is, en ge zult liefde
vinden.»16 Wij
zijn met zachtheid tegen u opgetreden, als een moeder die haar kinderen
koestert. We waren u zo innig genegen, dat wij u graag mèt het evangelie van
God ons eigen leven hadden geschonken17, getuigt de heilige Paulus aan de
christenen van Tessalonica. Als we hem navolgen
zullen we gelijke vrucht dragen.
Deze geest van de Heer moeten we wel heel bijzonder beleven
met degenen die ons het naast staan in het eigen gezin: «De echtgenoot zoekt
niet alleen zijn eigen belang, maar ook dat van zijn vrouw, en zij dat van haar
man. Ouders zoeken het belang van hun kinderen en die zoeken op hun beurt het
belang van hun ouders. Het gezin is de enige gemeenschap waarin de hele mens
'bemind wordt om zichzelf', om wat hij is en niet om wat hij heeft... [...] Het
respect voor deze basisnorm verklaart, zoals dezelfde Apostel leert, dat niets
uit een geest van rivaliteit en ijdele roem gedaan zou moeten worden, maar uit
nederigheid en uit liefde. En deze liefde die zich voor de naaste opent, zorgt
dat de leden van het gezin echte dienaars zijn van de 'huiskerk', waarvan ieder
voor zich het welzijn en het geluk nastreeft; waarin allen en ieder voor zich
hun leven geven voor deze liefde met de vurige drang dit welzijn en dit geluk
te vinden.»18 Als
we zo handelen, zien we wat in tal van gevallen gebeurt, niet de splinter in
het oog van de ander, maar zien we de balk in het eigen oog.19 De kleinste
tekortkomingen van de ander vergroten we uit, terwijl we ertoe neigen de
grootste eigen fouten te bagatelliseren en goed te praten.
Integendeel doet nederigheid ons op de eerste plaats onze
eigen fouten en stommiteiten erkennen. Dan hebben we de juiste gesteldheid om
begrip te hebben voor andermans gebreken en zijn we in staat hen met succes te
helpen. In die gesteldheid zullen we ook van hen kunnen houden, met hun
tekortkomingen.
De maagd Maria, onze Vrouwe, Dienstmaagd des Heren,
zal ons leren begrijpen dat het dienen van de ander een van de manieren is in
dit leven vreugde tegen te komen en een van de kortste wegen naar onze
ontmoeting met Jezus. Daartoe moeten we haar vragen dat ze van ons echt
nederige mensen maakt.
-1. Mt 9,36. -2. Vgl. Mt 23,1-12. -3. Vgl.
Mt 23,8-11. -4. Lc 22,27. -5. H.
Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 15. -6. 1 Kor
12,3. -7. Jak 4,6. -8. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 106. -9. Johannes Cassianus, Institutiones,
11,3. -10. Jes 1,17. -11. Joh 13,15. -12. Mt 7,12. -13. Jes
1,18. -14. Mt 23,11. -15. H.
Theresia van Avila, Het boek van haar leven, 22,14. -16. H. Johannes van het Kruis, Brief aan
Maria de la Encarnación, brief 47. -17. 1 Tes 2,7-8. -18. Johannes Paulus ii, Preek
tijdens de Mis voor de gezinnen, Madrid, 2 november 1982. -19. Mt 7,3-5.
|